ECLI:NL:RBZWB:2026:7359

ECLI:NL:RBZWB:2026:7359

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer 12127573 \ AZ VERZ 26-16 (E)
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bij aanvang zijn partijen mondeling een arbeidsovereenkomst overeengekomen. De arbeidsovereenkomst komt daarna al snel te einde. Vervolgens is er een geschil over de hoogte van het loon en over andere zaken. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in enkele verzoeken. Dit omdat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW is verstreken. De gemachtigde heeft uit onkunde het verzoekschrift te laat ingediend. De vordering m.b.t. tot het loon wordt in het nadeel van de werkgever uitgelegd. De werkgever heeft namelijk niets schriftelijk vastgelegd en kan haar verweer niet gemotiveerd onderbouwen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABAN

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer / rekestnummer: 12127573 \ AZ VERZ 26-16

Beschikking van 3 augustus 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: mr. D.B. Bosman.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingediend op 24 november 2025

- de beschikking van 4 maart 2026 van de kantonrechter te Breda met zaaknummer 11987918 / AZ VERZ 25-82

- het verweerschrift

- het nagekomen stuk ingediend door [werknemer] op 9 juli 2026.

Op 16 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zelf zijn daarbij niet verschenen en hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.

2. De feiten

[werknemer] is sinds 21 juli 2025 in dienst van [werkgever] . De arbeidsovereenkomst is mondeling overeengekomen.

Op 25 augustus 2025 heeft [werkgever] de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 25 augustus 2025.

3. Het verzoek en het verweer

[werknemer] verzoekt bij verzoekschrift van 24 november 2025 de kantonrechter:

a. “vast te stellen dat het ontslag op 25 augustus 2025 onrechtmatig is geschied,

een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsverhouding en/of arbeidsovereenkomst,

verzoeker in het gelijk te stellen zonder toekenning van enige financiële vergoeding.”.

[werknemer] heeft na het indienen van het verweerschrift een aanvullend stuk ingediend. De kantonrechter begrijpt uit de inhoud daarvan dat [werknemer] haar verzoek aanvult/vermeerderd en de kantonrechter verzoekt om [werkgever] te veroordelen tot:

betaling van € 806,45 netto wegens achterstallig salaris en € 90,40 netto wegens gemaakte onkosten en reiskosten over de maand juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025,

betaling van € 185,03 netto wegens achterstallig salaris en € 229,20 wegens gemaakte onkosten en reiskosten over de maand augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2025,

betaling van € 2.500,00 wegens onrechtmatig handelen van de zijde van [werkgever] ,

betaling van € 2.500,00 wegens financiële schade alsmede wegens misleiding, smaad en laster,

het niets te doen of na te laten dat de eer en goede naam van [werknemer] op enige wijze schaadt met een boete van € 5.000,00 per keer,

betaling van voornoemde bedragen binnen 14 dagen na het wijzen van beschikking op straffe van een boete, indien [werkgever] hieraan niet voldoet.

Daarnaast verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.

[werknemer] voert – naar de kantonrechter begrijpt – het volgende aan. [werkgever] heeft op 25 augustus 2025 de arbeidsovereenkomst opgezegd. Het ontslag is onrechtmatig verleend en op grond van artikel 7:681 BW kan een werknemer verzoeken om vernietiging van een ontslag indien dit in strijd is met de wettelijke bepalingen. [werknemer] doet geen beroep op een transitievergoeding of een billijke vergoeding, maar wenst uitsluitend een oordeel van de kantonrechter over de rechtmatigheid van het ontslag. [werknemer] heeft namelijk belang bij een uitspraak hierover om vervolgprocedures aanhangig te maken vanwege onrechtmatig handelen, dwaling, misleiding, schending van goed werkgeverschap, en schending van de zorgplicht door [werkgever] . Daarnaast wil [werknemer] een klacht indienen bij het FNV Transport wegens overtreding van de cao.

Daarnaast is door [werkgever] te weinig loon betaald, aangezien partijen een loon van € 2.500,00 netto per maand zijn overeengekomen. Verder heeft [werknemer] gesteld dat deze procedure voortkomt uit slecht werkgeverschap van [werkgever] , waaronder het verzuim tijdig een schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden, tijdig loonstaten voor akkoord aan te bieden, poging tot afpersing, misleiding, misbruik van macht en misbruik van de kwetsbare positie van [werknemer] .

