ECLI:NL:RBZWB:2026:7397

ECLI:NL:RBZWB:2026:7397

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 08-08-2026
Zaaknummer C/02/448753 / KG ZA 26-280
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Kort geding verdeling zomervakantie, vervangende toestemming inschrijving basisschool en vervangende toestemming vakantie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer / rolnummer: C/02/448753 / KG ZA 26-280

Vonnis in kort geding van 8 juli 2026

in de zaak van

[de vrouw]

hierna te noemen: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat: mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe,

tegen

[de man]

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. A. Houtman te Oirschot,

over de minderjarige

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie [plaats] , hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 23 juni 2026 betekende dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties, ontvangen op 29 juni 2026;

Op 1 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de zitting zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 23 september 2025 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de verzoeken van partijen tot vervangende toestemming worden afgewezen. Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen [minderjarige] in te schrijven bij [kinderdagverblijf] te [plaats] . Daarnaast hebben partijen afgesproken dat ieder van hen twee basisscholen zal voorstellen in de eigen woonplaats, waaruit de andere partij een keuze zal maken. [minderjarige] zal door partijen worden ingeschreven op beide gekozen scholen. Overeengekomen is voorts dat [minderjarige] naar de basisschool zal gaan in de woonplaats waar haar hoofdverblijf zal worden bepaald in de echtscheidingszaak.

Bij vonnis van 4 oktober 2024 en bij vonnis van 24 oktober 2024 is, voor zover thans van belang, bepaald dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] af te reizen naar Saudi-Arabië en om een paspoort voor [minderjarige] aan te vragen.

Bij beschikking van 11 december 2025 is, voor zover thans van belang, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens een (opbouw)schema, waarbij thans geldt dat er vanaf 2 maart 2026 de ene week sprake is van contact van vrijdag 12:00 uur tot zondag 17:00 uur en de week daarna van woensdag 17:00 uur tot vrijdag 12:00 uur. Tevens is er een verdeling gemaakt van het Suikerfeest, het Offerfeest en zijn de overige vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld tussen partijen.

[minderjarige] verblijft bij de vrouw.

3. Het geschil in conventie en reconventie

De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de islamitische [basisschool] te [plaats] ;

II. de zomervakantie tussen partijen te verdelen, door te bepalen dat [minderjarige] van zaterdag 11 juli 2026 tot en met zondag 19 juli 2026 17.00 uur bij de man verblijft, alsmede van zondag 2 augustus 17.00 uur tot en met zondag 16 augustus 2026 17.00 uur;

III. vervangende toestemming te verlenen voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige] , vanaf 19 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026 naar Tanger of Nador te Marokko vanaf een luchthaven te Nederland of België;

IV. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen alle kosten welke onder te tenuitvoerlegging vallen met daarbij de bepaling dat de proceskosten binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis moeten zijn voldaan, met veroordeling van gedaagde tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten indien gedaagde deze kosten niet heeft voldaan binnen de hierbij genoemde termijn.

Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het navolgende aangevoerd. Het is partijen in eerste instantie niet gelukt om te komen tot een verdeling van de zomervakantie. De hulpverlening die partijen daarbij zou ondersteunen, kan pas starten wanneer er geen (beroeps)procedures meer zijn. Door [hulpverlening] zal uiteindelijk worden ingezet op parallel solo ouderschap. Bij de verdeling van de vakantie is in de eerdere procedure reeds overwogen dat rekening moet worden gehouden met de leeftijd van [minderjarige] . Het heeft de voorkeur om kinderen met een jonge leeftijd het contact met de andere ouder niet al te lang te onthouden. De man heeft desondanks lange tijd vastgehouden aan een verdeling waarbij [minderjarige] drie weken achter elkaar bij de man zou verblijven in de zomervakantie, aansluitend aan de reguliere zorgregeling. Dit acht de vrouw niet in het belang van [minderjarige] . Inmiddels hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de door de vrouw voorgestelde verdeling van de zomervakantie.

Voorts is er tijdens een eerdere zitting tussen partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop een basisschool zouden worden gekozen voor [minderjarige] . Toch heeft de man de voorstellen van de vrouw afgewezen. De man heeft uiteindelijk alsnog voorwaardelijk zijn toestemming verleend aan de inschrijving van [minderjarige] op de islamitische basisschool. Aan de gestelde voorwaarden kan de vrouw echter niet voldoen. De vrouw doet weliswaar haar best om ervoor te zorgen dat zij [minderjarige] op de dagen dat zij de zorg voor [minderjarige] draagt zelf naar school te brengen, maar zij kan de man dit niet garanderen. Met haar werkgever probeert de vrouw te realiseren dat zij een extra dag kan thuiswerken, maar hierover bestaat nog geen zekerheid. Op de dag dat de vrouw niet thuis kan werken, zullen naar verwachting de zussen van de moeder [minderjarige] naar school brengen. Bovendien kunnen zich altijd onvoorziene omstandigheden voordoen. Dat de man [minderjarige] op die momenten naar school zal brengen, behoort evenmin tot de mogelijkheden. Daarvoor gaan partijen niet goed genoeg met elkaar om en zij zijn niet in staat om constructief met elkaar te communiceren. Dergelijke voorwaarden zullen tot onnodige discussies tussen partijen leiden.

Ook voor de beoogde vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Marokko in de periode van 19 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026, heeft de man geen onvoorwaardelijke toestemming verleend. De vrouw heeft de man de toestemmingsformulieren toegezonden, maar deze zijn door de man niet ondertekend. De vrouw is bereid om de vakantie te beperken tot terugkeer op uiterlijk 1 augustus 2026. Daarbij merkt de vrouw wel op dat het gaat om een vliegreis van slechts drie uur en dat de vader ook regelmatig met [minderjarige] naar Frankrijk rijdt. De vrouw zal, zodra zij de tickets heeft aangeschaft en een accommodatie heeft gereserveerd, de gegevens met de man delen. Hier beschikt de vrouw nog niet over.

De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de man bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor het geval vervangende toestemming wordt verleend voor een buitenlandse vakantie, daaraan de voorwaarde te verbinden dat de vrouw binnen 3 dagen na het te wijzen vonnis de boekingsgegevens dient te verstrekken alsook een afschrift van de (retour)tickets waaruit de verblijfsgegevens en ook de vluchtdagen en -tijden blijken. Bij gebreke waarvan er geen vervangende toestemming is of deze komt te vervallen.

II. de vrouw te veroordelen binnen 3 dagen na het te wijzen vonnis aan de man kenbaar te maken of zij het halen en brengen van [minderjarige] naar de basisschool zelf voor haar rekening kan en zal nemen bij gebreke waarvan zij het de man dient toe te staan het halen en brengen van en naar school voor zijn rekening te nemen voor zover dat voor de man mogelijk is en daar de zorgregeling op aan te passen.

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen in reconventie voert de man, samengevat, het navolgende aan. De vrouw heeft de man lange tijd omgang onthouden. Er waren verschillende procedures nodig om de man contact te laten hebben en houden met [minderjarige] . De vrouw heeft nu inmiddels de zoveelste procedure aanhangig gemaakt terwijl dit niet noodzakelijk is. De man heeft voorafgaand aan de procedure al ingestemd met de door de vrouw voorgestelde verdeling van de zomervakantie. De vrouw heeft nagelaten de voorzieningenrechter daaromtrent te informeren. De man kon aanvankelijk enkel de eerste drie weken vrij zijn bij zijn werkgever en heeft dat ook gecommuniceerd met de vrouw. De man heeft daarbij eerder aangegeven dat hij niet flexibel is voor wat betreft de vakanties. De man heeft wel gezocht naar oplossingen en heeft bij wijze van uitzondering een wijziging van zijn verlof kunnen realiseren bij zijn werkgever. De vrouw heeft daarentegen niet gezocht naar oplossingen of alternatieven.

Verder licht de man toe dat hij wel op de voorstellen van de vrouw voor de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool heeft gereageerd. De vrouw heeft zelf eerder betoogd dat de school op loopafstand van de woning van de moeder van de vrouw moest zijn gelegen. Dat is de islamitische basisschool niet. De man ging er dan ook vanuit dat de vrouw twee andere scholen zou voorstellen. De man heeft van de vrouw geen reële mogelijkheden gekregen. Desondanks heeft de man zich hierin geschikt om een procedure te voorkomen, maar is wel kritisch geweest en heeft de vrouw gevraagd hoe zij een en ander gaat regelen. Wanneer de moeder op de dinsdagen kan thuiswerken en voor de donderdagen eens in de twee weken realiseert dat een van haar zussen [minderjarige] naar school brengt, dan kan de man daarmee instemmen.

Hoewel de man in principe geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen vakantie van de vrouw, acht hij de periode niet wenselijk gelet op het wisselmoment. De man stemt wel in met de vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Tanger of Nador te Marokko, wanneer de vrouw uiterlijk op 1 augustus 2026 terug in Nederland is. De vrouw dient dan te worden verplicht om de (retour)tickets te overleggen en de verblijfsadressen te verstrekken. Wanneer de vrouw dit nalaat, dient de toestemming te komen vervallen. De man wenst geen herhaling van het verleden dat hij zelf een spoed kort geding moet starten om deze informatie te ontvangen.

De vrouw heeft nagelaten de voorzieningenrechter juist en volledig te informeren en deze procedure is nodeloos gestart. In de ogen van de man dient hieraan de consequentie te worden verbonden dat de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen bij hun vorderingen in conventie en in reconventie vast.

Door de Raad is tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De inschrijving op de beoogde basisschool acht de Raad passend. Het is daarbij, gelet op de onderlinge spanningen tussen de ouders, van belang dat de ouder bij wie [minderjarige] verblijft, verantwoordelijk is voor het halen en brengen van [minderjarige] van en naar school. Partijen dienen elkaar daar wel over te informeren, maar toestemming gaat te ver. Ten aanzien van de beoogde vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Marokko acht de Raad het passend dat de vrouw realiseert dat zijn uiterlijk op 1 augustus 2026 terugkeert in Nederland. Een dergelijke vakantie overkomt een kind en zij heeft tijd nodig om daarvan te herstellen om daarna een fijne tijd te hebben bij de man. Daarbij licht de Raad toe dat [minderjarige] beide ouders nodig heeft en dat zij samen in staat moeten zijn om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Op deze manier zal het voor de ouders, maar in ieder geval voor [minderjarige] niet vol te houden zijn. De Raad is blij te horen dat er een traject bij [hulpverlening] in de wacht staat. Dit traject is heel hard nodig. Daarbij lijkt het parallel solo ouderschap een goede keuze voor partijen. Dit betekent niet dat er helemaal geen communicatie tussen partijen meer is. Er zal gekeken moeten worden wat de minimale basis is, die er moet zijn voor de communicatie tussen partijen.

Verdeling van de zomervakantie 2026

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het inmiddels eens zijn geworden over de verdeling van de zomervakantie van 2026. Partijen hebben de zomervakantie van 2026 overeenkomstig de vordering van de vrouw verdeeld, inhoudende dat [minderjarige] bij de man verblijft van 11 juli 2026 17:00 uur tot en met vrijdag 19 juli 2026 17:00 uur. Vervolgens zal [minderjarige] bij de vrouw verblijven van 19 juli 2026 om 17:00 uur tot en met 2 augustus 2026 om 17:00 uur, waarna [minderjarige] van 2 augustus 2026 om 17:00 uur tot en met 16 augustus 2026 om 17:00 uur bij de man verblijft. Tot slot zal [minderjarige] van 16 augustus 2026 tot en met 23 augustus 2026 bij de vrouw verblijven.

Nu partijen het eens zijn over deze verdeling van de zomervakantie voor 2026 en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet, zal de voorzieningenrechter deze regeling als zodanig vastleggen. De wens van de man om dit de komende jaren anders te doen en de bevestiging die hij daarvan wenst van de vrouw, ligt aan de voorzieningenrechter niet voor. Hierover kan en zal de voorzieningenrechter dan ook geen beslissing nemen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen dit geschilpunt met de hulpverlening bespreken.

Vervangende toestemming inschrijving basisschool

Partijen zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit brengt onder meer met zich mee dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om [minderjarige] in te schrijven op een basisschool. Vaststaat dat de vrouw daarvoor aan de man om zijn toestemming heeft gevraagd, maar dat de man zijn toestemming niet (onvoorwaardelijk) heeft verleend. De voorzieningenrechter vindt het jammer dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool te realiseren. Eerder zijn partijen overeengekomen dat ieder van hen twee basisscholen zal voorstellen in de eigen woonplaats, waaruit de andere partij een keuze zal maken en dat [minderjarige] vervolgens naar de basisschool zal gaan in de woonplaats waar haar hoofdverblijf zal worden bepaald in de echtscheidingsprocedure. Dit heeft echter niet tot een daadwerkelijke inschrijving van [minderjarige] op een basisschool geleidt, hetgeen de voorzieningenrechter betreurt. Hoewel uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de man alsnog kan instemmen met de inschrijving van [minderjarige] op de door de vrouw voorgestelde islamitische basisschool, is deze instemming niet onvoorwaardelijk. Anders dan de man stelt, is daarmee de toestemming voor de inschrijving niet gegeven.

Nu er geen volledige overeenstemming is bereikt tussen partijen, zal de voorzieningenrechter een beslissing moeten nemen over de schoolkeuze voor [minderjarige] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het in het belang van [minderjarige] dat de inschrijving van [minderjarige] op een bassischool zo spoedig mogelijk zal worden gerealiseerd. Er dient geen twijfel te bestaan dat [minderjarige] vanaf het moment dat zij vier jaar wordt naar de basisschool kan gaan. Daarbij is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat de inschrijving van [minderjarige] op de islamitische bassischool indruist tegen de belangen van [minderjarige] . De man heeft bovendien geen bezwaren geuit tegen deze school op zich, maar aan zijn toestemming de voorwaarde gesteld dat de vrouw [minderjarige] zelf naar school brengt althans aangeeft wie [minderjarige] naar school zal brengen op de dag dat de vrouw hiertoe niet in de gelegenheid is of wel dat de vrouw de man toelaat om [minderjarige] op die dagen naar school te brengen. Met de Raad is de voorzieningenrechter in dat kader van oordeel dat het de verantwoordelijkheid is van de ouder bij wie [minderjarige] verblijft om ervoor zorg te dragen dat [minderjarige] tijdig naar school wordt gebracht. Op wat voor manier de vrouw dit realiseert op de dagen dat [minderjarige] bij haar is, is dan ook aan de vrouw. Daarbij heeft de vrouw tijdens de zitting voldoende inzicht gegeven in hoe zij dit naar alle waarschijnlijkheid zal gaan regelen.

Het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vordering in conventie van de vrouw wordt toegewezen. De (voorwaardelijke) vordering van de man in reconventie zal de voorzieningenrechter afwijzen.

Vervangende toestemming vakantie naar Marokko

Ook ten aanzien van de beoogde vakantie van de vrouw met [minderjarige] heeft de vrouw, vanwege het gezamenlijk gezag waarmee partijen over [minderjarige] zijn belast, de toestemming van de man nodig. Hiervoor staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens vast dat de vrouw aan de man om zijn toestemming heeft gevraagd, maar dat de man daarvoor zijn toestemming niet (onvoorwaardelijk) heeft verleend. Het is partijen hierover evenmin gelukt om de benodigde toestemmingsformulieren in onderling overleg te realiseren en dit maakt dat de vrouw voor de vakantie, ter vervanging van de toestemming van de man, de toestemming van de (voorzieningen)rechter nodig heeft.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in beginsel in het belang van het kind moet worden geacht dat hij of zij een vakantie kan doorbrengen met (één van) beide ouders. De voorzieningenrechter moet dit belang afwegen tegen de mogelijk aan die vakantie verbonden concrete veiligheidsrisico’s en beoordelen of er sprake is van zwaarwegende belangen die zich tegen de voorgenomen vakantie verzetten. Dergelijke concrete veiligheidsrisico’s of zwaarwegende belangen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de beoogde vakantie van de vrouw met de minderjarige onvoldoende gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter bovendien in aanmerking dat de man in beginsel geen bezwaar heeft tegen de beoogde vakantie van de vrouw naar Marokko.

De voorzieningenrechter zal daarom ook deze vordering in conventie van de vrouw toewijzen en aan de vrouw vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Tanger of Nador te Marokko vanaf een luchthaven te Nederland of België. De voorzieningenrechter zal die periode wel beperken van 19 juli 2026 tot en met 1 augustus 2026. De beoogde terugreis zal de nodige impact op [minderjarige] hebben en zij heeft tijd nodig om daarvan te herstellen. Wanneer de overdracht van de vrouw naar de man ook op diezelfde dag zal plaatsvinden, zal dat erg veel zijn voor een jong meisjes als [minderjarige] . Dit acht de voorzieningenrechter niet in haar belang. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vrouw zich tijdens de zitting bereid heeft verklaard om de reis te beperken tot 1 augustus 2026.

De (voorwaardelijke) vordering van de man in reconventie zal de voorzieningenrechter afwijzen. Het verlenen van vervangende toestemming onder opschortende voorwaarden, zal mogelijk tot onduidelijkheid leiden bij de douane, hetgeen in het belang van [minderjarige] moet worden voorkomen. Wel gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat vrouw de verzochte informatie aan de man verstrekt, zoals de vrouw tijdens de zitting heeft toegezegd. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vrouw de man hieromtrent volledig informeert. De man heeft immers het recht om te weten waar [minderjarige] verblijft.

Proceskosten

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet daarbij geen aanleiding om af te wijken van het in familierechtelijke procedures geldende uitgangspunt, zoals door partijen in hun vorderingen in conventie en in reconventie is verzocht.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

stelt vast, in het kader van de verdeling van zomervakantie 2026, dat:

- [minderjarige] bij de man verblijft van zaterdag 11 juli 2026 tot en met zondag 19 juli 2026 17.00 uur, alsmede van zondag 2 augustus 17.00 uur tot en met zondag 16 augustus 2026 17.00 uur,

en dat

- [minderjarige] bij de vrouw verblijft van zondag 19 juli 2026 om 17:00 uur tot en met zondag 2 augustus 2026 17:00 uur, alsmede van zondag 16 augustus 2026 17:00 uur tot en met zondag 23 augustus 2026 17:00 uur;

verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Tanger of Nador te Marokko vanaf een luchthaven te Nederland of België in de periode van 19 juli 2026 tot en met 1 augustus 2026;

verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om [minderjarige] in te schrijven op de islamitische [basisschool] te [plaats] ;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Phillips, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Palings

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand