ECLI:NL:RBZWB:2026:7330

ECLI:NL:RBZWB:2026:7330

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer C/02/448061 / KG ZA 26-243
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vordering nakoming zorgregeling afgewezen. Zorgelijke situatie. Geen mogelijkheden voor nakoming of een andere interventie. Zo snel mogelijk kinderen voorbereiden op contactherstel, waarna (begeleid) contactherstel. GI moet onderzoek doen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer / rolnummer: C/02/448061 / KG ZA 26-243

Vonnis in kort geding van 7 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen.

Partijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.

De voorzieningenrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

hierna: de GI,

gevestigd te Middelburg.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van mr. Van Mossevelde met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;

- de brief van mr. Van Acker, ontvangen op 20 mei 2026;

- de mondelinge behandeling op 23 juni 2026.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is een vertegenwoordigster verschenen van de Raad. Voorts waren aanwezig een tweetal vertegenwoordigers van de GI.

Op voornoemde mondelinge behandeling zijn eveneens het verzoek van de vrouw omtrent de zorgregeling in de zaak met kenmerk C/02/442886 / FA RK 25-6365 en de provisionele verzoeken van de man omtrent de (voorlopige) zorgregeling en het (voorlopige) hoofdverblijf in de zaak met kenmerk C/02/447744 / FA RK 26-2257 behandeld. In die zaken is bij separate beschikkingen beslist.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn op [datum 1] 2019 een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk partnerschap bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2024 is ontboden. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap is op [datum 3] 2024 ingeschreven in de daarvoor bedoelde registers van de burgerlijke stand. Uit het geregistreerde partnerschap van partijen zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019;

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2024 is, voor zover thans van belang, bepaald dat het convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. In het ouderschapsplan is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw. Daarnaast zijn partijen de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen:

De kinderen verblijven om de 14 dagen in de oneven weken van donderdag aansluitend op de schooleindtijd tot maandagochtend aansluitend op de schoolaanvangstijd bij de man;

De kinderen verblijven in de tussenliggende weken vanaf donderdag aansluitend op de schooleindtijd tot de vrijdagochtend aansluitend op de schoolaanvangstijd bij de man, waarbij de ouders een halfjaar na ondertekening van het ouderschapsplan deze doordeweekse zorgregeling zullen evalueren en mogelijk waar nodig zullen voortzetten of aanpassen kijken naar het belang van de kinderen;

De kinderen verblijven gedurende alle schoolvakanties bij de man respectievelijk bij de vrouw, ieder de helft in nader onderling overleg met elkaar af te stemmen;

De kinderen verblijven gedurende de zomervakantie bij iedere ouder drie weken aaneengesloten in nader onderling overleg met elkaar af te stemmen. De verdeling van de zomervakantie zal telkens uiterlijk in het jaar waarin de zomervakantie plaatsvindt over en weer op elkaar worden afgestemd, waarbij het (onregelmatige) werkrooster van vrouw tot uitgangspunt wordt genomen.

Uit het proces-verbaal van deze rechtbank van de zitting van 29 oktober 2025 blijkt dat partijen afspraken met elkaar hebben gemaakt over (onder andere) een voorlopige zorgregeling, inhoudende dat de vrouw de kinderen op vrijdag 31 oktober 2025 ophaalt van school. De kinderen verblijven dan tot maandag voor school bij de vrouw en oma moederszijde. De vrouw brengt de kinderen op maandag naar school. Op woensdag 5 november 2025 haalt de vrouw de kinderen op van school. De kinderen verblijven dan tot donderdag voor school bij de vrouw en oma moederszijde. De vrouw brengt de kinderen donderdag weer naar school. Het weekend van 7 november 2025 haalt de vrouw beide kinderen op van school. De kinderen verblijven dan tot maandag voor school bij de vrouw en oma moederszijde. De vrouw brengt de kinderen maandag weer naar school. Op woensdag 12 november 2025 haalt de vrouw de kinderen op van school. De kinderen verblijven dan tot vrijdag voor school bij de vrouw en oma moederszijde. De vrouw brengt de kinderen vrijdag weer naar school. Dit driewekelijkse schema zal zich herhalen totdat de hulpverlening in overleg met ouders tot een andere zorgregeling besluit. In alle gevallen geldt dat tijdens het contact tussen de vrouw en de kinderen de nieuwe partner van de vrouw niet aanwezig zal zijn.