[werkgever] voert verweer en stelt dat [werknemer] niet-ontvankelijk is in haar verzoek. [werkgever] voert daarvoor het volgende aan. Partijen zijn een nulurencontract overeengekomen. [werkgever] heeft op 25 augustus 2025 aan [werknemer] medegedeeld dat er geen werk meer voor haar is. [werkgever] was voornemens [werknemer] niet langer op te roepen voor werk. Partijen hebben daarna nog geprobeerd een beëindigingsovereenkomst overeen te komen. Dat is niet gelukt. Aangezien over de arbeidsovereenkomst mondelinge afspraken zijn gemaakt, geldt voor de arbeidsovereenkomst dat deze voor onbepaalde tijd is. Het per direct niet meer inzetten van [werknemer] moet naar objectieve maatstaven worden opgevat als een opzegging met onmiddellijke ingang van de arbeidsovereenkomst. Dit was destijds niet zo bedoeld door [werkgever] , maar is door [werknemer] wel zo begrepen en kan juridisch gezien ook niet anders worden gekwalificeerd. [werknemer] heeft geen voldoende belang bij haar verzoek, omdat de arbeidsovereenkomst per 25 augustus 2025 is geëindigd en de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, BW is verstreken. De rechtspositie tussen partijen staat daarmee vast. Toewijzing van de verklaring voor recht doet niets toe of af aan haar rechtspositie. [werkgever] verzoekt de kantonrechter [werknemer] te veroordelen in de door [werkgever] werkelijk gemaakte proceskosten. [werknemer] heeft, zoals hiervoor benadrukt, geen rechtsgevolg aan haar verzoek verbonden, een verstreken vervaltermijn genegeerd en zij tracht de rechter te gebruiken voor een louter declaratoir oordeel ten behoeve van andere – niet in deze procedure aan de orde gestelde – procedures. Hierdoor is sprake van misbruik van procesrecht.

4. De beoordeling

Het verzoek onder a.

[werknemer] is niet-ontvankelijk in haar verzoek. De kantonrechter legt hierna uit om welk reden.

Het verzoek onder a. houdt verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW vervalt de bevoegdheid om een dergelijk verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van artikel 7:677 BW betreft. De wetgever heeft bewust gekozen voor een korte, strikte vervaltermijn, teneinde partijen rechtszekerheid te bieden. Deze termijn is van dwingend recht en kan (in beginsel) niet gepasseerd worden.

Partijen zijn het er over eens dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst per 25 augustus 2025 heeft opgezegd. Het verzoekschrift is ingediend op 24 november 2025. Dat is na afloop van de wettelijke vervaltermijn van twee maanden. Dit moet in beginsel leiden tot niet-ontvankelijkheid. In bijzondere omstandigheden kan echter een beroep van de verweerder op overschrijding van de verval- of verjaringstermijn volgens de Hoge Raad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

De gemachtigde van [werknemer] (hierna: [gemachtigde]) heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van deze vervaltermijn. [gemachtigde] heeft verder aangevoerd dat de gemachtigde van [werkgever] hiervan wel op de hoogte was en zo heeft gehandeld dat de vervaltermijn voor [werknemer] ongemerkt zou verstrijken. De kantonrechter volgt [gemachtigde] hierin niet. Op de mondelinge behandeling heeft mr. Bosman aangevoerd dat zijn collega [gemachtigde] er op heeft gewezen – nog voordat de vervaltermijn was verstreken – om arbeidsrechtelijk juridisch advies in te winnen. [gemachtigde] heeft dit niet gedaan en op de mondelinge behandeling medegedeeld dat de zaak voor hem duidelijk was. [gemachtigde], die geen jurist is, heeft er bewust voor gekozen om zonder het inwinnen van juridisch advies als gemachtigde voor [werknemer] op te (blijven) treden. Dat de vervaltermijn conform artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW is komen te verstrijken is dan ook [gemachtigde] te verwijten en niet de gemachtigde van [werkgever] . De kantonrechter ziet om die reden geen aanleiding om de vervaltermijn te passeren. Met het verstrijken van de vervaltermijn is overigens ook de eventuele aanspraak op een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding komen te vervallen.

Het verzoek onder b. en c.

Partijen zijn het er over eens dat [werknemer] per 21 juli 2025 in dienst is getreden van [werkgever] . [werknemer] heeft aangevoerd dat partijen een maandloon van € 2.500,00 netto zijn overeengekomen. [werknemer] heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de reactie van [werkgever] die het UWV naar [werknemer] heeft doorgestuurd. Daarin is onder andere het volgende medegedeeld: “Beste Wij zijn op zoek naar collega s die ons team komen versterken wij werken voor dpd pakketendiens van uit [plaats 2] We bieden een maandloon van 2500 netto aan ex reiskosten en snipperdagen (…) Mvg [werkgever] bv”.

[werkgever] betwist dat partijen een maandloon van € 2.500,00 netto zijn overeengekomen. Uit de loonspecificatie van augustus 2025 en de urenstaten blijkt verder dat het loon over juli en augustus 2025 is uitbetaald. Ook de reis- en verblijfkosten zijn uitbetaald.

De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de stelling van [werknemer] , dat partijen een netto maandloon van € 2.500,00 zijn overeengekomen, onvoldoende heeft weerlegd. Een verwijzing naar de loonspecificatie is daarvoor onvoldoende, aangezien deze is opgemaakt na de opzegging van de arbeidsovereenkomst en nadat het geschil tussen partijen is ontstaan. [werkgever] heeft er voor gekozen om een mondelinge arbeidsovereenkomst aan te gaan met [werknemer] . Daardoor zijn belangrijke onderdelen van een arbeidsovereenkomst, zoals het loon, het aantal te werken uren en wat voor soort arbeidsovereenkomst het betreft op papier dan wel elektronisch niet vastgelegd. Dit is ook in strijd met artikel 7:655 BW waarin de informatieplicht van de werkgever is opgenomen. De werkgever dient binnen een week na aanvang van de werkzaamheden bepaalde informatie over de arbeidsovereenkomst aan werknemer te verstrekken. Door dit niet te doen is er uiteindelijk een loongeschil tussen partijen ontstaan. Dit komt voor rekening en risico van [werkgever] , omdat zij als werkgever duidelijke afspraken moet maken en vervolgens (schriftelijk) dient vast te leggen.

Op de mondelinge behandeling heeft [gemachtigde] namens [werknemer] medegedeeld dat zij bewust geen vordering instelt met betrekking tot de vakantierechten. Zij vordert slechts betaling van het loon en de onkosten. Uit de loonstrook blijkt dat [werkgever] een bedrag van € 2.085,67 netto aan loon, € 124,20 netto aan reiskostenvergoeding en € 105,00 netto aan verblijfkostenvergoeding heeft betaald aan [werknemer] . Dat betekent dat [werknemer] nog € 414,33 netto aan loon over de maand augustus 2025 tegoed heeft. De kantonrechter zal dit toewijzen vermeerderd met rente. Een loonspecificatie van de maand juli 2025 is niet overgelegd. Namens [werkgever] is aangevoerd dat het loon en de gemaakt onkosten van juli 2025 ook in augustus 2025 zijn uitbetaald. Uit de loonspecificatie blijkt dit echter niet. De kantonrechter zal het verzoek tot betaling van € 806,45 netto wegens achterstallig salaris en € 90,40 netto wegens gemaakte onkosten en reiskosten over de maand juli 2025, te vermeerderen met rente, dan ook toewijzen.

Het verzoek onder d. en e.

[werknemer] is niet-ontvankelijk in deze verzoeken. [werknemer] heeft geen concrete grondslag aangevoerd voor haar verzoeken. [gemachtigde] heeft op de mondelinge behandeling medegedeeld de verdere invulling aan de kantonrechter over te laten. Dat is echter niet de bedoeling. Een partij dient zelf de grondslag aan te voeren en het verzoek deugdelijk te onderbouwen. Het verzoek tot betaling van € 2.500,00 netto wegens onrechtmatig handelen door [werkgever] door het eenzijdig opzeggen van de arbeidsovereenkomst is te scharen onder de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:672 BW. Het verzoek tot betaling van € 2.500,00 wegens misleiding, schade en laster is te scharen onder de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW. Zoals overwogen onder 4.4. is de termijn hiervoor komen te vervallen. De kantonrechter overweegt ten overvloede, voor het geval het verzoek van [werknemer] betrekking heeft op een immateriële schadevergoeding, dat het verzoek ook op die grond niet toewijsbaar is. Daarvoor zijn geen concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat, in verband met de omstandigheden van het geval, psychische schade is ontstaan.

Het verzoek onder f.

Dit verzoek is niet toewijsbaar omdat een grondslag en een deugdelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt.

Het verzoek onder g.

Het verzoek tot betaling van een boete – de kantonrechter begrijpt dat [werknemer] hiermee een dwangsom bedoelt – indien [werkgever] niet binnen 14 dagen na uitspraak betaalt is niet toewijsbaar. Dit is in strijd met artikel 611a Rv lid 1, waarin is bepaald dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

Proceskosten

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de omstandigheden van deze zaak daartoe aanleiding geven en partijen beide deels in het (on)gelijk zijn gesteld.

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in haar verzoeken onder a., d. en e.,

veroordeelt [werkgever] om, binnen 14 dagen na vandaag, aan [werknemer] te betalen € 806,45 netto wegens achterstallig salaris en € 90,40 netto wegens gemaakte onkosten en reiskosten over de maand juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 10 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt [werkgever] om, binnen 14 dagen na vandaag, aan [werknemer] te betalen € 414,33 netto aan loon over de maand augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling,

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Spronssen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand