2. De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn met elkaar gehuwd geweest naar Islamitisch recht;
uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , hierna ook te noemen: [minderjarige] ;
[minderjarige] is door de man erkend;
partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
[minderjarige] verblijft bij de vrouw;
partijen en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit;
er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] moet voldoen.
Partijen hebben in 2021 een ouderschapsplan ondertekend. In artikel 2 van dit ouderschapsplan is opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de man en dat zij op zijn adres ingeschreven zal staan in het bevolkingsregister. In artikel 2 van het ouderschapsplan is bepaald dat het paspoort van [minderjarige] in beheer is bij de man. Volgens het ouderschapsplan zal de man het paspoort afgeven aan de vrouw indien dat nodig is voor een buitenlandse vakantie, mits daarvoor tijdig toestemming is gevraagd. In artikel 3 van het ouderschapsplan is een zorgregeling (basisregeling) overeengekomen, te weten dat de vrouw en [minderjarige] één dag per veertien dagen contact met elkaar hebben.
Tussen partijen is door de voorzieningenrechter in deze rechtbank op 19 juni 2026 een vonnis in kort geding gewezen (kenmerk C/02/447969 FA RK 26-237). Uit dat vonnis blijkt dat partijen op de zitting in kort geding van 11 juni 2026 overeenstemming hebben bereikt, in de navolgende zin: “ (…) De man en [minderjarige] zullen voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op zaterdag 13 juni 2026 gedurende 4 uren, vervolgens in het weekend op zaterdag 27 juni 2026 of op zondag 28 juni 2026 gedurende 4 uren en op zaterdag 11 juli 2026 of op zondag 12 juli 2026 gedurende 4 uren en daarna gedurende elke week op zaterdag of zondag gedurende (minimaal) 4 uren. Daarbij zal de man de vrouw de dag voorafgaande aan het omgangscontact telkens laten weten waar hij met [minderjarige] het omgangscontact zal gaan doorbrengen. De man zal telkens zorgen voor het ophalen en weer terugbrengen van [minderjarige] bij de vrouw. Daarnaast zal de man elke woensdag om 14.00 uur een videobelcontact hebben met [minderjarige] . Ook zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2026/2027 onderwijs zal gaan volgen op [basisschool] , gevestigd aan [adres 1] te [plaats] en dat [minderjarige] aldaar ingeschreven zal worden. (…)”
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
een contactregeling vast te stellen waarbij de man ééns per twee weken op zaterdag gedurende drie à vier uur onder begeleiding contact heeft met [minderjarige] , welke regeling ook zal doorlopen tijdens de schoolvakanties, dan wel een in goede justitie vast te stellen contactregeling;
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] in de periode van
20 juli 2026 tot en met 17 augustus 2026 naar Istanbul, Turkije te reizen;
- een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 500,= per maand vast te stellen, althans een goede justitie te bepalen bijdrage, met ingang van
1 juni 2025 dan wel een in goede justitie te bepalen datum, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen;
- een beslissing te nemen over de proceskosten.
De man verzoekt nu, samengevat:
te bepalen dat het paspoort van [minderjarige] bij de gemeente dan wel bij een andere neutrale instantie wordt bewaard, zodat beide ouders niet zomaar met [minderjarige] naar het buitenland kunnen vertrekken, dan wel een regeling vast te stellen naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van de Raad;
een reisverbod voor [minderjarige] op te leggen voor reizen naar het buitenland met de vrouw, dan wel een regeling vast te stellen naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van de Raad.
4. De beoordeling
Hoofdverblijf
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid 2 van dit wetsartikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen bepalen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijf heeft.
Standpunten
Namens en door de vrouw is, samengevat, het volgende aangevoerd.
In het ouderschapsplan is vastgelegd dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de man, maar dat is niet meer actueel. [minderjarige] verblijft nu al ruim drie jaar hoofdzakelijk bij de vrouw. De man beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats.
Namens en door de man is, samengevat, het volgende aangevoerd.
De man refereert zich wat betreft de beslissing over het hoofdverblijf aan het oordeel van de rechtbank. Het is voor hem overigens geen probleem als het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald. De man beschikt namelijk niet over de faciliteiten om [minderjarige] bij hem te laten wonen en feitelijk doet zij dat ook al enige tijd niet meer.
Van de zijde van de Raad zijn geen bezwaren geuit tegen bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek aan de kinderrechter verteld dat zij het leuk vindt bij haar moeder en dat zij het liefste bij haar moeder slaapt.
Beoordeling
Vast staat dat [minderjarige] , in afwijking van het ouderschapsplan uit 2021, al geruime tijd feitelijk bij de vrouw haar gewone verblijf heeft, dat dit goed gaat en dat [minderjarige] het daar naar haar zin heeft. Mede gelet ook op de huidige woonsituatie van de man acht de rechtbank dit in het belang van [minderjarige] .
De rechtbank zal daarom, in wijziging van de afspraak hierover in het ouderschapsplan, beslissen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] voortaan bij de vrouw is.
Zorgregeling
Wettelijk kader
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling of een onderling getroffen zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank dient op grond van artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Voordat een beslissing wordt genomen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, na te gaan of de ouders in onderling overleg een regeling kunnen treffen.
Standpunten
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man en [minderjarige] hebben elkaar nu al een tijd lang niet gezien. De vrouw is bereid om het contact tussen [minderjarige] en de man weer op te starten. Omdat de man niet over een eigen woning beschikt, is het niet mogelijk om [minderjarige] bij de man te laten overnachten en de vrouw wil dit ook niet. De stabiliteit en het welzijn van [minderjarige] moeten gewaarborgd blijven. De vrouw heeft er tijdens de kort geding zitting van 11 juni 2026 mee ingestemd dat er weer contactmomenten zijn tussen de man en [minderjarige] , op deze wijze zoals is vermeld in het vonnis van 19 juni 2026. Zodra de man beschikt over een eigen woning, kan de contactregeling stapsgewijs verder worden opgebouwd.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De afgelopen vijf maanden heeft de vrouw niet meegewerkt aan een contactregeling tussen de man en [minderjarige] . De man wil dat er weer contactmomenten zijn, maar niet onder begeleiding zoals door de vrouw is verzocht. Daar is geen enkele aanleiding toe. Tijdens de kort geding zitting van 11 juni 2026 is afgesproken dat de man op 13 juni 2026 weer contact heeft met [minderjarige] gedurende vier uur en in het weekend van 27 en 28 juni 2026 weer, enzovoort. De man zou [minderjarige] graag langer zien dan gedurende vier uur in een weekend. Zodra de man een stabiele plek heeft gevonden, wil hij eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur contact hebben met [minderjarige] . In de andere week wil hij op woensdag in de middag na school om 14.00 uur videobellen met [minderjarige] . Daarnaast wil hij graag dat de vakanties en feestdagen evenredig (50/50) worden verdeeld. De man streeft naar een veilige toekomst voor [minderjarige] in Nederland met beide ouders, zonder risico op internationale ontvoering of tussenkomst van Jeugdzorg. Hij wenst geen conflict, maar een eerlijke en stabiele oplossing voor [minderjarige] . Daarnaast is hij bereid om alle verantwoordelijkheden op zich te nemen en zijn leven volledig aan te passen ten behoeve van het welzijn van [minderjarige] .
De Raad heeft naar voren gebracht dat partijen tijdens de kort geding zitting van 11 juni 2026 niet alleen afspraken hebben gemaakt over een voorlopige zorgregeling, maar dat zij ook hebben afgesproken dat zij zullen deelnemen aan een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna te noemen: UHA). Het is de bedoeling dat partijen onder begeleiding van (een) hulpverlener(s) samen verdere afspraken zullen maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] . De verwijzing van partijen in het kader van het UHA is kennelijk nog niet gedaan.
De Raad staat nog steeds achter deze verwijzing en adviseert dit nu in het kader van deze bodemprocedure.
[minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek onder meer aan de kinderrechter verteld dat zij haar vader op 13 juni 2026 heeft gezien en dat het leuk was. Ze zijn samen naar de dierentuin geweest en [minderjarige] heeft cadeautjes gekregen. [minderjarige] heeft een leuke papa en een leuke mama.
Beoordeling
De rechtbank heeft met partijen tijdens de zitting vastgesteld dat er, gelet op de door partijen geschetste feiten en omstandigheden, sprake is van een wijziging van omstandigheden die een beoordeling van de zorg-/contactregeling rechtvaardigt. De vrouw kan daarom worden ontvangen in haar verzoek.
Op de zitting is aan de orde gekomen dat partijen in het kader van de kort geding zitting van 11 juni 2026 afspraken hebben gemaakt over een voorlopige zorgregeling, zoals die hierboven onder 2.3 is vermeld. Beide partijen hebben verder op de zitting bevestigd dat zij daarnaast inderdaad op 11 juni 2026 hebben afgesproken dat zij zullen deelnemen aan een hulpverleningstraject in het kader van het UHA, zoals door de Raad naar voren is gebracht.
Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank daarnaast vast dat de onderlinge communicatie niet goed is. Verder beschuldigen beide partijen de ander ervan dat hij of zij met [minderjarige] wil vertrekken naar Syrië. Het onderlinge wantrouwen is daardoor groot. Dit heeft er onder meer toe geleid dat [minderjarige] en de man elkaar gedurende vijf maanden niet hebben gezien. Naar aanleiding van de kort geding zitting van 11 juni 2026 hebben partijen een voorlopige regeling afgesproken voor het contact tussen de man en [minderjarige] en heeft de man [minderjarige] onlangs weer gezien en is dat goed verlopen. Partijen zien in dat het zo niet verder kan en hebben op de zitting verklaard dat zij daarom openstaan voor hulpverlening en daarbij willen werken aan herstel van het vertrouwen in elkaar als ouders, verbetering van hun communicatie op ouderniveau, zodat zij uiteindelijk afspraken kunnen maken over een definitieve zorgregeling.
De rechtbank vindt het, net als de Raad, nodig dat voor partijen als ouders van [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Het is fijn, en in het belang van [minderjarige] , dat partijen tijdens de zitting er nogmaals mee hebben ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 25 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, als de ouders van [minderjarige] (hierna ook te noemen: ouders) in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is meegezonden met het verwijzingsformulier.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op de hier na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
In hoeverre komt een wijziging van de (nu geldende voorlopige) zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
Hoe dient de (definitieve) regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
Welke andere feiten/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot de definitieve zorg-/contactregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Wat betreft de zorg-/contactregeling overweegt de rechtbank nog als volgt. Zo lang niet anders is beslist en partijen geen andere afspraken hebben gemaakt, geldt voor het contact tussen de man en [minderjarige] de regeling die partijen in het kader van het kort geding met elkaar hebben afgesproken.
Vervangende toestemming vakantie, bewaring paspoort en reisverbod
Wettelijk kader
Zoals hierboven al is vermeld kunnen op grond van artikel 1:253a lid 1 BW in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
Standpunten
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw wenst in deze zomervakantie met haar dochter naar Turkije af te reizen voor een vakantie. Ter onderbouwing daarvan brengt zij het door haar ingevulde toestemmingsformulier in het geding. De man zal, gelet op zijn standpunt ten aanzien van het paspoort van [minderjarige] en het door hem verzochte reisverbod, geen toestemming verlenen voor een buitenlandse reis met [minderjarige] . De vrouw verzoekt om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar Istanbul, Turkije, te reizen in de periode van 20 juli 2026 tot en met 17 augustus 2026. Gedurende deze periode zullen de vrouw en [minderjarige] verblijven op het volgende adres: [adres 2] , Turkije.
Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij met [minderjarige] met het vliegtuig naar Turkije wil reizen; zij heeft de vlucht nog niet geboekt. Zij zullen daar verblijven bij haar zus. De vrouw heeft uitdrukkelijk ontkend dat zij met [minderjarige] naar Syrië gaat en niet terugkomt. Zij volgt in Nederland een opleiding, heeft net een nieuwe huurwoning en [minderjarige] gaat hier na de zomervakantie naar school.
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Primair stelt de man dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Volgens de man moet eerst nader onderzoek worden gedaan door de Raad naar de intenties van de vrouw, gelet op haar eerder uitgesproken wens om met [minderjarige] naar Syrië te vertrekken. Daarom dient er een reisverbod te worden opgelegd, zodat Nederland niet mag worden verlaten, tenzij de Raad in het belang van [minderjarige] hier anders over rapporteert. De man verleent dan ook geen toestemming voor de door de vrouw genoemde vakantie. Bovendien komt de opbouw van de contactregeling in het gedrang als de vrouw met [minderjarige] vier weken op vakantie gaat. Subsidiair stelt de man daarom, als de rechtbank vervangende toestemming zou verlenen voor de vakantie, dat dit beperkt moet worden tot twee weken.
Op zijn beurt wenst de man, gelet op de uitspraken van de vrouw over het meenemen van [minderjarige] naar Syrië, dat – naast een reisverbod – het ID-bewijs van [minderjarige] in beheer zal zijn bij een neutrale instantie dan wel dat de Raad onderzoekt bij wie het ID-bewijs in beheer dient te zijn in het belang van [minderjarige] .
De Raad heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
Wat de Raad betreft, is het tussen deze ouders noodzakelijk dat zij in het UHA-traject uitvoerige gesprekken met elkaar gaan voeren om zo hun wantrouwen over en weer weg te nemen. Allereerst vindt de Raad het in het belang van [minderjarige] dat zij met haar moeder op vakantie kan gaan naar onder meer familie in Turkije. Wel dient daarbij de duur te worden beperkt zodat er slechts twee omgangsweekenden met de man worden overgeslagen. De Raad heeft verder uit de stukken niet opgemaakt dat er een gegronde vrees bestaat dat de vrouw met [minderjarige] naar Syrië vertrekt om zich daar bijvoorbeeld permanent te vestigen. Een reisverbod lijkt dan ook niet nodig. De Raad is in procedures nog niet eerder geconfronteerd met een verzoek om een paspoort in bewaring te nemen. Dat doet de Raad niet; daar zijn zij niet voor. Los daarvan wijst de Raad er op dat de noodzaak daartoe op dit moment ook niet duidelijk is. Immers, de vrouw heeft nu het paspoort van [minderjarige] al enige tijd in haar bezit en is niet vertrokken. Zij is bovendien met [minderjarige] naar Duitsland geweest en ook toen teruggekeerd.
Beoordeling
Vooropgesteld wordt dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven, omdat partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] . De rechtbank overweegt dat het over het algemeen in het belang van een kind is om met (een van) zijn ouders op vakantie te kunnen gaan. Uitzonderingen hierop kunnen er bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor een kind te zorgen, wanneer een gegronde vrees bestaat voor ontvoering van het kind door de ouder of wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals ook in het kort geding vonnis is opgenomen, er geen enkel concreet signaal is dat de vrouw voornemens zou zijn om [minderjarige] zonder medeweten van de man naar het buitenland (Syrië) mee te nemen om vervolgens niet meer naar Nederland terug te keren. Het enkele gegeven dat de man de vrouw wantrouwt, is onvoldoende om de vrouw geen toestemming te geven om met [minderjarige] op vakantie te gaan. Met de Raad acht de rechtbank het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zij met haar moeder op vakantie kan gaan naar Turkije en daar familie kan bezoeken. De rechtbank zal, bij het ontbreken van toestemming van de man, vervangende toestemming verlenen aan de vrouw om met [minderjarige] op vakantie naar Istanbul te gaan. Hierbij zal de rechtbank wel de duur van de vakantie inperken, zoals de Raad ook heeft geadviseerd, gelet op het net weer opgestarte contact tussen de man en [minderjarige] . Partijen hebben afgesproken dat de man en [minderjarige] ná het omgangsmoment in het weekend van 11/12 juli 2026 elkaar elke week op zaterdag of zondag gedurende (minimaal) vier uur zullen zien, dus ook gedurende (minimaal) vier uur in het weekend van 18/19 juli 2026. De rechtbank zal de vrouw toestemming verlenen om met [minderjarige] op vakantie naar Turkije te gaan van 20 juli 2026 tot 7 augustus 2026. De man kan [minderjarige] dan in het weekend van 8/9 augustus 2026 weer zien.
Het verzoek van de man tot het in bewaring geven van het paspoort van [minderjarige] bij een neutrale instantie wordt afgewezen. Hiervoor bestaat geen wettelijke grondslag. Overigens merkt de rechtbank hierbij op dat de vrouw het paspoort de afgelopen periode al in haar bezit had en hiervan geen misbruik heeft gemaakt.
De rechtbank overweegt tenslotte dat het verzoek van de man met betrekking tot het reisverbod voor [minderjarige] te onbepaald en te veel omvattend is en ook wat betreft de duur volledig onbeperkt is. Een algeheel reisverbod zoals de man verzoekt, vormt een zeer verstrekkende inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk rechtvaardigen. De man heeft dat onvoldoende onderbouwd. Dit verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
Kinderalimentatie
De verwijzing in het kader van het UHA dient binnen een termijn van twee weken bij beschikking te worden afgegeven en gelet op het feit dat de vrouw tijdig wenst te horen of zij naar het buitenland op vakantie mag met [minderjarige] , is aan partijen aan het einde van de zitting medegedeeld dat de beoordeling van en de beslissing op het verzoek om kinderalimentatie in een aparte, latere beschikking zal volgen. De geplande uitspraak datum ten aanzien van dat verzoek is 21 juli 2026.
Algemene overweging
De beslissingen over het hoofdverblijf en de vervangende toestemming voor de reis naar Istanbul zullen, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle partijen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat die beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt – in wijziging op de regeling zoals die is neergelegd in artikel 2 van het ouderschapsplan uit 2021 – dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , in de periode van 20 juli 2026 tot en met 7 augustus 2026 te reizen naar Istanbul (Turkije) en aldaar te verblijven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de verzoeken van de man met betrekking tot het beheer van het paspoort van [minderjarige] en het reisverbod voor [minderjarige] af;
verwijst de ouders en het minderjarige kind [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal de ouders en het kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van het kind verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 12 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.23 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de behandeling van en de beslissing op het verzoek met betrekking tot de zorg-/contactregeling en kinderalimentatie aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, (kinder)rechter, en in tegenwoordigheid van Van der Veeken, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.