[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. A.L. Faber),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 19 juli 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen en belastingrentebeschikkingen opgelegd:
Een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.389, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 1.759;
Een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.639, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 355;
Een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.923, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 247;
Een aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.896, alsmede de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 69.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft op 10 juni 2024 uitspraak gedaan zonder zitting en de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Op 11 juli 2025 heeft de rechtbank het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van 10 juni 2024, gegrond verklaard. Daarbij is een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend van € 226,75.
Partijen hebben na de uitspraak op het verzet getracht er samen uit te komen. Beide partijen hebben meerdere keren stukken ingediend met betrekking tot de stand van zaken van de onderhandelingen. De onderhandelingen hebben niet tot een compromis geleid.
Op 2 juli 2026 heeft de inspecteur het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende vergezeld van zijn echtgenote en de gemachtigde. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt eerst of artikel 8:42 van de Awb is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Daarna beoordeelt de rechtbank of de belastingrente terecht en tot de juiste hoogte in rekening is gebracht. Ten slotte is de hoogte van de aan belanghebbende toe te kennen immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding nog in geschil. De rechtbank beoordeelt de geschilpunten aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een schending van artikel 8:42 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016 dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.065. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2017 dient te worden vernietigd. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2018 dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.802. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 dient te worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.102. Belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding.
Feiten
3. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in augustus 2016 gezamenlijk van Nederland naar Duitsland verhuisd.
Belanghebbende was in de jaren 2016 tot en met 2019 kwalificerende buitenlandse belastingplichtige.
In Duitsland hebben belanghebbende en zijn echtgenote een huis gekocht (de woning). De woning is voor belanghebbende in de onderhavige jaren een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Het eigendom van de woning komt belanghebbende en diens echtgenote beiden voor de helft toe.
De echtgenote van belanghebbende was in de jaren 2016 en 2017 kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Belanghebbende en diens echtgenote waren in de jaren 2016 en 2017 fiscaal partners.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2016 en 2018 de volledige hypotheekrente over de eigen woning als negatieve inkomsten uit eigen woning aangegeven en – voor zover van toepassing – toegerekend aan zichzelf. In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 heeft belanghebbende geen negatieve inkomsten uit eigen woning aan zichzelf toegerekend.
De echtgenote van belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 ook de volledige hypotheekrente over de eigen woning als negatieve inkomsten uit eigen woning aangegeven en toegerekend aan zichzelf.
De aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016 van belanghebbende en zijn echtgenote en de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 van belanghebbende zijn – zonder nader onderzoek door de inspecteur – conform de ingediende aangiften opgelegd.
In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 heeft belanghebbende slechts de helft van de hypotheekrente als negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek gebracht.
Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 is afgeweken van de aangifte van belanghebbende. Het door belanghebbende aangegeven negatieve inkomen uit eigen woning, is niet geaccepteerd.
De inspecteur heeft navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 tot en met 2018 opgelegd waarbij het door belanghebbende aangegeven negatieve inkomen uit eigen woning niet in aftrek is toegelaten.
Motivering
Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Belanghebbende stelt dat het verweerschrift en de stukken die de inspecteur op 2 juli 2026 heeft ingediend buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze te laat zijn ingediend. Daarnaast stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij de inspecteur heeft verzocht om stukken waaruit blijkt dat aan de echtgenote van belanghebbende een bedrag is uitbetaald in verband met het door haar aangegeven negatieve inkomen uit eigen woning in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. Belanghebbende heeft voornoemde stukken niet van de inspecteur gekregen. Volgens belanghebbende is op grond van het voorgaande artikel 8:42 van de Awb geschonden en dient daarom een proceskostenvergoeding aan hem te worden toegekend.
De rechtbank is het met belanghebbende eens dat het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken laat zijn ingediend. De late indiening kan echter niet tot gevolg hebben dat reeds om die reden de beroepen gegrond moet worden verklaard. De termijn van artikel 8:42 van de Awb is geen termijn van openbare orde. Aan overschrijding van de termijn van artikel 8:42 van de Awb verbindt de wet geen directe gevolgen. In dit geval ziet de rechtbank, onder de gegeven omstandigheden, ook geen aanleiding te oordelen dat de eisen van een goede procesorde maken dat het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken buiten beschouwing moet worden gelaten. Het verweerschrift is beknopt en is grotendeels een herhaling van de standpunten die de inspecteur in de eerdere stukkenwisseling heeft ingenomen. Belanghebbende heeft de tijd gehad het verweerschrift te bestuderen en heeft daar op zitting ook inhoudelijk op gereageerd. De rechtbank ziet ook geen reden om op de gronden die belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd te oordelen dat de proceskosten worden vergoed.
