ECLI:NL:RBZWB:2026:7351

ECLI:NL:RBZWB:2026:7351

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer BRE 25/5293
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Navorderingsaanslag IB/PVV. Dividenduitkering.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 september 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.245 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 194.624 (de navorderingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 2.737 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen. Namens belanghebbende is niemand verschenen (zie 4).

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek komt daarbij de vraag aan bod of de inspecteur ten onrechte het aan belanghebbende toegerekende deel van de dividenduitkering heeft nagevorderd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bedrag van de navorderingsaanslag niet te hoog. De dividenduitkering is ter beschikking gesteld en daarmee is de belastbaarheid daarvan een gegeven. De belastingrentebeschikking is ook terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is in 2021 gehuwd met de heer [persoon] (de echtgenoot).

De echtgenoot is 100% aandeelhouder van [b.v.] (de BV).

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV over het jaar 2021 ingediend, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.543. In de aangifte is geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. De inspecteur heeft met dagtekening 8 juli 2023 de aanslag IB/PVV 2021 in overeenstemming met de ingediende aangifte opgelegd.

De echtgenoot heeft in mei 2024 een herziene aangifte IB/PVV over het jaar 2021 ingediend waarin een dividenduitkering van € 200.000 is aangegeven. Van deze dividenduitkering is € 5.374 toegerekend aan de echtgenoot. Belanghebbende heeft geen herziene aangifte IB/VV over het jaar 2021 ingediend.

Met dagtekening 22 juni 2024 heeft de inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2021 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.245 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 194.624 (zijnde € 200.000 – € 5.374).

Het procesdossier bevat een aangifte vennootschapsbelasting van de BV over het jaar 2021 waarin een winstuitdeling van € 200.000 is vermeld. Daarnaast bevat het procesdossier een aangifte dividendbelasting van de BV waarin is vermeld dat de BV op 21 december 2021 een bedrag van € 200.000 aan dividend ter beschikking heeft gesteld.

Motivering

Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek

4. Belanghebbende is op 10 juni 2026 door de griffier uitgenodigd om op de zitting van 17 juli 2026 te verschijnen. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 8 juli 2026 verzocht om uitstel van de zitting vanwege medische omstandigheden van hemzelf en vanwege aansluitende vakantieplannen. De rechtbank heeft het verdagingsverzoek bij brief van 13 juli 2026 afgewezen omdat onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd waarom afspraken bij het ziekenhuis in de week van 13 juli 2026 dan wel vakantieplannen, de aanwezigheid van gemachtigde of van belanghebbende bij de zitting zouden verhinderen.

De navorderingsaanslag

Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur over € 1.702 (zijnde € 22.245 - € 20.543) aan belastbaar inkomen uit werk en woning bij belanghebbende heeft nagevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Belanghebbende heeft zich uitsluitend op het standpunt gesteld dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen. De BV heeft het dividend namelijk uitgekeerd zonder goedkeuring van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA). De dividenduitkering moet daarom worden gezien als een onvrijwillige uitkering die moet worden terugbetaald, aldus belanghebbende.

Inkomen uit aanmerkelijk belang omvat (onder meer) het gezamenlijke bedrag van de voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. Reguliere voordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. Heeft een belanghebbende zelf geen aanmerkelijk belang, maar zijn/haar partner wel, dan wordt hij/zij door die partner meegetrokken in het aanmerkelijk belang.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de BV ingediende aangiften vennootschapsbelasting en dividendbelasting (zie 3.5) blijkt dat de BV dividend ter waarde van € 200.000 heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouder, de echtgenoot van belanghebbende. Deze dividenduitkering wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ter beschikking is gesteld. Dat is volgens de ingediende dividendaangifte op 21 december 2021. Als een dividenduitkering ter beschikking is gesteld is de belastbaarheid daarvan een gegeven. Of de AVA wel of geen goedkeuring voor de dividenduitkering heeft gegeven doet voor de belastbaarheid van die uitkering niet ter zake, nu een vermogensverschuiving (de uitkering van € 200.000) van de BV aan de aandeelhouder heeft plaatsgevonden en zij beiden zich daarvan blijkens de aangiften dividendbelasting en vennootschapsbelasting ook bewust zijn geweest. Een eventuele toekomstige terugbetaling van de dividenduitkering door de aandeelhouder heeft geen invloed op de belastbaarheid van de dividenduitkering. Een dergelijke terugbetaling dient als kapitaalstorting te worden aangemerkt, nu door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt dat een terugbetalingsverplichting aan de uitkering op 21 december 2021 was verbonden.

Uit de door de echtgenoot ingediende herziene aangifte IB/PVV 2021 (zie 3.3) blijkt dat een deel van de dividenduitkering, namelijk € 194.624, moet worden toegerekend aan belanghebbende. Dat deel van de dividenduitkering is bij het opleggen van de aanslag niet bij belanghebbende belast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur daarom terecht over € 194.624 aan inkomen uit aanmerkelijk belang bij belanghebbende nagevorderd. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en dat de navorderingsaanslag in stand blijft.

De belastingrentebeschikking

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081401 V-N Vandaag 2026/1675 FutD 2026-1464 NLF 2026/1657 NDFR Nieuws 2026/1303
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand