ECLI:NL:RBZWB:2026:7369

ECLI:NL:RBZWB:2026:7369

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-06-2026
Datum publicatie 07-08-2026
Zaaknummer C/02/449304 / JE RK 26-1046
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

nadere spoed muhp.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/449304 / JE RK 26-1046

Datum uitspraak: 26 juni 2026

(nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. M. Kalle te Middelburg,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat mr. M.V. de Nooijer te Middelburg.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 juni 2026;

de stukken, ingediend door mr. V.C. Serrarens (waarnemend advocaat voor mr. De Nooijer), ontvangen op 25 juni 2026.

De zaak is op de zitting van 26 juni 2026 met gesloten deuren behandeld.

Daarbij waren aanwezig:

- de vader met mr. V.C. Serrarens, waarnemend advocaat voor mr. De Nooijer;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

Bij beschikking van 15 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 april 2026 en tot 15 juli 2026.

Bij beschikking van 16 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 16 juni 2026 en tot 30 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI.

3. Het verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

Ter beoordeling ligt voor of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot het herroepen van de beschikking van 16 juni 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van het verzoek van de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen, te weten voor de periode met ingang van 30 juni 2026 en tot 16 december 2026.

4. De standpunten

De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] is in een neutraal pleeggezin geplaatst, omdat het bij de moeder niet goed ging, maar ook niet bij de vader. De GI heeft gezien dat de kinderen verward terugkwamen na gesprekken met de vader. Ze moesten dingen zeggen van de vader die eigenlijk niet waar zijn. Daardoor zijn ze verward geraakt. Vooral [minderjarige] had daar last van. Het lukte de moeder niet om [minderjarige] daar thuis mee te helpen. De hulpverlening is helaas nog niet opgestart. Vanwege tegenstrijdige verhalen van en over het netwerk is gekozen voor een neutrale plek om [minderjarige] rust te bieden.

Namens en door de moeder wordt aangegeven dat het verzoek van de GI naar haar mening kan worden toegewezen.

Namens en door de vader wordt geen verweer gevoerd tegen de spoedmachtiging, wel wordt er verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Vader vindt het verschrikkelijk dat juist is gebeurd waartegen hij [minderjarige] heeft willen beschermen.

5. De (verdere) beoordeling

Geen nieuwe feiten en/of omstandigheden

Bij beschikking van 16 juni 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening van pleegzorg met ingang van 16 juni 2026 en tot 30 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 26 juni 2026 in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. Naar aanleiding daarvan is het de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel.

Wettelijk kader uithuisplaatsing

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Verdere inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter stelt vast dat de voorlopige ondertoezichtstelling tot aan 15 juli 2026 loopt. Om die reden kan de kinderrechter enkel een beslissing nemen over de periode tot aan 15 juli 2026.

De kinderrechter is van oordeel dat het op dit moment in het belang van [minderjarige] en zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De kinderrechter licht dit als volgt toe.

De moeder is op dit moment niet in staat om [minderjarige] , zonder de benodigde hulpverlening, op een juiste manier te begeleiden. Voor [minderjarige] is het van belang dat hij tot rust komt en dat er dan verder gekeken wordt wat voor [minderjarige] passend is en op welke termijn hij weer naar huis kan.

De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] bij hem kan verblijven en dat dit eerder ook goed is gegaan. De kinderrechter hoort echter van de GI dat hier bedenkingen over zijn en dat het juist ook bij de vader eerder niet goed ging. Daar komt bij dat [minderjarige] de vader nu al enige tijd niet heeft gezien. Het is in het belang van [minderjarige] dat dit contact eerst hersteld wordt.

De kinderrechter is van oordeel dat een netwerkplaatsing op dit moment ook niet in het belang van [minderjarige] is, mede gelet op de verschillende visies van de ouders hierover en de mogelijke loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige] . Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om [minderjarige] veelvuldig van verblijf te laten wisselen. Hij zit nu op een plek waar hij het naar zijn zin heeft en tot rust komt. De kinderrechter vindt om die reden voortzetting van deze plek tot aan 15 juli 2026 in het belang van [minderjarige] . Op die manier komt er meer rust voor hem en kan hij hopelijk – zonder consequenties – met iemand praten over de dingen die hij in zijn hoofd heeft.

De kinderrechter zal om die reden de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot aan 15 juli 2026 en houdt het restant van het verzoek aan tot de behandeling van het reeds ingediende verzoek ondertoezichtstelling.

In de beschikking van 16 juni 2026 stonden abusievelijk twee verschillende zittingsdata vermeld. Nu alle belanghebbenden zijn verschenen op de zitting van 26 juni 2026 acht de kinderrechter een herstel van de eerdere beschikking niet meer nodig.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 juni 2026 en tot 15 juli 2026 en houdt het restant van het verzoek aan tot de behandeling van het reeds ingediende verzoek ondertoezichtstelling;

verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand