RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449377 / FA RK 26-3125
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats], Turkije,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
advocaat mr. J. Nederlof uit [plaats].
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 juli 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
de heer [persoon 1], case-manager FACT-team;
mevrouw [persoon 2], case-manager FACT-team;
mevrouw [persoon 3], ambulant begeleider van betrokkene van [hulpverlening];
de heer [persoon 4], curator van betrokkene.
2. Wat vaststaat
De rechtbank heeft een machtiging verleend tot en met 14 augustus 2026.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twee jaren.
4. De standpunten
De betrokkene geeft aan dat hij het niet eens is met een zorgmachtiging. Met name met de medicatie is betrokkene het niet eens. Betrokkene zou graag de kans willen krijgen om te laten zien dat hij ook goed zou functioneren zonder medicatie.
Betrokkene vindt het in elk geval belangrijk dat zijn behandelaren afspraken nakomen. Volgens betrokkene is dat niet altijd het geval (geweest). Zo moest de depotmedicatie verlaagd worden naar 50 milligram, maar werd deze gezet op 75 milligram. Betrokkene ondervindt daar dan vervolgens bijwerkingen van. Betrokkene zou ook het liefste willen dat wordt overgestapt op orale medicatie. Over de begeleiding die betrokkene krijgt vanuit [hulpverlening] is betrokkene heel erg tevreden. Volgens betrokkene heeft hij inmiddels ook kennisgemaakt met zijn nieuwe curator. Betrokkene heeft in hem ook vertrouwen.
De behandelend casemanagers brengen naar voren dat betrokkene in het verleden orale medicatie niet altijd even trouw innam. Om die reden is overgeschakeld naar depotmedicatie. Sinds september 2025 is betrokkene op de depotmedicatie ingesteld. Daarna is het depot nog eenmaal verder verlaagd. Volgens de behandelaren blijft het de aandacht van de psychiater houden of, en zo ja, wanneer de depotmedicatie nog verder kan worden verlaagd. In april/mei 2026 heeft betrokkene een woning toegewezen gekregen. Naar de mening van de behandelaren zorgt de combinatie van die beide factoren dat betrokkene het momenteel goed doet. Van incidenten is in de afgelopen nabije periode geen sprake meer geweest.
De behandelaren horen dat de rechter aan hen voorhoudt waarom gezien de positieve ontwikkelingen verzocht wordt om een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar. De behandelaren geven aan dat zij geen wetenschap hadden van het feit dat er een zorgmachtiging is gevraagd voor de duur van 2 jaar. De reden daarvan zal er volgens de behandelaren in gelegen zijn dat een vangnet voor betrokkene voorlopig nog wel aan de orde zal zijn en dat gezien het verleden van betrokkene gekozen wordt voor de nodige voorzichtigheid. Zo moet voorkomen worden dat betrokkene opnieuw diens huisvesting zal kwijtraken.
De behandelaren horen dat de rechter hen tevens voorhoudt dat in de stukken overal staat opgenomen dat bij betrokkene sprake zou zijn van schizofrenie en middelgerelateerde en verslavingsstoornissen, maar dat in de voorgaande beschikking, alsook in het huidige verzoek, staat opgenomen dat bij betrokkene tevens sprake zou zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Naar de mening van de behandelaren wordt aan de hand van het huidige toestandsbeeld van betrokkene een persoonlijkheidsstoornis niet meer teruggezien.
De ambulant begeleider van betrokkene van [hulpverlening] geeft aan zich geen zorgen te maken dat betrokkene diens begeleiding zal weigeren. Zij ondersteunt het verzoek.
De curator geeft aan dat hij sinds zeer recent bij de zaak is betrokken en pas zojuist met betrokkene heeft kennisgemaakt. De curator verklaart daarom nog geen mening te hebben over het verzoek.
De advocaat voert aan dat betrokkene de gestelde diagnose van schizofrenie betwist. Daarbij stelt de advocaat vast dat ter zitting de behandelaren anders verklaren en dat er een medische verklaring ligt waarin de diagnose schizofrenie is opgenomen. Dat zo zijnde refereert de advocaat zich voor wat betreft de stoornis aan het oordeel van de rechtbank.
Ook ten aanzien van het gestelde ernstig nadeel refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat verzet zich namens betrokkene tegen de verzochte duur van twee jaar van de zorgmachtiging. De advocaat acht die duur niet proportioneel en is bovendien van mening dat daarvoor de noodzaak ontbreekt. De advocaat verzoekt daarom om een te verlenen machtig in duur in elk geval te beperken tot één jaar.
De advocaat kan zich voorstellen dat de rechtbank dan de noodzaak ziet voor de verplichte vormen van zorg “medicatie” en voor de ambulante zorg. De advocaat hecht er daarbij belang aan dat met betrokkene het gesprek gevoerd blijft worden over de noodzakelijke medicatie, over de dosering en over de vraag of orale medicatie weer een optie kan zijn.
Ook acht de advocaat geen noodzaak aanwezig om betrokkene te beperken in het gebruik van communicatiemiddelen.
De verzochte verplichte vormen van zorg ‘het opnemen in een accommodatie’, en daarmee samenhangend, ‘het beperken van de bewegingsvrijheid van betrokkene’ acht de advocaat niet voorzienbaar en dienen naar zijn mening eveneens te worden afgewezen.
5. De beoordeling
De rechtbank verleent de gevraagde zorgmachtiging, doch beperkt deze in de duur. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De rechtbank is op grond van de stukken, in het bijzonder de medische verklaring, en de behandeling ter zitting van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middelgerelateerde en verslavingsstoornissen. De enkele ontkenning van betrokkene dat bij hem met name geen sprake is van schizofrenie, geeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de in de medische verklaring duidelijk beargumenteerde en gestelde diagnose.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- maatschappelijke teloorgang;
het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat betrokkene in psychotische toestand agressief en bedreigend gedrag kan laten zien. Om die reden is betrokkene eerder zijn woning bij de RIBW kwijtgeraakt. Voorkomen moet worden dat betrokkene diens huisvesting wederom zal kwijtraken.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. De rechtbank overweegt hierbij dat betrokkene het het liefste zonder medicatie wil stellen. Betrokkene heeft diens medicatiegebruik op eigen initiatief ook al meerdere keren gestaakt, waardoor hij ontregelde. Daarom is verplichte zorg nodig.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten. Hieronder in dit geval te verstaan dat betrokkene zijn medewerking zal verlenen aan ambulante behandelcontacten met het FACT-team. De frequentie van deze contacten zullen op geleide van het toestandsbeeld van betrokkene worden bepaald.
Daarnaast acht de rechtbank ook de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk indien sprake is van decompensatie van het toestandsbeeld van betrokkene en/of het ernstig nadeel niet langer in het ambulante kader kan worden afgewend:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.
De rechtbank betrekt hierbij dat de laatste opname van betrokkene dateert van september 2025. Om die reden acht de rechtbank het op dit moment nog voorzienbaar dat een hernieuwde opname van betrokkene aan de orde zal kunnen zijn.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten:
- het toedienen van vocht, voeding, alsmede het verrichten van medische controles
of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling
van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van
een somatische aandoening;
- het onderdeel ‘in de vorm van het
gebruik van communicatiemiddelen’ van de verplichte vorm van zorg: het
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot
gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten in de vorm van het
gebruik van communicatiemiddelen,
worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat ter zitting is gebleken dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te kunnen wenden.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
Gelet op het voorgaande zal de verzochte zorgmachtiging worden verleend, met dien verstande dat er aanleiding wordt gezien om de machtiging in duur te beperken tot één jaar. De rechtbank overweegt hierbij dat zij verlening van een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar niet proportioneel acht, juist nu het toestandsbeeld van betrokkene zich in de afgelopen periode heeft verbeterd. Naar het oordeel van de rechtbank verdient betrokkene het daarom om binnen kortere termijn weer een toetsingsmoment te kunnen hebben of voldaan wordt aan de noodzaak voor verplichte zorg.
6. De beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats], Turkije, wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7. staan kunnen worden toegepast;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 juli 2027;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Van Dongen, griffier en op schrift gesteld op 16 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.