3. Het geschil
De man verzoekt bij wege voorlopige voorzieningen en dus voor de duur van het echtscheidingsgeding:
I. De (zorg voor de) kinderen van partijen aan de man toe te vertrouwen;
II. Te bepalen dat de contacten tussen de vrouw en de kinderen zullen worden vastgesteld
en uitgevoerd onder regie van de GI (Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering);
III. Te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd zal zijn tot het gebruik van
de echtelijke woning en het de vrouw te verbieden de woning niet meer te betreden;
IV. De proceskosten van partijen te compenseren zodat ieder der partijen zijn/haar eigen
kosten draagt.
De vrouw voert verweer en verzoekt de punten I, III, IV, toe te wijzen en II af te wijzen met het zelfstandig verzoek dat de vrouw de kinderen in onderling overleg bij de man
thuis kan bezoeken dan wel een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te
behoren.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht;
Omdat partijen de Hongaarse nationaliteit bezitten en in de Oekraïne zijn gehuwd heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling;
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van piketmediation door mevrouw [persoon 1] .
Toevertrouwing;
De man heeft verzocht de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen omdat dit in overeenstemming is met de feitelijke situatie en de vrouw hiertegen geen verweer voert en verder niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Gebruik woning;
Het verzoek van de man tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal, omdat de vrouw daartegen geen voert, als onweersproken op onderstaande wijze worden toegewezen.
De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
De vrouw stelt – samengevat en voor zover van belang – dat zij niet tevreden is met de huidige begeleide zorgregeling van één uur per week die momenteel plaatsvindt bij [psychiatrisch ziekenhuis] . Zij vindt dit te weinig. De vrouw is ook niet tevreden over de GI en dit ziet dan met name op de jeugdbeschermer mevrouw [persoon 2]. De vrouw wenst wanneer zij dat wil de minderjarigen kunnen bezoeken bij de man thuis. De man heeft volgens de vrouw aangegeven dat hij daarvoor open staat. Tot slot heeft de vrouw verklaard dat zij gezond is en geen medicijnen nodig heeft.
De man verzoekt te bepalen dat de contacten tussen de vrouw en de minderjarigen zullen worden vastgesteld en uitgevoerd onder regie van de GI. De man acht het van belang dat er contact is tussen de vrouw en de minderjarigen, maar deze omgang moet wel veilig zijn. De man heeft ter zitting aanvullend verklaard dat hij meer informatie wenst over de gezondheidstoestand van de vrouw. Hij hoopt dat het goed met haar gaat en dat partijen in de toekomst beter met elkaar kunnen communiceren.
De rechtbank merkt op voorhand op dat het bij voorlopige voorzieningen als de onderhavige gaat om een ordemaatregel voor de duur van de echtscheidingsprocedure, in een korte procedure worden in een acute conflictsituatie snel knopen doorgehakt, waarbij het er in de eerste plaats om gaat dat recht wordt gedaan aan die acute feitelijke situatie. Dat betekent ook dat in een dergelijke procedure geen plaats is voor meer dan een globale beoordeling; een diepgravend onderzoek is niet mogelijk, dat dient in de bodemprocedure plaats te vinden.
De rechtbank verwijst naar voornoemde beschikking van de kinderrechter van 10 april 2026 waarin in rechtsoverweging 5.5. het volgende overwogen:
“5.5. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er grote
zorgen zijn over de kinderen. De moeder was in verband met de zorgen met [minderjarige 2] in een
moederkindhuis geplaatst, terwijl [minderjarige 1] bij de vader verbleef. Ook met deze constructie
werden de zorgen niet minder. Te zien was onder andere dat de moeder niet voldoende
structuur en regelmaat aan de kinderen kon bieden. [minderjarige 2] groeide niet goed, het was
onbekend hoe vaak ze voeding aangeboden kreeg door de moeder, de moeder hield zich niet
aan de afspraken, was onvoorspelbaar en ze belaste de kinderen met negatieve uitspraken
over de vader. Ondanks dat de moeder zegt dat ze niet agressief is, heeft de kinderrechter
gelezen dat de moeder agressief gedrag vertoonde in het moederkindhuis waar [minderjarige 2] bij
was. Dit baart haar ernstig zorgen, te meer omdat de moeder de adviezen die ze vanuit het
moederkindhuis kreeg niet oppakte en de verantwoordelijkheid buiten zichzelf legde.
Gezien de bovenstaande zorgen vindt de kinderrechter een uithuisplaatsing bij de vader
passend. Gebleken is dat de kinderen hier tot nu toe rust vinden en dat de vader de zorg voor
de kinderen goed oppakt en aankan. De kinderrechter zal het reguliere verzoek
uithuisplaatsing met ingang van 15 april 2026 voor zes maanden toewijzen, onder
aanhouding van het restant. Op deze manier kan ze een vinger aan de pols houden, omdat er
nog veel onduidelijkheid is over de (opvoedsituatie van) ouders en er veel moet gebeuren
om de situatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verbeteren. Ze vindt het hierbij wel belangrijk
dat er zo snel als mogelijk begeleid contact komt tussen de moeder en de kinderen. Dit moet
echter wel veilig kunnen plaatsvinden. Ondanks dat is gebleken dat het goed gaat met de
kinderen bij de vader, moet de vader waar nodig ondersteund worden in de opvoeding. Tot
slot vindt de kinderrechter het belangrijk dat beide ouders een goede samenwerking hebben
met de GI en dat ze meewerken aan hulpverlening. De GI wordt verzocht uiterlijk twee
weken voor de nadere zitting te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en
uithuisplaatsing en haar standpunt kenbaar te maken over het resterende deel van het
verzoek.”
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen die werden blootgesteld aan de strijd die de ouders onderling voeren, waarbij er sprake is geweest van huiselijk geweld van de vrouw richting de man. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen (onbegeleide) omgang kan plaatsvinden in de echtelijke woning zoals door de vrouw is verzocht. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor door de kinderrechter is overwogen en gelet op de psychische gesteldheid van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat omgang tussen de vrouw en de minderjarigen voorlopig begeleid dient plaats te vinden. De rechtbank zal overeenkomstig het advies van de Raad ter zitting bepalen dat het contact tussen de vrouw en de minderjarigen voorlopig dient plaats te vinden onder regie van de GI. Verder is gebleken dat er bij partijen behoefte bestaat aan de verbetering van de onderlinge communicatie. Door de GI is ter zitting verklaard dat hiervoor hulpverlening zal worden ingezet in de vorm van ouderschapsbemiddeling of SCHIP-therapie.
Proceskosten;
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Directe werking;
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] en beveelt de vrouw die woning verder niet te betreden;
bepaalt dat aan de man worden toevertrouwd de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024.
bepaalt dat de vrouw en voornoemde minderjarigen, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar op een door de GI te bepalen wijze en met een door de GI te bepalen frequentie en duur;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.