RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450080 / JE RK 26-1204
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 6 februari 2026 is [minderjarige] met spoed en zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Ook heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 februari 2026 en tot 20 februari 2026. Deze maatregelen zijn daarna verlengd bij beschikking van 9 februari 2026 met ingang van 20 februari 2026 en tot 6 mei 2026.
Bij beschikking van 1 mei 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 mei 2027. Hiernaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 1 mei 2026 en tot 1 november 2026.
[minderjarige] verblijft bij de moeder.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 1 mei 2026 is er een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] binnen een pleeggezin uitgesproken. Vanaf dit moment is zorgvuldig op zoek gegaan naar een passende plaatsing. Na enige periode bleek er een gezin beschikbaar te zijn. Door middel van verschillende overleggen, kennismaking en een wenperiode is getracht om de overgang voor [minderjarige] zo soepel en prettig mogelijk te laten verlopen. Helaas hebben de pleegouders die zich beschikbaar hadden gesteld, zich drie dagen voor de plaatsing teruggetrokken. [minderjarige] zou hier volgens de planning per 10 juli 2026 definitief gaan verblijven.
In de tussentijd is de thuissituatie onhoudbaar geworden. De draagkracht en de draaglast bij de moeder is dermate ernstig uit balans, dat zij aangeeft dat [minderjarige] echt weg moet, voordat er ongelukken gebeuren. De moeder is ernstig overbelast en kan het niet meer overzien. Wonen bij de vader is geen optie die op dit moment voldoende is onderzocht. Wel kan [minderjarige] vanaf 8 juli 2026 terecht bij een gezinshuis. Hiervoor is echter een andere machtiging nodig.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige], omdat [minderjarige] niet meer bij de moeder kan verblijven en er geen pleeggezin meer beschikbaar is voor hem. [minderjarige] moet per direct bij het gezinshuis geplaatst worden dat voor hem beschikbaar is. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden.
De GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder vermelde zitting. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 8 juli 2026 en tot 22 juli 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de moeder en de vader op voor de zitting van mr. Borm op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de GI, de moeder en de vader voor de zitting van [datum] 2026 om [uur].
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.