De stelling van belanghebbende dat de inspecteur de stukken had moeten overleggen waaruit blijkt dat aan de echtgenote van belanghebbende een bedrag is uitbetaald in verband met het door haar aangegeven negatieve inkomen uit eigen woning in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016, slaagt niet. Deze stukken kunnen namelijk niet als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt. De stukken hebben de inspecteur niet ter beschikking gestaan bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en zijn naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet belang voor de beoordeling van het geschil met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016
Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2016 moet worden vernietigd. Volgens belanghebbende beschikte de inspecteur niet over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Daarnaast voert belanghebbende aan dat niet bij hem had moeten worden nagevorderd, maar bij zijn echtgenote. In de aangifte van de echtgenote is namelijk ten onrechte het volledige negatieve inkomen uit eigen woning in aftrek gebracht terwijl dit ook al in de aangifte IB/PVV 2016 van belanghebbende in aftrek was gebracht. Omdat de aangifte IB/PVV 2016 van de echtgenote onjuist in ingevuld, moet bij haar worden nagevorderd. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat slechts de helft van het negatieve inkomen uit werk en woning in het jaar 2016 bij hem kan worden nagevorderd.
Nieuw feit
Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is.
Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Bij de beoordeling van de aangifte IB/PVV 2019 heeft de inspecteur nader onderzoek gedaan naar de door belanghebbende aangegeven negatieve inkomsten uit eigen woning. Dat onderzoek is voor de inspecteur aanleiding geweest om ook de aangiften IB/PVV voor de jaren 2016 tot en met 2018 nader te controleren en vervolgens de navorderingsaanslagen op te leggen. Tot een nader onderzoek was de inspecteur bij het vaststellen van de definitieve aanslagen voor de jaren 2016 tot en met 2018 naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank bestond in dit geval de niet onwaarschijnlijke kans dat de aangiften IB/PVV 2016 tot en met 2018 juist waren. De hoogte van de in aftrek gebrachte hypotheekrente in de aangiften IB/PVV 2016 en 2018 was niet zó hoog dat het meteen duidelijk was dat de aangiften niet konden kloppen. De inspecteur was gelet op het voorgaande bevoegd om na te vorderen.
Negatieve inkomsten uit eigen woning
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbende en diens echtgenote in het jaar 2016 fiscaal partners waren, dat het negatieve inkomen uit de gezamenlijke eigen woning in het jaar 2016 € 24.648 bedroeg en dat belanghebbende en diens echtgenote in aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gezamenlijk meer dan 100% van het negatieve inkomen uit eigen woning in aanmerking hebben genomen (namelijk ieder 100%).
Op grond van artikel 2.17, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) behoren de belastbare inkomsten uit de eigen woning tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van fiscaal partners.
Op grond van artikel 2.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 kunnen fiscaal partners ieder jaar bij het doen van de aangifte kiezen voor een onderlinge verhouding (verdeling) van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen.
Op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 wordt bij het ontbreken van een keuze voor een onderlinge verhouding voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel dit geacht bij beide partners voor de helft op te komen.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben belanghebbende en zijn echtgenote niet de in artikel 2.17, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedoelde keuze gemaakt. Die keuze wordt gemaakt middels het opgeven een verhouding (verdeling) van het gemeenschappelijke inkomensbestanddeel in de aangifte. Nu zowel belanghebbende als zijn echtgenote het volledige negatieve inkomen uit eigen woning in aftrek hebben gebracht, is er geen sprake van een gekozen verhouding. De wet schrijft dan een verdeling van het inkomensbestanddeel voor waarbij aan beide partners de helft toekomt.
De stelling van belanghebbende dat bij de echtgenote het volledige negatieve inkomen uit eigen woning had moeten worden nagevorderd in plaats van bij hem slaagt op grond van het voorgaande niet. In de aangifte IB/PVV 2016 van zowel belanghebbende als de echtgenote is geen keuze gemaakt voor een verdeling van het negatieve inkomen uit eigen woning. Voorzover het voorgaande al kan worden gezien als een onjuistheid in de aangifte, doet deze onjuistheid zich niet enkel in de aangifte IB/PVV 2016 van de echtgenote voor, maar evenzeer in de aangifte IB/PVV 2016 van belanghebbende. Omdat belanghebbende en diens echtgenote geen keuze hebben gemaakt voor het toerekenen van het negatieve inkomen uit eigen woning, is de inspecteur bevoegd om bij belanghebbende na te vorderen op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de AWR.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank echter slechts over de helft van het negatieve inkomen uit eigen woning mogen navorderen. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 daarom verminderen met € 12.324 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.065.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2017
Partijen zijn het erover eens dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2017 en de daarbij opgelegde belastingrentebeschikking dienen te worden vernietigd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2018
Belanghebbende heeft zich ook ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat er ook ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 sprake is van een nieuw feit en verwijst voor de motivering van dit oordeel naar overweging 3.17.
