[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.H. Sligchers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 augustus 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 56 belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek komt daarbij de vraag aan bod of de inspecteur terecht de uitkering die belanghebbende van De Zeeuwse Verzekeringen heeft ontvangen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de uitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gerekend, omdat sprake is van een belastbare periodieke uitkering die is gedaan ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. De aanslag IB/PVV 2022 zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar is niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende oefende het beroep van vloerenlegger uit.
Belanghebbende heeft een verzekeringsproduct ‘Zelfstandigverzekerd’ bij De Zeeuwse Verzekeringen (de verzekeraar) afgesloten ten aanzien van zijn beroep als vloerenlegger. Het polisblad vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Conform de in de polisvoorwaarden gepubliceerde tabel is een uitkering verzekerd vanaf ten minste 25% arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval, respectievelijk 25% als gevolg van een ziekte.
(…)
Arbeidsongeschiktheidscriterium: Beroepsarbeidongeschiktheid.”
In de ‘Algemene Voorwaarden 2008 ZelfstandigVerzekerd’ (de polisvoorwaarden) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“1.5. Arbeidsongeschiktheid
Van arbeidsongeschiktheid is uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd.
(…)
Te verzekeren risico
Artikel 2 Strekking van de verzekering
Deze verzekering heeft tot doel periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid uitsluitend in de hoedanigheid van zelfstandig ondernemer, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot. Een en ander met inachtneming van hetgeen daarover in deze voorwaarden is bepaald.
(…)
Artikel 16 Uitkeringen
16.1
Mits verzekerde arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 1.5 voorziet deze verzekering in een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.”
In opdracht van de verzekeraar is een arbeidsdeskundig advies opgesteld. In het rapport wordt geconcludeerd dat belanghebbende in het geheel niet geschikt is om zijn eigen beroepswerkzaamheden uit te voeren.
Belanghebbende heeft vanaf 2011 uitkeringen van de verzekeraar ontvangen. De ontvangen bedragen worden jaarlijks gerenseigneerd aan de Belastingdienst. In 2022 heeft belanghebbende een uitkering van € 34.643 ontvangen, waarop € 10.751 loonbelasting is ingehouden.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.396, zijnde de uitkering van € 34.643 minus het saldo eigenwoningregeling van € 1.247. De premie volksverzekeringen heeft de inspecteur vastgesteld op € 9.233. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag € 56 belastingrente vergoed.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen het in aanmerking nemen van de uitkering als belastbare periodieke uitkering afgewezen. De inspecteur heeft daarnaast vastgesteld dat belanghebbende voor het betreffende jaar recht heeft op toepassing van de vrijstelling van de premie Wet langdurige zorg (Wlz). De inspecteur heeft daarom de premie volksverzekeringen voor het jaar 2022 verminderd naar € 6.011.
In zijn brief van 23 juli 2025 (toelichting uitspraak op bezwaar) heeft de inspecteur aangegeven dat het bedrag van de belastingrentebeschikking door toepassing van de vrijstelling van de premie Wlz verandert van een te ontvangen bedrag naar een te betalen bedrag. De inspecteur heeft tevens aangegeven dat het bezwaar van belanghebbende tegen de hoogte van het belastingrentepercentage onderdeel is van de massaal bezwaarprocedure. In de uitspraak op bezwaar is geen bedrag aan belastingrente vermeld.
Motivering
4. Op grond van de artikelen 3.1, tweede lid, onderdeel d en 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) in samenhang met artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB, behoren periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een periodieke uitkering. De rechtbank acht dat juist. Belanghebbende heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de uitkering is gedaan vanwege beroepsongeschiktheid, niet vanwege arbeidsongeschiktheid. Volgens belanghebbende is hij slechts ongeschikt voor het beoefenen van het beroep van vloerenlegger en is de uitkering niet gedaan ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. De uitkering behoort daarom niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning, aldus belanghebbende.
De rechtbank overweegt als volgt. De door belanghebbende afgesloten verzekering heeft tot doel een periodieke uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde als gevolg van arbeidsongeschiktheid (zie 3.2). Van arbeidsongeschiktheid is volgens de polisvoorwaarden uitsluitend sprake indien er in directe relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde voor ten minste 25 procent ongeschikt is tot het verrichten van de op het polisblad vermelde werkzaamheden, zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs kan worden verlangd (zie 3.2). Er is daarom een direct oorzakelijk verband tussen ziekte of ongeval van een verzekerde en het verlenen van de periodieke uitkering aan de verzekerde. De periodieke uitkering die belanghebbende ontvangt is daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een periodieke uitkering ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval in de zin van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB. Daarbij maakt het niet uit dat de uitkering is gedaan omdat belanghebbende niet meer geschikt is om zijn beroep als vloerenlegger uit te voeren en ook niet dat belanghebbende wellicht wel andere arbeid kan verrichten.
De door belanghebbende aangedragen uitspraken van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 september 2022 en van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juli 2024 leiden niet tot een ander oordeel. De feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan die uitspraken wijken op fundamentele punten af van de zaak van belanghebbende. In die zaak ging het om een schadevergoeding die door de verzekeraar van een derde (degene die de schade heeft veroorzaakt) aan de betreffende ondernemer was toegekend voor het blijvend verlies aan arbeidskracht. Bij belanghebbende gaat het om een uitkering uit een door hem zelf afgesloten verzekering die voorziet in een aanvulling op zijn inkomen bij arbeidsongeschiktheid.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur de uitkering terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gerekend. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de premie volksverzekeringen verminderd omdat belanghebbende volgens hem recht heeft op vrijstelling van de premie Wlz. De rechtbank ziet geen aanleiding dat standpunt niet te volgen en verwijst daarbij naar de uitspraak van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2026 die betrekking heeft op de procedures van belanghebbende ten aanzien van hetzelfde geschilpunt over de jaren 2018 tot en met 2021. De slotsom is dat het beroep ongegrond is.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. De inspecteur heeft ter zitting verklaart dat de belastingrente is aangepast overeenkomstig de bij uitspraak op bezwaar verminderde aanslag. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de bij uitspraak op bezwaar verminderde aanslag volgt. Omdat over het percentage van de belastingrente een massaal bezwaarprocedure loopt waarbij belanghebbende zich heeft aangesloten, onthoudt de rechtbank zich van een oordeel op dit punt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 zoals die luidt na uitspraak op bezwaar in stand blijft. De belastingrentebeschikking zoals dienovereenkomstig verminderd bij uitspraak op bezwaar wordt gehandhaafd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.