Bij vonnis in kort geding van 24 december 2025 is bepaald dat de minderjarigen vanaf 25 december 2025 om half vijf tot 31 december 2025 om half vijf bij de vrouw verblijven (in de woning van oma moederszijde), vanaf 31 december 2025 half vijf tot maandag 5 januari 2026 voor school verblijven de minderjarigen bij de man, vanaf 5 januari 2026 na school tot zaterdag 10 januari 2026 om half vijf verblijven de minderjarigen bij de vrouw, vanaf 10 januari 2026 half vijf tot aan donderdag 15 januari 2026 voor school verblijven de minderjarigen bij de man en vanaf donderdag 15 januari 2026 na school tot en met het daarop volgende weekend verblijven de minderjarigen bij de vrouw, waarbij de ouder waarbij de minderjarigen verblijven de minderjarigen naar de andere ouder (of de school) brengt.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 december 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 december 2025 en tot 24 maart 2026.

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 januari 2026 over een provisionele voorziening zijn partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken, inhoudende dat de afspraken die bij vonnis van 24 december 2025 zijn bepaald voor nu doorlopen. Er zal onder regie van de GI worden teruggewerkt naar de normale situatie / zorgregeling.

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 maart 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027.

De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw, maar verblijven feitelijk bij de man.

3. Het geschil

De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, zoals overeengekomen tussen partijen in aanvulling op het vonnis van de rechtbank van 24 december 2025, inhoudende dat de minderjarigen week-op-week-af bij beide partijen verblijven en in dat kader de kinderen op de eerstvolgende woensdag na het wijzen van het vonnis af te geven aan de vrouw, primair met behulp van de sterke arm van politie en justitie, subsidiair op straffe van een dwangsom van €500,- per dag dat de man niet aan dit vonnis voldoet, met een maximum van €10.000,-, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren te bepalen;

II. de man te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vrouw.

Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw heeft de minderjarigen al sinds 15 april 2026 niet meer gezien. Ze ontvangt van de man ook geen informatie over hoe het met de minderjarigen gaat. De man uit allerlei beschuldigingen over de vrouw en haar ex-partner die niet kloppen. De minderjarigen mogen de vrouw nu ook al geen mama meer noemen. De vrouw heeft veel zorgen over de minderjarigen en is ten einde raad. Haar relatie met haar ex-partner is ook verbroken door deze stressvolle situatie. Het is momenteel de vierde keer in acht maanden tijd dat partijen bij de rechtbank zijn. De vrouw had gehoopt dat de GI regie zou voeren en zou kunnen voorkomen dat de man de minderjarigen opnieuw zou weghouden bij de vrouw, maar dit is niet gelukt. De vrouw heeft zich steeds bereid getoond om mee te werken aan de hulpverlening. Beslissingen van de rechtbank en aanwijzingen van de GI worden niet nageleefd door de man. De minderjarigen gaan hierdoor niet meer naar school, gaan niet meer naar zwemles, gaan niet mee op schoolreis en gaan niet meer naar de vrouw. Voorts werkt de man niet mee aan het veiligheidsplan van de GI. Eerder was een verblijf van de minderjarigen bij oma (moederszijde) geen discussiepunt. De GI zag daarbij eigenlijk geen noodzaak tot begeleide omgang, maar heeft toch contact gezocht met Juvent om het contact voortaan te gaan begeleiden. Hiermee heeft de vrouw ingestemd, ondanks dat het contact niet onveilig is. De man stemt hier echter niet mee in. De vrouw wenst zo snel mogelijk een contactherstel met de minderjarigen. Bovendien licht de vrouw toe dat zij wil dat de minderjarigen in een neutraal pleeggezin worden geplaatst, als dit maar betekent dat zij niet bij de man verblijven.

De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.

Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. De man heeft het gevoel dat hij aan zijn lot wordt overgelaten. Hij heeft vaak om hulp gevraagd, zoals de inzet van een kindbehartiger, maar dit blijft weg, omdat er een ondertoezichtstelling loopt. Zo heeft de man geprobeerd om contact op te nemen met de school van de minderjarigen, maar zij willen niet inhoudelijk op de zaak ingaan. Dit maakt dat hij de veiligheid van de minderjarigen op school niet kan garanderen. De minderjarigen durven niet meer naar school te gaan door wat er daar is voorgevallen met de vrouw. Het gaat niet goed met de minderjarigen. De man betwist alles wat door de vrouw wordt gezegd. De man krijgt al sinds oktober 2025 signalen van de minderjarigen dat sprake is van kindermishandeling. De minderjarigen voelen zich steeds vrijer om te vertellen wat hen is overkomen, hetgeen maakt dat er meer zaken naar buiten zijn gekomen, zoals mishandeling door de vrouw (en niet alleen door haar partner), seksueel grensoverschrijdend gedrag door de partner van de vrouw en de vrouw en tot slot ook seksueel grensoverschrijdend gedrag vanuit een van de betrokken jeugdbeschermers naar de kinderen. De man heeft aangedrongen om de blauwe plekken van de minderjarigen fysiek te doen onderzoeken, maar hier is geen gehoor aan gegeven. Het is ook kwalijk dat de GI informatie deelt over de lopende strafzaak, aangezien de politie heeft aangegeven dat dit niet mag. Het klopt tevens niet dat de man de feiten uit de rapportages van de hulpverlening verdraait; hij heeft enkel aangegeven dat bepaalde zaken niet kloppend waren en verzocht om aanpassing daarvan. Het vertrouwen van de man in de GI is geschaad. Voorts is de man niet meer akkoord met omgang bij de oma (moederszijde), omdat de vrouw zich niet aan de afspraken heeft gehouden. Ook twijfelt de man of de vrouw de relatie met haar partner heeft verbroken. Dit maakt dat het veiligheidsplan van de GI niet klopt. De man staat achter begeleide omgang tussen de vrouw en de minderjarigen, maar niet door de betrokken hulpverleners vanuit de IPT. De GI wijst vooral naar de eerdere beschikking waarin een zorgregeling is bepaald en heeft geen oog voor de huidige situatie. De man heeft de taak om de minderjarigen te beschermen en er kan niet worden gevraagd van de minderjarigen dat zij nu meteen naar de vrouw terug gaan. De minderjarigen geven immers aan niet naar de vrouw te willen gaan. Het Verdrag van Istanbul geeft ook aan dat onveiligheid een contra-indicatie is voor contact met de andere ouder. Het is belangrijk dat er hulpverlening wordt ingezet om het contact op een veilige manier te herstellen, zoals begeleid contact door een onafhankelijke instantie. Voorts kan worden gedacht aan een NIFP onderzoek. Ten slotte gaat een dwangsom te ver, nu de man weinig geld heeft. Het enige wat de man doet, is zijn kinderen beschermen.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de Raad, samengevat, naar voren gebracht dat zij schrikt van hetgeen in de overgelegde stukken en ter zitting naar voren wordt gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn kinderen in nood. De Raad kan zich vinden in het voornemen van de GI om de noodzaak van een uithuisplaatsing in een neutraal pleeggezin te onderzoeken. Het is van belang dat duidelijk wordt wat er precies speelt bij de minderjarigen, hetgeen alleen op een neutrale plek onderzocht zal moeten worden. Ook kunnen de minderjarigen dan weer naar school. Het is noodzakelijk dat de minderjarigen tot rust komen, zodat zij de mogelijkheid krijgen om contact met beide ouders, al dan niet begeleid, op te bouwen. Er is nu sprake van een scheefgroei. Een contactbreuk met de vrouw is zeer schadelijk voor de minderjarigen. De situatie is volledig vastgelopen en de Raad ziet geen haalbare tussentijdse interventies.

