ECLI:NL:RBZWB:2026:7357

ECLI:NL:RBZWB:2026:7357

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer BRE 25/3397
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Navorderingsaanslag IB/PVV en vergrijpboete.

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 juni 2025.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.339 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.272.591 opgelegd (de navorderingsaanslag).

Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 44.412 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en een vergrijpboete van € 40.000 opgelegd (de boetebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd naar € 225.776. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd. De inspecteur heeft de boetebeschikking verminderd naar € 20.000.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag, de bijbehorende belastingrentebeschikking en de boetebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd. Het bij uitspraak op bezwaar verminderde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is ook niet te hoog vastgesteld. De boete wordt ambtshalve gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft een aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020 ingediend. In de aangifte is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, loon uit vroegere dienstbetrekking, resultaat uit overige werkzaamheden en inkomen uit sparen en beleggen aangegeven.

De aangifte is op 6 januari 2022 ingediend door de (voormalig) adviseur van belanghebbende. De inspecteur en de adviseur hebben een convenant gesloten met betrekking tot horizontaal toezicht door de Belastingdienst ten aanzien van cliënten van de adviseur (het convenant). Belanghebbende viel ten tijde van het doen van de aangifte onder dit convenant.

De aangifte is uitgeworpen omdat het aangegeven loon uit vroegere dienstbetrekking niet overeenkwam met de door de uitkerende instantie gerenseigneerde informatie. De inspecteur heeft in overeenstemming met de afspraken uit het convenant telefonisch contact met de adviseur opgenomen waarna hij de aangifte in de interne systemen handmatig heeft gecorrigeerd. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 20 januari 2023 de aanslag opgelegd.

Vóór de uitbetaling van de aanslag heeft de inspecteur een intern bericht (HOT/HOR) ontvangen met het verzoek de aanslag te controleren. Bij de controle heeft de inspecteur geconstateerd dat in de aangifte onder het kopje ‘Toelichting andere schulden’ een schuld ter waarde van € 25.264.675 is vermeld met de volgende omschrijving: “Vermindering vermogen ivm heffing over werkelijk rendement.” De in de aangifte berekende grondslag sparen en beleggen na aftrek van deze fictieve schuld bedraagt € 84.458, het hierover berekende en aangegeven fictief voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 1.789.

Met dagtekening 8 november 2023 heeft de inspecteur een brief aan de adviseur gestuurd waarin hij de adviseur informeert dat hij voornemens is om aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op te leggen en daarnaast een vergrijpboete.

Op 20 december 2023 heeft belanghebbende een herziene aangifte over het jaar 2020 ingediend. De in de herziene aangifte berekende grondslag sparen en beleggen bedraagt € 24.343.561, het hierover berekende en aangegeven fictief voordeel uit sparen en beleggen bedraagt € 1.272.591.

Met dagtekening 14 december 2024 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van de gegevens zoals belanghebbende in de herziene aangifte heeft vermeld. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur € 44.412 belastingrente bij belanghebbende in rekening gebracht en aan belanghebbende een vergrijpboete van € 40.000 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag verminderd naar een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 225.776. De belastingrentebeschikking is in overeenstemming hiermee verminderd. De inspecteur heeft daarbij aangegeven dat het bezwaar van belanghebbende tegen de hoogte van het belastingrentepercentage onderdeel is van de massaal bezwaarprocedure. De vergrijpboete heeft de inspecteur verminderd naar € 20.000.

Motivering

De navorderingsaanslag

4. De inspecteur kan te weinig geheven belasting navorderen, wanneer enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag op een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dit is alleen anders wanneer sprake is van kwade trouw bij de belastingplichtige voor dit feit. De bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.

De inspecteur stelt dat het HOT/HOR-bericht (zie 3.3) een nieuw feit vormt dat navordering rechtvaardigt. Volgens belanghebbende had de inspecteur echter al naar aanleiding van de uitworp van de aangifte (zie 3.2) vragen moeten stellen over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Door slechts het loon uit vroegere dienstbetrekking te controleren en niet het gehele dossier heeft de inspecteur niet zorgvuldig gehandeld. De inspecteur heeft zonder verdere vragen over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te stellen de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd en heeft daarmee zijn onderzoeksplicht geschonden, aldus belanghebbende.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden, tenzij hij, nadat hij met een normale zorgvuldigheid kennis heeft genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet gehouden was een onderzoek naar het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in te stellen naar aanleiding van de uitworp van de aangifte met betrekking tot het loon uit vroegere dienstbetrekking. De inspecteur heeft ter zitting toegelicht dat in het convenant is afgesproken dat de aangiften die door de adviseur zijn ingediend niet integraal gecontroleerd worden. Als er een aangifte wordt uitgeworpen vanwege een onaanvaardbaar risico, dan wordt ten aanzien van dat risico contact opgenomen met de adviseur. Als met een adviseur onder horizontaal toezicht een convenant is afgesloten dan mag de Belastingdienst erop vertrouwen dat de ingediende aangifte (overigens) juist is. Gelet hierop hoefde de inspecteur daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aan de juistheid van de het in de aangifte vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te twijfelen en hij hoefde hierover ook geen verdere vragen te stellen aan de adviseur. Daarbij merkt de rechtbank op dat de inspecteur ook heeft toegelicht dat onder horizontaal toezicht een adviseur zelf contact opneemt met de inspecteur wanneer sprake is van een standpunt in de aangifte waarover verschil van mening kan bestaan. Dat is hier niet gebeurd. Van een ambtelijk verzuim is dan ook geen sprake. Het HOT/HOR-bericht dat de inspecteur na het opleggen van de aanslag via de interne systemen heeft ontvangen vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De subsidiaire standpunten van de inspecteur, dat sprake is van kwade trouw dan wel een kenbare fout, kunnen onbesproken blijven.

Belanghebbende beroept zich nog op schending van diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De blote stelling dat deze beginselen zijn geschonden is onvoldoende om, zonder verdere onderbouwing, aannemelijk te achten dat daarvan sprake is. De rechtbank ziet ook in de feiten en omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke schending door de inspecteur is begaan. Wat betreft het standpunt van belanghebbende dat het recht op eigendom is geschonden, merkt de rechtbank op dat de inspecteur in lijn met het arrest van de Hoge Raad aan belanghebbende rechtsherstel heeft verleend door in de uitspraak op bezwaar uitsluitend het, tussen partijen niet in geschil zijnde, werkelijk rendement van € 225.776 in de heffing te betrekken. De rechtbank volgt daarom ook dat standpunt niet.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de navorderingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het bedrag van de navorderingsaanslag, zoals verminderd bij uitspraak op bezwaar, is ook niet te hoog.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrentebeschikking aangevoerd. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslag. De belastingrentebeschikking is daarom in overeenstemming met de verminderde navorderingsaanslag aangepast. De rechtbank merkt daarnaast op dat zij in deze uitspraak alleen oordeelt over de individuele uitspraak op bezwaar en niet over de uitkomst van de massaal bezwaarprocedure.

De vergrijpboete

De inspecteur kan een boete van ten hoogste 300% opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De inspecteur heeft belanghebbende bij het opleggen van de navorderingsaanslag (voorwaardelijke) opzet verweten en aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 40.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de schuldkwalificatie gewijzigd naar grove schuld en heeft hij de boete verminderd naar € 20.000.

Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en grove onachtzaamheid. Een belastingplichtige had in dat geval redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. De bewijslast rust op de inspecteur om aan te tonen dat sprake is van grove schuld.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet dan wel grove schuld. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dan wel had belanghebbende kunnen weten of moeten vermoeden dat, door in de aangifte uit te gaan van het werkelijk rendement terwijl de aangifte daar niet op was ingericht, er ten tijde van het indienen van de aangifte een aanmerkelijke kans bestond dat te weinig belasting zou worden betaald. Belanghebbende heeft die kans bewust aanvaard door de aangifte zonder nadere controle in te laten dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vergrijpboete terecht opgelegd. Nu de inspecteur bij uitspraak op bezwaar de schuldkwalificatie heeft gewijzigd naar grove schuld is het naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 6 EVRM om in beroep te stellen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet en zal de rechtbank dus slechts beoordelen of de inspecteur grove schuld heeft aangetoond. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij de aangifte weliswaar heeft ondertekend voor akkoord maar dat hij de aangifte inhoudelijk niet heeft gecontroleerd. Uit de feiten en omstandigheden blijkt echter dat belanghebbende, door contact op te nemen met zijn adviseur, zelf het initiatief heeft genomen en de adviseur heeft verzocht om in de aangifte slechts het gestelde werkelijk rendement aan te geven. Dit is vervolgens door de adviseur verwezenlijkt door een fictieve schuld van € 25.264.675 in de aangifte te verwerken. De aangifte van belanghebbende is de enige aangifte die de adviseur op deze wijze heeft ingediend. Nu belanghebbende zelf heeft verzocht om de aangifte te doen op basis van werkelijk rendement, terwijl het aangiftebiljet hier geen ruimte voor bood, had hij moeten controleren hoe dit door de adviseur gedaan was en of het opgegeven werkelijk rendement juist was. Dat heeft hij niet gedaan. Het in de aangifte aangegeven werkelijk rendement (€ 1.789) wijkt significant af van het (in de bezwaarfase) vastgestelde werkelijk rendement (€ 225.776). Belanghebbende heeft daarmee in de samenwerking met zijn adviseur zodanig onzorgvuldig en onachtzaam gehandeld dat het aan zijn grove schuld te wijten is dat de aangifte onjuist was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende er bewust voor gekozen de aangifte te laten indienen waarbij het Kerstarrest is toegepast op een wijze die volstrekt onaanvaardbaar is, en daarmee heeft belanghebbende bewust de kans aanvaard dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven.

De rechtbank acht de bij uitspraak op bezwaar verminderde boete van € 20.000 in dit geval passend en geboden. Van strafverlagende omstandigheden is niet gebleken. Ook zijn verder geen gegronde redenen voor matiging aangevoerd of gebleken.

De rechtbank ziet wel aanleiding de boete ambtshalve te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat 8 november 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op dat moment het voornemen om een vergrijpboete op te leggen is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op 7 augustus 2026. Sinds de aankondiging van de boete zijn dan (afgerond) 2 jaar en 9 maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar daarmee is overschreden met 9 maanden. De boete moet daarom worden gematigd met 10% tot € 18.000.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Het matigen van de vergrijpboete wegens overschrijding van de redelijke termijn maakt dat niet anders. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;

- vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 18.000 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026081406 FutD 2026-1465 NLF 2026/1659 V-N Vandaag 2026/1685 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/918 NDFR Nieuws 2026/1293
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand