RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442566 / JE RK 25-2128
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren uit Gilze,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
Locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 17 april 2026;
de brief van de advocaat van de moeder van 22 april 2026;
de brieven van de advocaat van de moeder van 12 juni 2026;
de brief van de GI van 12 juni 2026;
het bericht van de advocaat van de moeder van 16 juni 2026.
Op 22 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat hij wel juist is opgeroepen. De vertegenwoordiger van de GI is niet verschenen en heeft de rechtbank een bericht van verhindering gestuurd.
Gelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de zaken met kenmerk C/02/420344 FA RK 24-1321 (omgangsregeling) en C/02/449478 / FA RK 26-3188 (gezag), zijn deze zaken ter zitting gelijktijdig behandeld. In de samenhangende zaken zal bij afzonderlijke beschikkingen worden beslist.
2. De nadere beoordeling
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2026 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de Gl met ingang van 8 januari 2026 tot 8 mei 2026. Het overige deel van het verzoek van de Raad is toen aangehouden.
Vervolgens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 16 april 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 8 mei 2026 tot 8 augustus 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van heden heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het gezag toegewezen (C/02/449478 / FA RK 26-3188). Tevens zijn bij beschikking van heden de verzoeken van beide ouders om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen (C/02/420344 FA RK 24-1321).
Aan de orde is het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de nog resterende duur met ingang van 8 augustus 2026 tot 8 januari 2027 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting aangegeven dat als de moeder alleen het gezag heeft een ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk is. Zij werkt mee aan alle hulpverlening. De moeder wordt in staat geacht hierover beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. Gezien deze bereidheid kan deze hulpverlening plaatsvinden in het vrijwillige kader. De hulpverlening die wordt ingezet vanuit de Viersprong kan zich dan meer richten op de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder. Indien de vader wel gezag heeft, wordt dit gecompliceerd omdat hij geen medewerking verleent aan de hulpverlening en zich volledig terugtrekt.
Door de moeder is aangegeven dat zij het standpunt van de Raad deelt.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
De kinderrechter overweegt dat, zoals de Raad ook tijdens de zitting heeft aangegeven, de noodzaak van een ondertoezichtstelling niet meer aanwezig is nu de moeder alleen met het gezag wordt belast. Zij werkt mee aan alle nodige hulpverlening en zij wordt in staat geacht om in het belang van de kinderen beslissingen te nemen. De noodzakelijke hulpverlening kan daarom in het vrijwillige kader worden gecontinueerd. Ook zal deze hulpverlening zich nu meer kunnen gaan richten op de opvoedingssituatie van de moeder en de kinderen. Het gezag vormt hierin geen belemmerende factor meer en aan de kinderen kan de hulpverlening worden geboden die nodig is voor hen.
Gelet op deze ontwikkelingen is de kinderrechter van oordeel dat er geen gronden meer aanwezig zijn voor een ondertoezichtstelling. Het resterende verzoek van de Raad zal dan ook worden afgewezen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling van de kinderen per 8 augustus 2026 zal aflopen
3. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende verzoek van de Raad af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in tegenwoordigheid van Boink, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.