Tijdens de mondelinge behandeling is namens de GI, samengevat, naar voren gebracht dat de situatie zeer schrijnend is. De minderjarigen hebben de vrouw al een lange tijd niet meer gezien. Het is daarnaast schadelijk dat de minderjarigen al een tijd niet meer naar school gaan. De directeur van de school heeft verklaard dat de aantijgingen van de man over de aanwezigheid van de vrouw op school niet kloppen en dat zij ook geen opvallendheden hebben waargenomen bij de minderjarigen, alsmede dat het belangrijk is dat de minderjarigen zo snel mogelijk weer naar school gaan. De GI heeft daarom een melding gedaan bij de leerplicht. Voorts worden er, los van elkaar, ernstige en extremere uitlatingen gedaan door de minderjarigen bij de betrokken hulpverlener (IAG), zoals fysieke mishandelingen door de ex-partner van de vrouw en de vrouw, maar ook seksueel misbruik door de ex-partner van de vrouw en de vrouw en satanische rituelen. De GI kan niet zeggen of deze verhalen van de minderjarigen kloppen en/of dat deze verklaringen geïnstrueerd zijn of niet. Ook geven de minderjarigen aan dat een van de betrokken jeugdbeschermers hen seksueel heeft misbruikt, hetgeen niet klopt en ook niet kan kloppen, nu de desbetreffende jeugdbeschermer nooit alleen is geweest met de minderjarigen. Dit maakt wel dat de GI erg twijfelt aan het waarheidsgehalte van de verklaringen. Het valt de GI bovendien op dat er steeds nieuwe incidenten en verhalen bij lijken te komen – telkens wanneer er iets gebeurt waar de man het niet mee eens is, zoals een vakantie bij de vrouw – waardoor de minderjarigen langer bij de man zouden moeten blijven. De GI heeft twee Veilig Thuis medewerkers en twee forensische experts onderzoek laten doen naar de blauwe plekken bij de minderjarigen op basis van de foto’s daarvan. Zij concluderen dat dit niet het resultaat is van kindermishandeling, maar het resultaat van valincidenten. De minderjarigen lijken ook de toestemming van de man nodig te hebben om te vertellen over situaties. Volgens oma moederszijde hebben de kinderen tegen haar gezegd dat ze dingen van de man moeten zeggen in ruil voor cadeautjes. Tevens is het gebleken dat de man voornemens is om een privé detective in te huren. Ook heeft hij verschillende camera’s geplaatst in zijn woning, maakt hij verschillende nepaccounts aan op sociale media om de vrouw te volgen en heeft hij de woning van de ex-partner van de vrouw bezocht. De man heeft tevens geprobeerd de feiten uit de rapportages van de betrokken hulpverlener te verdraaien. Het is duidelijk dat de minderjarigen worden belast met deze situatie. Uit de NICHD-verhoren van de kinderen zijn wel aanwijzingen gekomen dat er dingen zijn gebeurd, maar de kinderen kwamen toen van de man in plaats van de vrouw, dus er zijn twijfels. Op 22 mei 2026 hebben studioverhoren plaatsgevonden bij de minderjarigen in verband met de aangifte over seksueel misbruik. De GI wil insteken op een onafhankelijk onderzoek bij de minderjarigen op een neutrale plaats. Dit maakt dat de GI een neutrale uithuisplaatsing, zoals een pleeggezin, overweegt. Het is belangrijk dat de minderjarigen voorbereid worden op contactherstel met de vrouw. Bovendien is de inzet van begeleide omgang van belang. De voorkeur gaat uit naar Juvent.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling en opvoedsituatie van de minderjarigen. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat de minderjarigen zeer zorgelijke en extreme uitspraken doen over hetgeen zij hebben meegemaakt in de thuissituatie van de vrouw, waaronder fysieke mishandelingen en seksueel misbruik, welke beschuldigingen de vrouw vervolgens ontkent. De GI heeft daarna NICHD-interviews afgenomen bij de minderjarigen, forensisch onderzoek laten doen naar de blauwe plekken bij de minderjarigen en een veiligheidsplan opgesteld. Het is de GI (nog) niet duidelijk geworden of de verhalen van de minderjarigen (geheel of gedeeltelijk) op waarheid berusten en/of zij mogelijk worden geïnstrueerd. Het gevolg van deze uitlatingen door de minderjarigen is in ieder geval dat de man – vanuit veiligheidsoverwegingen – al het contact tussen de kinderen en de vrouw heeft stopgezet. De minderjarigen zeggen volgens de man niet meer open te staan voor een contactherstel met de vrouw en hebben haar al sinds 15 april 2026 niet meer gezien. Vast staat dat het schadelijk is voor de identiteitsontwikkeling van minderjarigen als zij geen contact hebben met een ouder. Daarnaast is het de voorzieningenrechter gebleken dat de minderjarigen al een langere tijd niet naar school gaan, omdat de man van mening is dat de veiligheid van de minderjarigen daar niet kan worden gewaarborgd. Dit maakt dat de voorzieningenrechter zich zorgen maakt over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen. Ook gaan de minderjarigen niet meer naar de zwemlessen en zijn zij niet meegegaan op schoolreis. Voorts doen de minderjarigen uitspraken over seksueel misbruik door de betrokken jeugdbeschermer, welke beschuldigingen door de desbetreffende jeugdbeschermer worden ontkend. Vast staat dat de huidige situatie veel impact heeft op de minderjarigen en op steeds meer terreinen in hun leven invloed heeft. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het momenteel niet goed gaat met de minderjarigen.

Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat alle betrokken partijen vooral naar elkaar lijken te wijzen en elkaar over en weer beschuldigen, waardoor een (duurzame) oplossing voor de minderjarigen nog altijd ontbreekt. Zorgen worden niet met elkaar besproken. De verhalen van betrokkenen liggen ook compleet uit elkaar. Partijen hebben voorts in korte tijd verschillende procedures met elkaar gevoerd. Er zijn daarna meerdere keren afspraken gemaakt, welke afspraken vervolgens niet worden nagekomen. Daarna wordt weer een nieuwe procedure aanhangig gemaakt, terwijl de zorgen over de minderjarigen zich blijven opstapelen. De rechtbank heeft in haar beschikking van 14 januari 2026 bepaald dat onder de regie van de GI moet worden teruggewerkt naar de normale zorgregeling zoals partijen aanvankelijk overeen zijn gekomen in het ouderschapsplan. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, gelet op de zeer zorgelijke situatie, de onduidelijkheden en het feit dat de minderjarigen al een langere periode geen contact meer hebben met de vrouw, nakoming van de eerder vastgestelde zorgregeling (al dan niet met behulp van de sterke arm van politie en justitie of onder verbeurte van een dwangsom) op dit moment zeker niet mogelijk is. Dit maakt dat de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot nakoming van de zorgregeling, zoals overeengekomen tussen partijen in aanvulling op het vonnis van de rechtbank van 24 december 2025, in het belang van de minderjarigen zal afwijzen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter wel dat het van groot belang is dat, mede gelet op hetgeen door de Raad en de GI ter zitting naar voren is gebracht, de minderjarigen worden voorbereid op een contactherstel met de vrouw, waarna het contact – onder regie van de GI – zo snel mogelijk moet worden hersteld. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat dit contact in eerste instantie begeleid zal zijn. Ook moeten de minderjarigen zo snel mogelijk weer naar school gaan en is het belangrijk dat partijen rekening houden met het vier-ogen-principe. Bovendien is het noodzakelijk dat de GI onderzoekt wat er precies speelt bij de minderjarigen en daar de nodige (juridische) maatregelen voor treft. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw dus afwijzen, mede omdat hij in de procedure rondom de provisionele voorziening (C/02/447744 / FA RK 26-2257) een voorlopige beslissing neemt over de zorgregeling.

Gelet op de beslissing van de voorzieningenrechter en de aard van dit geschil, ziet de voorzieningenrechter geen reden om, zoals door de vrouw is gevorderd, de man te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw daartoe dan ook afwijzen en de proceskosten tussen partijen compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van de vrouw af;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verzoekt de griffier een afschrift van dit vonnis naar de GI te versturen.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Boomaars, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Boomaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand