[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 18 juni 2025 om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het informatieverzoek was verstreken voordat eiser op 12 augustus 2025 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het informatieverzoek voldoet aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat het college na het instellen van het beroep op 13 augustus 2025 alsnog een besluit op de aanvraag heeft genomen. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Bij brief van 17 maart 2026 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd of hij het al dan niet eens is met de alsnog genomen beslissing van het college. Eiser heeft het beroep niet ingetrokken en bij brief van 24 maart 2026 aangegeven zich niet te kunnen vinden in het genomen besluit.
De rechtbank kan het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 13 augustus 2025 verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. Dat doet de rechtbank in soortgelijke gevallen steeds behoudens wanneer er geen nader onderzoek naar feiten en geen nadere uitwisseling en toelichting van standpunten meer nodig is.
Het college heeft bij brief van 17 juli 2026 aangegeven dat eiser op 22 augustus 2025 al bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 13 augustus 2025. Dit bezwaar is inhoudelijk in behandeling genomen maar dat heeft nog niet geresulteerd in een beslissing op bezwaar.
Het college geeft hierbij aan dat de bezwaarprocedure – op een besluit na – geheel doorlopen is en verzoekt de rechtbank om het beroep terug te verwijzen naar het college.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als (aanvullend) bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroep reeds in het bezit is van het college zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
De rechtbank ziet geen aanleiding eiser over het beroep te horen omdat hij niet heeft gesteld dat en waarom hij nog procesbelang zou hebben bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Een aanleiding om eiser te horen ziet de rechtbank ook niet in eisers wens om het beroep, voor zover het is gericht tegen het alsnog op zijn aanvraag genomen besluit inhoudelijk door de rechtbank te laten behandelen. Het zou de procedure onnodig kunnen compliceren als het college, zoals het kennelijk van plan is, alsnog een beslissing op het ook door eiser ingediende bezwaar neemt.
Overweging ten overvloede
4. Eiser verzoekt in de brief van 6 augustus 2026 onder meer om een afschrift van diverse stukken uit de bezwaarprocedure. De rechtbank beschikt thans niet over deze stukken zodat eiser die bij het college dient op te vragen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat eiser het beroep niet ten onrechte heeft ingesteld moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser (andere) proceskosten heeft gemaakt die volgens de wet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 7 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.