ECLI:NL:RBZWB:2026:7313

ECLI:NL:RBZWB:2026:7313

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer C/02/448624 / JE RK 26-922
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verzoek tot ondertoezichtstelling

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448624 / JE RK 26-922

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. E.M.A. Leijser te Tilburg ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats]

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

Verder is gebruik gemaakt van de diensten van een tolk Portugees en een tolk Spaans, te weten mevrouw [tolk 1] ( [registratienummer 1] ) en mevrouw [tolk 2] ( [registratienummer 2] ).

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft bij de vader in de oneven weken van vrijdag uit school of wanneer er geen school is vanaf 14:00 uur tot de daaropvolgende vrijdag 14.00 uur.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de Raad

Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de ouders met elkaar een relatie hebben gehad, waaruit [minderjarige] is geboren. In maart 2024 is er een ouderschapsplan tot stand gekomen, waarin onder meer een co-ouderschapsregeling is overeengekomen. Feitelijk is er momenteel sprake van een voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] in de oneven weken van vrijdag uit school naar de vader gaat tot de daaropvolgende vrijdag. De moeder heeft een progressieve ziekte, waardoor zij altijd pijn heeft, zij arbeidsongeschikt is geraakt en zij afhankelijk is van haar scootmobiel. De fysieke beperking belemmert de moeder niet in de zorg voor [minderjarige] . Wel is het voor haar lastig dat [minderjarige] op een school zit ver bij haar vandaan. De vader woont samen met een vriend in zijn woning. Deze vriend zou ook een eigen woning hebben. [minderjarige] vertelt over deze vriend dat hij en haar vader vaak ruzie maken en met elkaar boksen en dat zij het daarna weer goed maken met elkaar. Deze vriend is niet aanwezig wanneer instanties de vader bezoeken.

In de afgelopen jaren heeft [minderjarige] veel spanningen en onenigheid/ruzies meegemaakt tussen haar ouders. Ook zijn er zorgen dat [minderjarige] getuige is (geweest) dan wel mogelijk te maken heeft (gehad) met verbaal en fysiek geweld. In de periode dat de ouders nog bij elkaar waren beschuldigden zij elkaar van het niet nakomen van afspraken en van slecht ouderschap, waardoor [minderjarige] niet veilig zou zijn bij de andere ouder. Door de ouders afzonderlijk werd getracht dit op diverse manieren aan te tonen, waaronder door het doen van zorgmeldingen bij de politie, het filmen van elkaar en het verzamelen van bewijzen die in het raadsonderzoek werden gedeeld. De ouders leken op die momenten onvoldoende stil te staan bij de beleving/gevoelens van [minderjarige] . In 2023 heeft [minderjarige] op school verteld dat de vader haar had geslagen en dat hij haar vaker sloeg. Haar rechterbeen was toen aan de achterkant rood. De vader heeft daarover aangegeven [minderjarige] nog nooit te hebben geslagen. Wel heeft hij aan [minderjarige] wel eens een corrigerende tik gegeven. De moeder heeft aangegeven dat zij blauwe plekken bij [minderjarige] heeft waargenomen, zij maakt zich zorgen over [minderjarige] , wanneer zij bij de vader is, omdat zij daar zou worden blootgesteld aan fysiek en/of verbaal geweld door de vader en de vriend van de vader. De aanhoudende zorgen over de veiligheid van [minderjarige] zorgen voor een grote druk bij beide ouders die van invloed is op hun draag-kracht. De vader kampt met depressies, angst- en paniekaanvallen en impulsiviteit, welk beeld sinds een medicatiewijziging is verergerd. Verder heeft de moeder (onbedoeld) vanuit emoties aangegeven afstand te willen doen van het gezag en alle banden met [minderjarige] te willen verbreken. Beide ouders laten bovendien zien zich zorgen te maken over elkaars persoonlijkheidsproblematiek en psychische gesteldheid.

Tussen de ouders is er regelmatig onduidelijkheid over/rondom de voorlopige zorgregeling. Er is niet of nauwelijks sprake van rechtstreeks contact, dit verloopt voornamelijk via e-mail en deels met hulp van de advocaten. De onrust tussen de ouders is ook in dat opzicht voor de school duidelijk voel- en merkbaar. Benoemd wordt in dat verband dat na de voorjaarsvakantie beide ouders op het schoolplein stonden om [minderjarige] op te halen, waarbij de vader overstuur raakte in verband met onduidelijkheid over de uitvoering van de zorgregeling. De vader heeft toen hard geschreeuwd, [minderjarige] is hiervan getuige geweest en daarvan erg geschrokken. Meer recent, te weten in de meivakantie, ontstond er opnieuw onduidelijkheid en discussie tussen de ouders rondom de zorgregeling, waardoor [minderjarige] behoorlijk van slag is geraakt. Ook lukt het de ouders niet om tot afspraken te komen over belangrijke zaken betreffende [minderjarige] , zoals de aanvraag van een paspoort, zwemles en muziekles en verkeren zij niet altijd op één lijn over keuzes die moeten worden gemaakt voor [minderjarige] op school en over het aanbod van de BSO, terwijl dit voor [minderjarige] ’s spraak- en taalontwikkeling heel goed zou zijn.

Minstens even zorgelijk is dat [minderjarige] mogelijk te maken heeft (gehad) met seksueel misbruik. Volgens de moeder maakt [minderjarige] , wanneer zij bij de vader is, seksueel misbruik mee en laat zij trauma gerelateerd gedrag zien door middel van angsten, trillen, huilen en niet alleen durven zijn. De vader geeft aan zich ook zorgen te maken over trauma’s bij [minderjarige] in de vorm van piekergedrag en soms woedeaanvallen, wat volgens hem aan het gedrag van de moeder te wijten is. Er heeft naar aanleiding van deze situatie een politieonderzoek en een gesprek volgens de NICHD methode plaatsgevonden vanuit Veilig Thuis. Op basis van deze onderzoeken kon het seksueel misbruik niet worden bevestigd, maar werd dit ook niet uitgesloten.

[minderjarige] laat blijken veel last te hebben van de hiervóór beschreven omstandigheden, in die zin, dat zij niet altijd de ruimte voelt om zich vanuit loyaliteitsgevoelens naar beide ouders te uiten. Ook piekert zij veel over de situatie met/tussen haar ouders, waardoor zij niet goed meer weet wat zij zelf graag wil. Zij kan daardoor geen gezonde hechtingsrelatie met haar ouders opbouwen. Ook belemmert dit haar in het zelfstandig leren keuzes te maken en grenzen aan te geven. Een positief aspect is dat [minderjarige] met plezier naar school gaat. Zij zit in groep 3, zij is een lieve meid in de klas en voelt zich daar steeds meer op haar gemak. Ook geniet zij van de individuele aandacht in de klas, vindt zij voldoende aansluiting en is zij leergierig.

Sinds medio 2023 is [hulpverlening] betrokken bij de ouders en [minderjarige] . Verder is in 2024 De gezinsmanager betrokken geweest voor ouderschapsbemiddeling, die echter niet effectief is gebleken. Veilig Thuis is begin 2025 (opnieuw) betrokken geraakt in verband met mogelijk seksueel misbruik en medio 2025 is de Gezinsbegeleiding Breda ingezet om het contact tussen [minderjarige] en de vader te begeleiden. Er zijn in juli en augustus 2025 vijf begeleide contactmomenten geweest. Daarnaast hebben er gesprekken plaats gevonden van de ouders met Crossroads/Sterk Huis over MST-CAN. Echter is dit traject niet van de grond gekomen wegens het ontbreken van een eigen hulpvraag bij de vader en het niet meewerken door de moeder. In september 2026 is [zorgaanbieder] betrokken geraakt, bedoeld om de ouders te begeleiden in een traject gericht op solo parallel ouderschap. Naar aanleiding van gesprekken met de ouders heeft [zorgaanbieder] aangegeven te twijfelen of er met de vader tot samenwerking kan worden gekomen, hoewel dit niet nader is gemotiveerd. Volgens [zorgaanbieder] is er een kind behartiger voor [minderjarige] beschikbaar gesteld. Echter betwijfelt zij of dat in dit stadium passend is, nu er eerst meer duidelijkheid dient te komen over wat er aan de hand is en wat er nodig om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Daarbij komt nog dat de vader voor de inzet van hulp vanuit [zorgaanbieder] geen toestemming geeft.

Alles afwegende maakt de Raad zich grote zorgen over de sociaal- emotionele ontwikkeling van [minderjarige] vanwege de zorgen over haar veiligheid in de opvoedingssituaties bij beide ouders. Ook maakt de Raad zich zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [minderjarige] , waarbij een belangrijke rol speelt dat zij daarin door een taalontwikkelingsstoornis wordt belemmerd. De Raad verzoekt daarom [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor een periode van een jaar. Die periode acht de Raad van belang om te (kunnen) gaan werken aan de navolgende doelstellingen:

- [minderjarige] wordt niet seksueel misbruikt, zij wordt niet geslagen, is geen getuige

van ruzies tussen de ouders of schreeuwen door de ouders, zij wordt niet gefilmd op

momenten dat ze behoefte heeft aan troost of steun;

[minderjarige] weet waar ze aan toe is bij haar ouders; ze krijgt gezond eten, positieve aandacht en duidelijkheid over wat ze wel en niet mag;

[minderjarige] krijgt duidelijkheid over de zorgregeling; ze weet wanneer ze bij wie is en daar wordt geen ruzie over gemaakt;

[minderjarige] krijgt de juiste aanpak op school en thuis, rekening houdend met haar taalontwikkelingsstoornis, zodat zij zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen.

De Raad adviseert voor [minderjarige] een vorm van vaktherapie, waarbij te denken valt aan een speltherapeut, die langer betrokken zal zijn, opdat [minderjarige] de kans krijgt om een vertrouwensband op te bouwen en zij de tijd krijgt om alle ingewikkelde en mogelijk traumatische gebeurtenissen een plekje te geven. Daarnaast is nodig dat zeker is dat [minderjarige] veilig is bij beide ouders en zij door de afzonderlijke ouders goed wordt verzorgd en opgevoed. Er dient daarvoor meer zicht te komen op de opvoedingssituaties en -mogelijkheden van de ouders. Daarom kan de Raad zich erin vinden dat door de ouders alsnog gebruik wordt gemaakt van MST-CAN, welke hulpverlening daarop specifiek is gericht en tevens dient om een uithuisplaatsing te voorkomen. Daarnaast acht de Raad het van belang dat de beide ouders meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en aan hulpverlening volgens de Masic methode, opdat er zicht komt op hun mogelijkheden om in de toekomst te kunnen afstemmen/samenwerken met elkaar en veiligheid aan [minderjarige] te bieden.

5. Het gesprek met [minderjarige]

Tijdens het afzonderlijk kind gesprek heeft [minderjarige] aangegeven dat er vroeger vaak ruzies waren tussen haar ouders, maar dat dit nu niet meer het geval is. Nu is zij afwisselend bij haar moeder en haar vader, dit maakt haar blij. Soms helpt zij haar moeder of haar vader, zoals met opruimen of schoonmaken, wat zij leuk vindt en waarvan zij ook leert. Op de vraag of zij ergens hulp bij nodig heeft antwoordt zij met “dat weet ik niet.” Verder heeft [minderjarige] opgemerkt dat zijn het fijn vindt op school, dat zij goed is in rekenen en dat zij meerdere talen spreekt, waaronder Spaans en Portugees.

6. De standpunten van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat, ondanks alle ingezette hulpverlening in een vrijwillig kader de situatie nog steeds complex is en zij zich daarom nog steeds zorgen maakt over de ontwikkeling van [minderjarige] en zich daar in zekere zin ook onmachtig door is gaan voelen. De moeder ondersteunt daarom het verzoek tot ondertoezichtstelling. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat er voor haar spoedig hulpverlening komt in de vorm van speltherapie. Ook staat de moeder open voor hulp voor zichzelf en voor hulpverlening aan haar en de vader om te werken aan solo parallel ouderschap.

Door de vader is - samengevat - opgemerkt dat hij wil dat er voor [minderjarige] professionele psychologische hulpverlening beschikbaar komt, niet zozeer bedoeld om haar weerbaarder te maken, maar om door middel van onderzoek in elk geval meer zicht te krijgen op haar emoties en waar zij tegenaan loopt. Hij hoopt/verwacht dat dit met een ondertoezichtstelling bereikt zal kunnen worden. Daarom kan hij achter het verzoek staan.

7. Het standpunt van de GI

Namens de GI is opgemerkt dat zij de zorgen onderschrijft, zoals die zijn beschreven in de raadsrapportage, dat zij daarin ook een taak weggelegd ziet voor de GI en dat daarom wordt ingestemd met het verzoek tot ondertoezichtstelling. De GI kent aan de zaak zodanige urgentie toe dat die spreekwoordelijk “code rood” mee krijgt. Er dient in haar visie spoedig hulpverlening beschikbaar te komen voor de ouders bij het werken aan de ouder-communicatie en het overeenkomstig naleven van afspraken. Ook zullen de ouders worden aangemeld bij De Gezinsadvocaat. Dit voor het geval dat de ingezette hulpverlening niet het gewenste effect mocht hebben. Er zal dan ingezet (kunnen) worden op het komen tot een solo parallel ouderschapssituatie. Ook wordt met de mogelijkheid van een psychoseksuele screening rekening gehouden. Verder sluit de GI niet uit dat er voor het inzetten van één of meerdere beoogde hulpverleningstrajecten wachtlijsten zullen gelden.

8. De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

De kinderrechter stelt vast dat de moeder de Portugese nationaliteit heeft en dat de vader en de minderjarige de Spaanse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hij in deze zaak internationaal bevoegd is. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de Brussel II-ter Verordening (nr. 2019/1111) zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek toegepast worden.

De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

Er zijn zorgen dat [minderjarige] veel spanningen en ruzies heeft meegemaakt tussen haar ouders en dat zij mogelijk te maken heeft (gehad) of ten minste getuige is geweest van verbaal en fysiek geweld. [minderjarige] heeft - geruime tijd geleden - op school verteld dat zij door de vader was geslagen en dat hij haar vaker sloeg. Op dat moment was haar rechterbeen aan de achterkant rood. De verklaringen van de ouders lopen sterk uiteen, ook wijzen zij naar elkaar als degene die fysiek (bedreigend) gedrag naar [minderjarige] heeft laten zien.

Het ontbreekt de beide ouders niet aan betrokkenheid bij [minderjarige] en aan liefde voor hun dochter. Ook laat [minderjarige] zien dat zij erg van haar ouders houdt. Het lukt de ouders echter niet, ook niet met hulpverlening in een vrijwillig kader, om gezamenlijk in goede afstemming met elkaar en met de hulpverlening voor [minderjarige] een situatie te creëren, waarin zij verantwoord en veilig (verder) kan opgroeien. Met name het gebrek aan vertrouwen bij de ouders in elkaar zorgt ervoor dat de communicatie tussen hen over [minderjarige] nog steeds stroef en niet constructief verloopt. Ook laten de ouders zien dat zij niet schuwen gebruik te maken van controlemiddelen, zoals het maken van filmpjes, om aan te tonen dat er bij de andere ouder geen sprake is van goed ouderschap Dit heeft tot gevolg dat het [minderjarige] ontbreekt aan voldoende positieve aandacht van beide ouders en aan duidelijkheid over waar en wanneer zij in het kader van de zorgregeling bij welke ouder is. Ook is er daardoor geen sprake van een eenduidige zorg- en opvoedaanpak door de ouders en komt de ondersteuning voor haar taalontwikkelingsstoornis niet of althans onvoldoende op gang.

Een bijkomende complicerende factor is dat door ieder van de ouders afzonderlijk zorgen zijn geuit over het gedrag van [minderjarige] , duidend op mogelijk seksueel misbruik. Hoewel dit uit het door Veilig Thuis verrichte onderzoek noch is bevestigd noch wordt uitgesloten dient dit in het belang van [minderjarige] en haar (toekomstige) ontwikkeling door de GI bij de ondertoezichtstelling te worden betrokken, opdat ook op dat vlak duidelijk wordt wat zij aan ondersteuning nodig heeft.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

9. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 7 juli 2026 tot 7 juli 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand