ECLI:NL:RBZWB:2026:7426

ECLI:NL:RBZWB:2026:7426

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 09-08-2026
Zaaknummer C/02/448497 / FA RK 26-2657
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Voorlopige voorziening m.b.t. partneralimentatie. Geen verdiencapaciteit aangenomen.

Uitspraak

2. Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 2.599,= per maand.

3. De beoordeling

Ter onderbouwing van haar verzoek tot vaststelling van een bedrag ter zake partneralimentatie stelt de vrouw dat zij tot voor kort samen met de man een onderneming heeft gehad, [bedrijf] V.O.F. (hierna VOF). De vrouw ontvangt momenteel geen inkomen uit deze onderneming (meer) en moet lenen bij derden om boodschappen te kunnen doen. De vrouw wordt de toegang tot het bedrijf ontzegd.

De man voert hiertegen gemotiveerd verweer. Bij gebrek aan wetenschap betwist de man dat de vrouw geen inkomsten heeft en bij derden moet lenen voor de boodschappen. Hij drijft sinds oktober 2025 de VOF feitelijk alleen, nu voortzetting van de werkzaamheden door de vrouw niet langer mogelijk bleek vanwege de spanningen en escalaties tussen partijen. De vrouw weigert zich evenwel uit te laten schrijven als vennoot. Het ligt op haar weg om eigen inkomsten te verwerven.

De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige onderhoudsbijdrage in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om een bijdrage voor de duur van de echtscheidingsprocedure en waarbij de rechtbank dient uit te gaan van de huidige situatie. In deze procedure is dan ook geen plaats voor een diepgaand onderzoek naar de totale financiële situatie van partijen. Een dergelijk onderzoek kan eventueel in de latere bodemprocedure plaatsvinden.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële

draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn

neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Huwelijksgerelateerde behoefte

Bij de berekening van de partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk

bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de

zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Voor de vaststelling van die

huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. De hofnorm gaat

ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen

nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met

elkaar kunnen delen.

Voor het becijferen van de huwelijksgerelateerde behoefte sluiten beide partijen aan

bij die genoemde hofnorm, zodat ook de rechtbank hierbij aansluit. Zeker nu het ook om een

ordemaatregel gaat.

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het in deze procedure erover eens zijn dat de financiële gegevens van 2025 daarvoor als uitgangspunt kunnen worden genomen en

dat de namens de man ingediende berekening kan worden gevolgd, waaruit een netto

besteedbaar inkomen van ieder van partijen volgt van € 2.299,= per maand (gebaseerd op

een winst uit onderneming van € 28.798,=/ € 28.795,= per persoon per jaar). Dit leidt tot een

netto besteedbaar gezinsinkomen van € 4.598,= per maand.

Tussen partijen bestaat een verschil van mening over of dit netto besteedbaar

gezinsinkomen gecorrigeerd moet worden, in die zin dat daar in mindering op strekken de

kosten van [kind], één kinderen van partijen. Vast staat dat [kind] in 2025 jongmeerderjarig was. Tijdens de zitting is verder komen vast te staan dat partijen € 420,= per maand aan totale kosten (ziektekosten premie en collegegeld) van [kind] betaalden toen zij nog samenleefden. Deze kosten zijn daarmee toen ten laste gekomen van het totale gezinsinkomen. De rechtbank volgt de man dan ook in zijn stelling en zal voornoemd bedrag in correctie brengen op het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het feit dat, zoals de vrouw heeft betoogd, het collegegeld in de toekomst niet meer wordt betaald, nu [kind] in de afrondende fase van haar studie zit, is in het kader van de behoeftebepaling niet relevant. Daaraan zal worden voorbij gegaan.

Rekening houdend met deze kosten bedraagt het relevante netto besteedbaar gezinsinkomen (€ 4.598 - € 420) € 4.178,= per maand. Het aandeel van de vrouw in dit netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt de helft, te weten afgerond € 2.089,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld. Dit leidt ertoe dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan worden becijferd op afgerond € 2.507,= netto per maand, conform de door de man als productie 5 ingediende berekening, die de vrouw op dat onderdeel onweersproken heeft gelaten. De rechtbank zal daarvan uit gaan.

Aanvullende behoefte

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zich deze inkomsten in redelijkheid niet kan verwerven.

De vrouw stelt dat zij op dit moment geen inkomen heeft. Vier jaar geleden heeft zij een herseninfarct gehad. Zij was blij dat ze daarna kon werken in de onderneming van partijen, maar aan haar is nu de toegang tot dit bedrijf ontzegd. Ze ontvangt geen inkomsten meer uit deze VOF. Van haar kan verder niet worden verwacht dat ze nu al ander werk heeft/gaat zoeken en een inkomen genereert waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft, nu het op haar weg ligt om inkomsten te verwerven. Dit heeft de man de vrouw ook al meermaals voorgehouden. Al vanaf oktober 2025 werkt zij niet. Zij heeft ruimschoots de tijd gehad om een baan te zoeken; zij is gezond is en wordt in staat geacht inkomen te kunnen verwerven.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, en tijdens de zitting aan partijen is voorgehouden, heeft deze voorlopige vaststelling van partneralimentatie het karakter van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen. Vaststaat dat de vrouw op dit moment geen inkomsten uit arbeid genereert en geen uitkering ontvangt. Dat betekent dat de rechtbank nu geen rekening houdt met eigen inkomen danwel een eventuele verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw, zoals de man stelt. De rechtbank gaat nu uit van een (aanvullende) behoefte van de vrouw van € 2.507,= netto per maand.

Draagkracht van de man

Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw (van € 2.507,= netto per maand) te voorzien.

De vrouw stelt dat bij de berekening van de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van de totale winst van de onderneming in 2025. Het aandeel dat de vrouw altijd in de winst heeft gehad, komt nu geheel ten goede aan de man; de vrouw krijgt immers niets meer betaald. Volgens de vrouw blijkt verder nergens uit dat die winst nu ook niet kan worden gerealiseerd.

De man is van mening dat bij de berekening van zijn draagkracht uit moet worden gegaan van een winst uit onderneming van € 28.798,=, zijnde de helft van de totale winst van 2025. Het is onredelijk om de winst uit onderneming te stellen op een gedrag gelijk aan de gezamenlijke winst van partijen in eerdere jaren. Doordat de vrouw

geen ondersteunende administratieve werkzaamheden verricht, is de man genoodzaakt om hiervoor een gekwalificeerde medewerker aan te trekken, waardoor de onderneming personeelskosten zal moeten maken met een lagere winst tot gevolg. Daarbij is de man door de huidige situatie niet in staat de werkzaamheden uit te voeren zoals hij vroeger deed, met ook als gevolg dat de winst lager is.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft de concept aangifte IB 2025 in het geding gebracht. Verder beschikt de rechtbank over de aangifte IB 2024 en de jaarrekening 2025, zoals deze door de vrouw in het geding zijn gebracht. Zoals hiervoor is overwogen geldt ook hier het uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van de actuele (financiële) situatie, in dit geval dus van de man. De rechtbank beschikt evenwel niet over voorlopige cijfers over 2026, die de stellingen van de man onderbouwen. De rechtbank heeft daardoor geen inzicht in de huidige omzet van de onderneming èn de kosten, en daarmee is er geen onderbouwing van de stelling dat de onderneming op dit moment minder goed draait danwel dat de winst lager is. Het enkele feit dat de vrouw op dit moment niet werkzaam is in de onderneming, betekent naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet per definitie dat het resultaat van de onderneming wordt aangetast. Temeer nu de man tijdens de zitting heeft verklaard dat de vrouw zich alleen bezighield met de administratie en dus niet met de werkzaamheden die (direct) omzet genereerden. Dat de man op dit moment wellicht minder goed in staat is te werken/omzet te realiseren acht de rechtbank invoelbaar, maar gelet op de betwisting van de stellingen van de man door de vrouw en het ontbreken van verdere onderbouwing van dit standpunt, gaat de rechtbank ook daaraan voorbij. Het ligt immers op de weg van de man om zijn standpunt ook op dit onderdeel nader te onderbouwen. Dit betekent dat de rechtbank, bij gebreke aan andere financiële gegevens, zal uitgaan van de jaarcijfers van 2025, waaruit een fiscale winst volgt van € 57.593,= per jaar. Net als partijen houdt de rechtbank daarbij rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.

De rechtbank gaat aldus uit van een hogere winst uit onderneming dan dat de man in zijn berekening heeft gedaan. Voor die situatie geldt dat de man, zoals hij tijdens de zitting heeft bevestigd, van mening is dat in dat geval kan worden uitgegaan van het woonbudget. Ook de vrouw heeft aangegeven dat in deze situatie uit kan worden gegaan van het woonbudget. De rechtbank zal derhalve het woonbudget in aanmerking nemen.

De man stelt zich tot slot op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met extra maandlasten van totaal € 1.111,72, bestaande uit zijn aandeel in de hypotheekrente van € 339,66, de gemeentebelasting van € 82,97, een aflossing op de schuld bij CZ van € 100,=, aflossingen op schulden bij de Belastingdienst van in totaal € 169,=, het collegegeld voor [kind] van € 206,10 en de CZ premie voor [kind] van € 159,99 per maand.

De vrouw geeft aan dat geen rekening moet worden gehouden met deze extra lasten. Hoewel de schulden waarschijnlijk wel zullen bestaan, worden ze nu ineens aan de orde gesteld. De vrouw vraagt zich af waarom ze niet eerder zijn betaald. Voor het collegegeld van [kind] geldt dat zij nu examen doet, zodat de inning/betaling van het collegegeld is afgelopen. Daar dient dus geen rekening mee te worden gehouden.

Ten aanzien van de hypotheekrente en de gemeentebelasting is de rechtbank van oordeel dat deze lasten (naast de huur) uit het totale woonbudget danwel uit de vrije ruimte dienen/kunnen worden voldaan, zodat de rechtbank dit niet als extra last zal meenemen. Ten aanzien van de aflossing op schulden overweegt de rechtbank dat op grond van geldende rechtspraak alle huwelijkse schulden van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Mede gelet op de door de man in het geding gebracht stukken zijn de door de man gestelde schulden (inclusief aflossingen op dit moment) voldoende komen vast te staan en vloeit uit deze stukken ook voort dat deze schulden betrekking hebben op de huwelijkse periode. De rechtbank zal daarom rekening houden met een bedrag van in totaal

€ 269,= per maand aan aflossingen (€ 100,= schuld CZ + € 169,= schulden Belastingdienst). Tot slot houdt de rechtbank rekening met de CZ premie die de man voor [kind] betaalt, nu niet in geschil is dat de man deze blijft betalen. De stelling van de vrouw dat [kind] nu examen doet, zodat de inning van collegegeld is afgelopen, is onweersproken gebleven zodat de rechtbank daar geen rekening mee houdt. Dat betekent dat de rechtbank rekening houdt met extra lasten van in totaal € 429,= per maand.

Aan de hand van voorgaande uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 3.682,= per maand. De man heeft dan een draagkracht van € 470,= netto per maand om te voldoen in de kosten van de vrouw, oftewel € 752,= bruto per maand. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw volledig aan de vrouw toegerekend. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.

Ingangsdatum

De vrouw verzoekt als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift. Dit is onweersproken. Gelet hierop zal de rechtbank de ingangsdatum bepalen op 26 mei 2026.

Aanhechten berekening

De rechtbank heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gescand exemplaar van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

Tot slot

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.

4. De beslissing

De rechtbank

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf 26 mei 2026 aan de vrouw voorlopig voor levensonderhoud, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 752,= (zevenhonderdtweeënvijftig euro) per maand;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van Egeraat

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand