RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer / rolnummer: C/02/448750 / KG ZA 26-279
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. W. de Deugd te Dordrecht,
tegen
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 10 juni 2026 betekende dagvaarding met producties;
- de brief van mr. Gulickx van 29 juni 2026 met bijlagen.
Op 1 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is, onder meer, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw en dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
in de oneven weekenden van zaterdag 14.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij uitbreiding mogelijk is als [minderjarige] daar behoefte aan heeft;
tijdens de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg door partijen te regelen en daarbij rekening houdend met hun werkroosters
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
3. De vorderingen
De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om te bepalen dat:
I. vervangende toestemming wordt verleend voor jeugdhulp aan [minderjarige] via [jeugdorganisatie] inzake het MDFT-traject;
II. de man wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, begroot op € 1.144, zijnde de aan de vrouw opgelegde eigen bijdrage en het verschuldigde (verlaagde) griffierecht.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het navolgende aangevoerd. Het gaat niet goed met [minderjarige] en daarvoor is dringend hulpverlening nodig. In het verleden is [minderjarige] aangemeld voor verschillende hulpverleningstrajecten. Deze trajecten kwamen telkens moeilijk van de grond en konden uiteindelijk niet starten, omdat de man daar — op verschillende momenten en op verschillende manieren — zijn toestemming niet voor heeft verleend. De vrouw ervaart daarbij dat de man ogenschijnlijk lijkt te willen meewerken, maar dat iedere stap leidt tot discussie en verzet. Al voor de zitting in de echtscheidingsprocedure is er door de gemeente een beschikking afgegeven voor de inzet van een MDFT-traject bij [jeugdorganisatie]. Tijdens de zitting in het kader van de echtscheidingsprocedure heeft de man, nadat de Raad had aangegeven dat het noodzakelijk was dat de man zijn toestemming zou verlenen, alsnog de benodigde formulieren ondertekend. Naar aanleiding daarvan heeft er een intake plaatsgevonden bij [jeugdorganisatie]. Vervolgens diende de man zijn toestemming te verlenen voor de financiering en het arrangement laagcomplexe jeugdhulp 2026 bij [jeugdorganisatie] om de vereiste hulpverlening daadwerkelijk te laten starten. De man heeft dit echter geweigerd en hierdoor is het MDFT-traject opnieuw stil komen te liggen. Aan de man zijn genoeg mogelijkheden geboden om betrokken te raken en meer informatie te vergaren over dit traject. De man komt bovendien zelf niet met een andere vorm van hulpverlening voor [minderjarige] , waar de man wel achter kan staan. Inmiddels zijn er hierdoor wederom maanden verstreken en er is nog steeds geen hulpverlening opgestart voor [minderjarige] , terwijl deze hulp wel enorm nodig is. Zodra de toestemming is gerealiseerd, kan het MDFT-traject starten. De zussen van [minderjarige] mogen zelf bepalen of zij deel willen uitmaken van dit traject. De afgelopen weken zijn er gesprekken geweest tussen het CJG, [minderjarige] en zijn zussen. Door het CJG is besloten dat de casus van het gezin zal worden besproken aan de veiligheidstafel waarbij ook de Raad aanwezig is. Een proceskostenveroordeling van de man is op zijn plaats. De man maakt misbruik van zijn recht. De man is ervan op de hoogte dat er grote zorgen zijn omtrent [minderjarige] en de rechtbank heeft eerder het belang benadrukt om volledig mee te werken aan het traject. Desondanks weigert de man (nadere) toestemming te verlenen. De man heeft eerder wel zijn toestemming gegeven en de vrouw mocht erop vertrouwen dat die toestemming zou blijven bestaan en dat het MDFT-traject voor [minderjarige] zou kunnen worden gestart.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
Ter onderbouwing van zijn verweer voert de man, samengevat, het navolgende aan. De man staat niet achter het MDFT-traject. De man erkent dat [minderjarige] hulp nodig heeft. De hulp moet echter wel passend zijn. Het MDFT-traject is dit niet. De man is nu zelf druk bezig om passende hulpverlening te vinden. Vanuit de zijde van de vrouw wordt geen informatie gedeeld en de man wordt in de afspraken door de vrouw niet gezien en gehoord als ouder. Hierdoor bestaat er geen basis voor gezinstherapie. Ook de zussen van [minderjarige] hebben bij de man aangegeven geen interesse te hebben en [minderjarige] wenst zelf te kunnen beslissen of hij met het traject wil stoppen. Vanuit de man is er geen basis om het MDFT-traject te steunen en hij heeft ook niet de financiële middelen om op de locatie aanwezig te zijn. De man vindt dat het MDFT-traject bij [jeugdorganisatie] achter zijn rug om is geregeld. De man probeert al lange tijd om meer informatie te verkrijgen vanuit [jeugdorganisatie]. Ondanks dat de man toen aangaf dat hij meer informatie wilde ontvangen en niet was geïnformeerd, is er tijdens de echtscheidingsprocedure stevig op de man ingepraat om hem ertoe te bewegen zijn toestemming te geven. De man voelde zich hierdoor gedwongen om zijn toestemming te verlenen. Daarbij is er nooit eerder gesproken over de noodzaak van een tweede handtekening. Onlangs heeft de man wel een positief gesprek gehad met het CJG. Bovendien gaat het met [minderjarige] op het moment goed en is zijn situatie verbeterd. [minderjarige] heeft een NAC-traject gevolgd en dit heeft hem goed gedaan. De man heeft als gezaghebbende ouder medezeggenschap over de inzet van de hulpverlening voor [minderjarige] en doet daarin wat voor [minderjarige] nodig is. Dit rechtvaardigt niet een proceskostenveroordeling.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen vast. Het beoogde hulpverleningstraject voor [minderjarige] zou in beginsel in juni 2026 aanvangen, maar heeft tot op heden niet kunnen starten, omdat de man zijn toestemming hiervoor weigert. De spoedeisendheid van deze vordering is bovendien door of namens de man niet betwist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat tot een inhoudelijke beoordeling van deze vordering kan worden overgegaan.
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om de vervangende toestemming voor het MDFT-traject bij [jeugdorganisatie] te verlenen. Met het MDFT-traject zal zowel worden ingezet op systeemgesprekken als op individuele gesprekken met alle betrokkenen. Iedereen krijgt binnen dit traject hulpverlening op maat. Ondanks dat de man hier wellicht zijn medewerking niet aan zal verlenen, heeft het CJG aangegeven dat zij voldoende aanknopingspunten zien om met de vervangende toestemming van de voorzieningenrechter alsnog te starten met het MDFT-traject en daarmee goede resultaten voor [minderjarige] te kunnen behalen. De vrouw heeft immers de grootste rol in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Toch zou de Raad graag zien dat de man ook meewerkt aan het MDFT-traject. Het MDFT-traject vraagt in beginsel namelijk een actieve betrokkenheid van beide ouders. Het is immers ook de scheidingsproblematiek en de oudercommunicatie waar [minderjarige] last van heeft. Binnen het traject kan er aan beeldvorming worden gedaan om te bezien of er voldoende draagvlak kan worden gecreëerd voor de man om mee te werken aan dit traject. Binnen het verdere proces, waarbij de Raad betrokken wordt, zal gekeken moeten worden of dit toereikend is. De Raad heeft nog geen interventiegesprek gepland. Het CJG is eerst gevraagd om de veiligheidskaart nader aan te vullen en te concretiseren. De Raad roept partijen op om te zorgen voor transparantie binnen het hulpverleningstraject. Het is belangrijk dat partijen met de hulpverlening en het CJG in gesprek gaan en om te zorgen dat alle informatie bij iedereen bekend is.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit houdt onder meer in dat zij beiden hun toestemming moeten verlenen voor bijvoorbeeld de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] . Voor de voorzieningenrechter staat vast dat [minderjarige] al langere tijd hulp nodig heeft. De inzet van het beoogde MDFT-traject is tijdens de zitting in het kader van de echtscheidingsprocedure reeds uitvoering met partijen besproken en tijdens een schorsing van die zitting heeft de man destijds zijn toestemming verleend voor dit traject. Later is gebleken dat dit toestemmingsformulier enkel zag op het intakegesprek dat heeft plaatsgevonden. Voor het starten van het daadwerkelijke hulpverleningstraject is aanvullende toestemming van alle betrokkenen nodig, hetgeen de man heeft geweigerd. Hierdoor is het MDFT-traject voor [minderjarige] nog immer niet van de grond gekomen.
Net als de rechtbank eerder heeft gedaan, onderschrijft ook de voorzieningenrechter, met de Raad, nog altijd de noodzaak van het MDFT-traject bij [jeugdorganisatie] voor [minderjarige] . De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat er voor hem passende hulp wordt gerealiseerd. Dat de man in de totstandkoming van dit traject mogelijk onvoldoende gekend is geweest, verdient wellicht niet de schoonheidsprijs, maar maakt niet dat deze hulpverlening in zijn geheel niet passend kan worden geacht en dat de noodzaak daarvan is komen te vervallen. Van de man mag in dat kader worden verwacht dat hij zich laat adviseren door de betrokken professionals en dat hij zich daar in het belang van [minderjarige] tot op zekere hoogte naar schikt. Bovendien heeft de man tijdens de zitting erkend dat [minderjarige] hulp nodig heeft. De man heeft daarbij niet aangegeven welke andere vorm van hulpverlening hij voor [minderjarige] wel passend acht. De man concretiseert het door hem gewenste hulpverleningstraject voor [minderjarige] niet en er is geen zicht op wanneer een dergelijk hulpverleningstraject eventueel zou kunnen starten. Hoewel de man wellicht zijn medewerking niet zal verlenen aan het MDFT-traject waardoor dan mogelijk niet het meest optimale resultaat kan worden behaald, is de inschatting dat dit traject voor [minderjarige] alsnog van meerwaarde en helpend zal zijn. Met de Raad is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat er wordt gestart met het MDFT-traject bij [jeugdorganisatie].
De voorzieningenrechter zal daarom de vordering van de vrouw toewijzen en de vervangende toestemming – ter vervanging van de toestemming van de man – verlenen. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter, net als de Raad, dat het van groot belang is dat partijen elkaar over en weer adequaat en volledig informeren over dit hulpverleningstraject en andere belangrijke aangelegenheden betreffende [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat er transparantie ontstaat in de communicatie tussen de ouders en de hulpverlening, zodat beide ouders op de hoogte zijn van hetgeen er rondom [minderjarige] speelt. In dat kader hoopt de voorzieningenrechter dat er door de start van de hulpverlening en het contact over dit hulpverleningstraject wellicht toch enige vorm van draagvlak bij de man kan ontstaan, waardoor de man mogelijk later alsnog kan aanhaken bij dit hulpverleningstraject. Dat acht de voorzieningenrechter immers het meest in het belang van [minderjarige] .
De voorzieningenrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan en omdat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
In afwijking van de gebruikelijke proceskostenveroordeling in familierechtelijke zaken ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in de onderhavige zaak de man in de proceskosten te veroordelen. Tijdens de zitting die heeft plaatsgevonden in het kader van de echtscheidingsprocedure, is er reeds uitgebreid gesproken over de wens en de noodzaak tot het inzetten van het MDFT-traject voor [minderjarige] bij [jeugdorganisatie]. De man heeft tijdens een schorsing van die zitting alsnog zijn toestemming verleend voor dit traject. Toen vervolgens bleek dat deze toestemming enkel was voor het intakegesprek en dat er aanvullend toestemming moest worden verleend voor de start van de daadwerkelijke hulpverlening, heeft de man (ondanks herhaaldelijk verzoek van de zijde van de vrouw) opnieuw zijn toestemming onthouden. Dit heeft ertoe geleidt dat [minderjarige] nog immer in afwachting is van de start van passende hulpverlening. Nu de man eerder met dit MDFT-traject heeft ingestemd, is voor de weigering van de man geen gegronde reden gebleken. Bovendien heeft de man ook nimmer zelf een andere vorm van passende hulpverlening of een andere organisatie aangedragen. Door de houding van de man heeft [minderjarige] nog altijd niet kunnen starten met de voor hem noodzakelijke hulpverlening en dit vindt de voorzieningenrechter kwalijk. Om deze reden acht de voorzieningenrechter een proceskostenveroordeling op zijn plaats.
De man zal gelet op het voorgaande in de proceskosten worden veroordeeld, bestaande uit:
- dagvaarding: €153,02;
- griffierechter: € 93,00;
- salaris advocaat € 1.051,00;
Totaal: € 1.297,02
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming voor deelname aan een hulpverleningstraject arrangement laagcomplexe jeugdhulp 2026 voor [minderjarige] , te weten de inzet van het MDFT-traject bij [jeugdorganisatie] voor [minderjarige] ;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op: € 1.297,02;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Phillips, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.