ECLI:NL:RBZWB:2026:7356

ECLI:NL:RBZWB:2026:7356

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer BRE 25/4832 tot en met BRE 25/4835
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Navorderingsaanslagen IB/PVV. Belastingverdrag met Belgie, artikelen 18 en 19.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 augustus 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2020 tot en met 2023 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de navorderingsaanslagen) en daarbij belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen).

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen op 17 juli 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende, gemachtigde en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen. De echtgenote van belanghebbende, mevrouw [persoon] , was tot bijstand van belanghebbende aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingaanslagen terecht zijn opgelegd en of deze niet te hoog zijn. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikkingen terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur over een nieuw feit beschikte dat navordering rechtvaardigt. Dit betekent dat hij de navorderingsaanslagen mocht opleggen. De navorderingsaanslag IB/PVV 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikking zijn ook niet te hoog. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 dienen wel te worden verminderd, omdat Nederland geen heffingsrecht heeft over de uitkering van [verzekeringsmaatschappij] schadeverzekering NV ( [verzekeringsmaatschappij] ). De belastingrentebeschikkingen 2021, 2022 en 2023 worden in overeenstemming daarmee verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende woonde in de jaren 2020 tot en met 2023 in België. Belanghebbende heeft een dienstbetrekking bij [werkgever] gehad. Dit dienstverband is per [datum] 2020 beëindigd.

Belanghebbende is niet uitgenodigd voor het doen van aangiften inkomstenbelasting over 2020 tot en met 2023.

Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV 2020 tot en met 2023 gedaan en heeft daarbij de volgende inkomsten aangegeven:

Jaar

Bron

Inkomsten

Loonheffing

Soort

2020

[pensioenfonds ] )

[b.v.] )

UWV

[werkgever]

€ 8.754

€ 3.141

€ 18.842

€ 42.917

€ 3.338

€ 846

€ 1.166

€ 6.153

€ 16.951

€ 1.111

Uitkering

Uitkering

Uitkering

Loon

Uitkering

2021

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

[b.v.]

UWV

€ 11.913

€ 9.757

€ 6.465

€ 40.490

€ 2.944

€ 918

€ 2.386

€ 13.328

Uitkering

Uitkering

Uitkering

Uitkering

2022

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

UWV

[werkgever]

€ 6.329

€ 9.990

€ 44.336

€ 7.238

€ 595

€ 940

€ 14.912

€ 2.676

Uitkering

Uitkering

Uitkering

Uitkering

2023

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

UWV

[werkgever]

€ 6.329

€ 11.185

€ 50.706

€ 3.506

€ 586

€ 1.038

€ 17.364

€ 323

Uitkering

Uitkering

Uitkering

Uitkering

De uitkeringen zijn allen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

De inspecteur heeft in overeenstemming met de aangiften voor alle jaren voorlopige aanslagen opgelegd, en met dagtekening 24 februari 2023 de aanslag IB/PVV 2020, met dagtekening 11 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2021, met dagtekening 28 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2022 en met dagtekening 16 augustus 2024 de aanslag IB/PVV 2023. De inspecteur heeft voor het jaar 2020 het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 46.255 (zijnde loon en uitkering [werkgever] ) en voor de overige jaren op nihil.

Op 5 juni 2024 heeft de inspecteur aanvragen ‘Vrijstellingsverklaring voor loonbelasting en/of premie volksverzekeringen’ van belanghebbende ontvangen voor de uitkeringen van het UWV, de [verzekeringsmaatschappij] , het [pensioenfonds ] en [werkgever] (de vrijstellingsverzoeken). Op de vrijstellingsverzoeken is als ingangsdatum 1 januari 2024 vermeld.

De inspecteur heeft ten aanzien van de UWV-uitkeringen per 1 januari 2024 een verklaring inzake vrijstelling van inhouding van loonheffingen afgegeven.

Met dagtekening 8 maart 2025 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2020, 2021 en 2022 opgelegd en met dagtekening 14 maart 2025 de navorderingsaanslag IB/PVV 2023. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt vastgesteld:

Jaar

Bron

Inkomsten

2020

[pensioenfonds ]

[b.v.]

UWV (februari 2020 t/m mei 2020)

[werkgever]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 8.754

€ 3.141

€ 6.852

€ 42.917

€ 3.338

€ 65.002

2021

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

[b.v.]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 11.913

€ 9.757

€ 6.465

€ 28.135

2022

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

[werkgever]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 6.329

€ 9.990

€ 7.238

€ 23.557

2023

[verzekeringsmaatschappij]

[pensioenfonds ]

[werkgever]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 6.329

€ 11.185

€ 3.506

€ 21.020

Motivering

De navordering

4. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige voor dit feit. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.

De inspecteur stelt dat de vrijstellingsverzoeken die hij van belanghebbende heeft ontvangen een nieuw feit vormen dat navordering rechtvaardigt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de aangiften echter al voor het opleggen van de aanslagen gecontroleerd. In de voorlopige aanslagen IB/PVV 2020, 2022 en 2023 staat immers vermeld dat de gegevens nog gecontroleerd gaan worden en daarnaast blijkt uit een e-mail van 9 juni 2023 van de inspecteur aan de echtgenote van belanghebbende inzake de aangifte IB/PVV 2020 van de echtgenote dat ook de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende is gecontroleerd.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden, tenzij hij, nadat hij met een normale zorgvuldigheid kennis heeft genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur ten aanzien van de navorderingsaanslagen over een nieuw feit beschikte. Ondanks dat in een voorlopige aanslag is vermeld dat de gegevens nog gecontroleerd gaan worden, wil dat niet zeggen dat dit in het onderhavige geval ook is gebeurd. De aangiften IB/PVV 2020 en 2021 zijn in eerste instantie geselecteerd voor een handmatige beoordeling, maar hebben alsnog het geautomatiseerde proces doorlopen. De aangiften IB/PVV 2022 en 2023 zijn geheel geautomatiseerd afgedaan. Ook in het geval de aangiften handmatig zouden zijn beoordeeld door de inspecteur hoefde hij niet in redelijkheid aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven te twijfelen. Het is namelijk niet ongebruikelijk dat heffingsrechten over uitkeringen worden toegewezen aan het woonland. De in de aangiften opgenomen gegevens konden juist zijn. De inspecteur was daarom niet verplicht tot nader onderzoek of controle van de gegevens. De e-mail van de inspecteur aan de echtgenote maakt dat niet anders, omdat daarin ten aanzien van belanghebbende alleen is vermeld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Uit die e-mail kan niet worden geconcludeerd dat de inspecteur de aangifte van belanghebbende heeft gecontroleerd of had moeten controleren. Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. De vrijstellingsverzoeken die de inspecteur van belanghebbende in 2024 heeft ontvangen, en het naar aanleiding daarvan verrichte onderzoek waaruit volgde dat de aanslagen IB/PVV 2020 tot en met 2023 onjuist waren, vormen een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

De hoogte van de navorderingsaanslagen

Artikel 18 van het Verdrag tussen Nederland en België (het verdrag) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1.

a. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, paragraaf 2, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat ter zake van een vroegere dienstbetrekking, alsmede lijfrenten en uitkeringen – al dan niet periodiek – uit pensioensparen, pensioenfondsen en groepsverzekeringen betaald aan een inwoner van een verdragsluitende Staat, slechts in die Staat belastbaar.

b. Pensioenen en andere al dan niet periodieke uitkeringen die worden betaald te uitvoering van de sociale wetgeving van een verdragsluitende Staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende Staat zijn slechts in de laatstbedoelde Staat belastbaar.

(…)

6.

Niettegenstaande de paragrafen 1, 2 en 3 mogen uitkeringen, die worden betaald ter uitvoering van de sociale wetgeving van een verdragsluitende Staat aan een in die Staat in dienstbetrekking werkzame natuurlijke persoon die inwoner is van de andere verdragsluitende Staat, omdat die natuurlijke persoon vanwege ziekte, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of overtolligheid die dienstbetrekking niet of niet volledig daadwerkelijk kan vervullen, voor een periode van maximaal 1 jaar, dan wel zoveel langer als de natuurlijke persoon nog beloningen geniet ter zake van het daadwerkelijk vervullen van bedoelde dienstbetrekking, worden belast in de verdragsluitende Staat waarin de beloningen genoten ter zake van de daadwerkelijk vervulde dienstbetrekking mogen worden belast.”

Artikel 19 van het verdrag luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1.

a. Lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen, niet zijnde pensioenen, betaald door een verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, aan een natuurlijke persoon, ter zake van diensten bewezen aan die Staat of dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam, mogen in die Staat worden belast.

b. Die lonen, salarissen en andere soortgelijke beloningen zijn evenwel slechts in de andere verdragsluitende Staat belastbaar indien de diensten in die Staat worden bewezen en de natuurlijke persoon inwoner van die Staat is, die:

10 onderdaan is van die Staat, of

20 niet uitsluitend met het oog op het bewijzen van de diensten inwoner van die Staat is geworden.

2.

a. Pensioenen door een verdragsluitende Staat of een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij uit door hen in het leven geroepen fondsen, betaald aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat publiekrechtelijk lichaam, mogen in die Staat worden belast.”

Tussen partijen is niet in geschil dat de UWV-uitkeringen vanaf 1 juni 2020 in België belastbaar zijn. De inspecteur heeft daar bij het opleggen van de navorderingsaanslagen ook rekening mee gehouden. Wat betreft de uitkeringen van [verzekeringsmaatschappij] heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat dit een particuliere arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, waarop de inspecteur het nadere standpunt heeft ingenomen dat België, op grond van artikel 18, eerste lid van het verdrag, het heffingsrecht heeft over die uitkeringen. De rechtbank sluit daarbij aan. Dat betekent dat de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 in zoverre gegrond zijn.

Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of Nederland het heffingsrecht heeft over de UWV-uitkeringen over de periode februari 2020 tot en met mei 2020, en over de uitkeringen van het [pensioenfonds ] , de [b.v.] en [werkgever] . De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende naast zijn dienstbetrekking bij [werkgever] vanaf februari 2020 een UWV-uitkering heeft ontvangen. Het dienstverband bij [werkgever] is per [datum] 2020 beëindigd. Op grond van artikel 18, zesde lid, van het verdrag wordt het heffingsrecht over de UWV-uitkering in de periode voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband bij [werkgever] toegewezen aan Nederland. De inspecteur heeft daar bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 rekening mee gehouden en heeft circa 4/12e deel van de UWV-uitkering tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Belanghebbende heeft de hoogte van het bedrag niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen en zal het standpunt van de inspecteur volgen.

De rechtbank stelt daarnaast, op basis van de gedingstukken en de verklaringen van belanghebbende ter zitting, vast dat de uitkeringen die belanghebbende van het [pensioenfonds ] , de [b.v.] en [werkgever] heeft ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn, betaald uit daarvoor door de Nederlandse Staat in het leven geroepen fondsen. Dat betekent dat voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid over die uitkeringen artikel 19, tweede lid, van het verdrag van toepassing is en de heffingsbevoegdheid aan Nederland is toegewezen.

