[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Goes, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 april 2024. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende en de rechtbank bericht dat het ingediende bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd. De gronden van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling meer. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal in deze uitspraak dan ook alleen ingaan op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Het enige geschilpunt dat tussen partijen bestaat is de wegingsfactor van de kostenvergoeding in de bezwaarfase.
De rechtbank kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte van de vergoeding is geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank zal de heffingsambtenaar voor de kosten van zowel de bezwaar- als de beroepsfase veroordelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bezwaarfase
De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding van € 312,-. Dit bedrag wordt berekend aan de hand van twee proceshandelingen en een wegingsfactor van 0,25. De heffingsambtenaar stelt dat een wegingsfactor van 0,25 terecht is, omdat belanghebbende gebruik maakt van standaard bezwaarschriften, waarbij enkel de naam, locatie en aanslagnummer wordt veranderd. De zaak is niet gecompliceerd, weinig bewerkelijk en vergt weinig tijd van gemachtigde. De heffingsambtenaar onderbouwd zijn standpunt door de stelling dat ieder bezwaarschrift nagenoeg hetzelfde is van de desbetreffende gemachtigde.
Gemachtigde stelt dat het enkel indienen van nagenoeg dezelfde bezwaarschriften geen bijzondere omstandigheid is om de wegingsfactor van 0,25 toe te passen. Gemachtigde stelt dat volgens vingerende jurisprudentie een wegingsfactor van 0,5 het uitgangspunt behoort te zijn.
De rechtbank constateert dat een zaak van gemiddeld gewicht een wegingsfactor van 1,0 toegepast wordt. Hiervan wordt afgeweken in gevallen dat de rechtbank de zaak van (zeer) licht gewicht acht. In onderhavige zaak is sprake van een parkeerbelastingzaak en is een wegingsfactor van 0,5 gebruikelijk. Gemachtigde gebruikt standaardbrieven waarbij enkel bepaalde gegevens worden veranderd. Deze opvatting wordt niet miskend door gemachtigde. De inhoud van de bezwaarschriften, waarbij enkel de naam, locatie en aanslagnummers worden gewijzigd geeft volgens de heffingsambtenaar een blijk van een ‘zeer lichte zaak’ en daarom volstaat de wegingsfactor van 0,25. Gelet op bovenstaande stellingen van de heffingsambtenaar, is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zaak met een ‘zeer licht’ gewicht. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op grond van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 333,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op een hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- met een wegingsfactor van 0,25.-.
Beroepsfase
Partijen zijn het eens over een wegingsfactor van 0,25 voor de beroepsfase. De vergoeding in de beroepsfase wordt dan ook vastgesteld op € 233,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25).
Conclusie en gevolgen
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. Aangezien de rechtbank niet beschikt over het bericht waarbij de naheffingsaanslag daadwerkelijk is vernietigd, zal zij hier zekerheidshalve zelf toe overgaan.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.