In het jaar 2018 waren belanghebbende en diens echtgenote geen fiscaal partner. Tussen partijen is niet langer in geschil dat belanghebbende in dat geval op grond van artikel 3.111 en verder van de Wet IB 2001 in het jaar 2018 de helft van de hypotheekrente in aanmerking kan nemen bij de bepaling van de zijn inkomen uit woning, omdat hij voor de helft tot de woning is gerechtigd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag in ieder geval op grond van het voorgaande verminderen.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt dat het in strijd in met het Schumacker arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 17 van het Handvest van de Europese Unie (het Handvest) dat hij slechts de helft van de hypotheekrente als negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek kan brengen omdat zijn echtgenote in het jaar 2018 geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is.
Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het Schumackerdoctrine of van artikel 17 van het Handvest geen sprake. Het is in beginsel aan de woonstaat om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de een belastingplichtige. Slechts in uitzonderingsgevallen is het aan de werkstaat om aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie te verlenen, en wel in die gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kan houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat wordt verdiend. Dat daarvan in dit geval sprake is heeft belanghebbende niet aannemelijk maakt. De regeling van de kwalificerende buitenlandse belastingplicht is naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet in strijd met artikel 17 van het Handvest.
De rechtbank concludeert gelet op het hetgeen in 3.28 is overwogen dat de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2018 dient te worden verminderd met € 2.837 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 32.802.
Aanslag IB/PVV 2019
4. Partijen zijn het er over eens dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 dient te worden verminderd conform de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2019. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Belastingrente
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de duur van de procedure en het verloop ervan alsmede wegens schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) de belastingrentebeschikkingen dienen te worden vernietigd.
De berekening van belastingrente volgt dwingend uit de wet. De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen ruimte of van deze dwingendrechtelijke bepalingen af te wijken. Belanghebbende heeft de stelling over de schending van de abbb niet nader gemotiveerd en de lange duur van de procedure kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een matiging of vernietiging van de belastingrentebeschikkingen.
De belastingrente volgt het bedrag van de aanslag. De rechtbank zal de belastingrentebeschikkingen in overeenstemming met de (navorderings)aanslagen verminderen dan wel vernietigen.
Immateriële schadevergoeding
5. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende recht heeft op toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de onderhavige geschillen beslecht hadden moeten zijn en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van 2,5 jaar. De vergoeding bedraagt € 500 per half jaar overschrijding.
De rechtbank stelt vast dat alle zaken in hoofdzaak betrekking hebben op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. De motivering van de bezwaren en beroepen is in alle zaken nagenoeg identiek, dan wel vergelijkbaar. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. De totale schadevergoeding bedraagt dan € 2.500. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase voor alle jaren niet langer dan zes maanden heeft geduurd. De schadevergoeding komt daarom geheel voor rekening van de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar. De rechtbank vermindert de navorderingsaanslagen IB/PVV 2016 en 2018, de aanslag IB/PVV 2019 en de gelijktijdig opgelegde belastingrentebeschikkingen. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en daarbij opgelegde belastingrentebeschikking worden vernietigd.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
De stelling van belanghebbende dat een integrale proceskostenvergoeding moet worden toegekend omdat de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld, slaagt niet. Dat de inspecteur zich pas in de beroepsfase op het nadere standpunt heeft gesteld dat belanghebbende de hypotheekrente in aanmerking mag nemen als negatief inkomen uit eigen woning, maakt niet dat de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld. Het kan zijn dat de inspecteur in de aanslag- of bezwaarfase bij bestudering van de door belanghebbende overgelegde stukken tot een andere conclusie komt dan de inspecteur in de beroepsfase. Bovendien stonden er, zoals ook uit deze uitspraak volgt, ook in de beroepsfase nog een aantal geschilpunten open.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase was nog geen sprake van rechtsbijstand door een gemachtigde. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, en er wordt een factor 1,5 toegepast vanwege vier samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.401.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.065 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de gelijktijdig opgelegde belastingrentebeschikking;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.802 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.102 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig.
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 2.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.