RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450073 / JE RK 26-1202
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats 2] .
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &
Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 7 juli 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 7 juli 2026.
2. De feiten
De moeder is op [datum 1] 2025 te [plaats] overleden. Sindsdien is de vader alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 2] verblijft bij de stiefvader. [minderjarige 1] verblijft in het netwerk van de stiefvader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden tot de zitting van [datum 2] 2026 om 10.00 uur.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 2 oktober 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Naar aanleiding van een vermoeden van kindermishandeling van [minderjarige 1] door de stiefvader is er op 2 juli 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling verzocht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de Raad en uitgesproken door de kinderrechter. Inmiddels is het letsel van [minderjarige 1] door een forensisch arts onderzocht in een zogenaamd “top tot teen-onderzoek” en de conclusie hiervan is dat sprake is van structurele mishandeling en dat de route strafbare kindermishandeling wordt gevolgd. Daarbij komt dat een hulpverlener van [hulpverlening] heeft verteld dat de stiefvader mogelijk is teruggevallen in drankgebruik. Vermoed wordt dat de zorg voor de drie minderjarige kinderen hem, na het wegvallen van de moeder van de kinderen, te veel is geworden. In het verleden is er bij de stiefvader sprake geweest van agressie en intimidatie. De hulpverlener van [hulpverlening] heeft ook verklaard recent te zijn achtervolgd door de stiefvader. Hierdoor zijn er acute en ernstige zorgen om het welzijn en de veiligheid van de minderjarigen ontstaan. De vader met gezag heeft gedurende acht á negen jaar geen contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op dit moment vindt de Raad de vader niet in staat om de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zich te nemen. [hulpverlening] heeft aangegeven dat mochten de kinderen uit huis worden geplaatst, dit alleen kan op het moment dat zij meteen kunnen worden meegenomen. Ingeschat wordt dat de stiefvader anders met de kinderen zou kunnen vluchten. Ook voor [minderjarige 1] , die momenteel in het netwerk verblijft, in hetzelfde dorp, is het noodzakelijk dat een andere plek wordt gezocht.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gelet op de zorgen over de agressieve en intimiderende houding van de stiefvader en het ingeschatte weglooprisico. Daarom zal de kinderrechter het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen toewijzen, en wel voor de periode met ingang van 7 juli 2026 en tot 16 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden.
De Raad, de GI en de belanghebbenden worden op de hieronder vermelde zitting in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Deze zitting zal gelijktijdig zijn met de behandeling van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling die op 2 juli 2026 is uitgesproken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 juli 2026 en tot 16 juli 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de Raad, de GI, de vader en de stiefvader op voor de zitting van mr. Van den Beld op [datum 2] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de Raad, de GI, de vader en de stiefvader voor de zitting van [datum 2] 2026 om [uur];
vraagt de griffier [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te nodigen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, op 7 juli 2026 en schriftelijk vastgelegd op 8 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.