De rechtbank zal uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van [werkgever] , het [pensioenfonds ] en de [b.v.] zijn aan te merken als een pensioen(uitkering) in de zin van artikel 19 van het verdrag. In het verdrag zijn in artikel 3 algemene begripsomschrijvingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat elke niet in het verdrag omschreven uitdrukking de betekenis heeft welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat die het verdrag toepast. In het verdrag is geen begripsomschrijving opgenomen voor de uitdrukking pensioen. Voor de toepassing van artikel 19 van het verdrag door Nederland gaat het dus om de betekenis die aan de term pensioen wordt gegeven in de nationale wetgeving van Nederland. Artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt wat onder een pensioenregeling wordt verstaan. In het eerste lid, onderdeel a, sub 4 (tekst 2021) van dit artikel is opgenomen dat daaronder (mede) wordt verstaan een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht (arbeidsongeschiktheidspensioen). De uitkering aan belanghebbende betreft een uit een dienstbetrekking bij [werkgever] voortvloeiende uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid die langer dan een jaar duurt. Nu niet is gesteld of gebleken dat deze uitkering uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht, betreft dit naar nationaal Nederlands recht een pensioenuitkering. De arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft daarmee ook voor de toepassing van het belastingverdrag een pensioen.

Niet in geschil is dat dit pensioen wordt uitgekeerd ten aanzien van geheel in Nederland verrichte werkzaamheden en wordt betaald door de Staat ( [werkgever] ) dan wel uit door de Staat in het leven geroepen fondsen ( [pensioenfonds ] en [b.v.] ). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen daarom terecht de uitkeringen van het [pensioenfonds ] , de [b.v.] en [werkgever] tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Voor zover de belastingdienst van het Koninkrijk België een ander standpunt inneemt (namelijk dat geen sprake is van een pensioen en dat artikel 19, tweede lid, van het verdrag niet van toepassing is) kan belanghebbende een onderling overlegprocedure als bedoeld in artikel 28 van het verdrag in België initiëren.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 gegrond. Deze navorderingsaanslagen worden verminderd tot aanslagen met inachtneming van de navolgende in Nederland belastbare inkomsten uit werk en woning:

Jaar

Bron

Inkomsten

2021

[pensioenfonds ]

[b.v.]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 9.757

€ 6.465

€ 16.222

2022

[pensioenfonds ]

[werkgever]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 9.990

€ 7.238

€ 17.228

2023

[pensioenfonds ]

[werkgever]

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 11.185

€ 3.506

€ 14.691

Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 is ongegrond.

De belastingrente

Op grond van artikel 30fc van de AWR wordt belastingrente in rekening gebracht indien een (navorderings)aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld na zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden betaald.

De inspecteur heeft in overeenstemming met de wettelijke bepalingen belastingrente in rekening gebracht. Dat belanghebbende niet uitgenodigd was tot het doen van aangifte is daarbij niet van belang. Ook niet van belang is dat belanghebbende niet gehouden was om aangifte te doen, omdat hij niet was uitgenodigd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2020. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Omdat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 worden verminderd, wordt ook de daarbij in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Voor zover de grieven van belanghebbende ten aanzien van de belastingrente zien op de hoogte van het belastingrentepercentage heeft de inspecteur in de toelichting bij de uitspraken op bezwaar aangegeven dat dit deel meedoet met de massaal bezwaarprocedure. De rechtbank merkt op dat zij in deze uitspraak alleen oordeelt over de individuele uitspraak op bezwaar en niet over de uitkomst van de massaal bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 is ongegrond. Dit betekent dat deze navorderingsaanslag en bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 zijn gegrond. Dit betekend dat deze navorderingsaanslagen moeten worden verminderd zoals in 4.12 is geoordeeld. Omdat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023 worden verminderd, wordt ook de daarbij in rekening gebrachte belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van belanghebbende samenhangen. De rechtbank doet uitspraak in alle vier zaken en in elk van deze zaken konden de werkzaamheden (nagenoeg) identiek zijn en waren zij dat feitelijk ook. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1 en een factor 1 voor drie samenhangende gegronde beroepen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard af te zien van de verzochte reiskostenvergoeding. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikking ongegrond;

- verklaart de overige beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2021, 2022 en 2023;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2021 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.222 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2022 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.228 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2023 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.691 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081411 FutD 2026-1467 NLF 2026/1670 V-N Vandaag 2026/1690 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/923 NDFR Nieuws 2026/1286 NTFR 2026/1758 met annotatie van mr. F. van Horzen
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand