RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448985 / JE RK 26-996
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R. Joosen uit Oosterhout.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.J.E.M. Edelman uit Oosterhout.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk;
- een vertegenwoordiger van de GI.
- De vader en zijn advocaat zijn, met bericht, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uitgenodigd voor een gesprek op 8 juli 2026, maar hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laatstelijk verlengd met ingang van 20 januari 2026 tot 20 juli 2026
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De afgelopen periode kent twee verschillende fasen. In de eerste helft werd de omgang met de vader uitgebreid, omdat deze goed verliep. Het wederzijds vertrouwen nam toe. In de tweede helft was er een incident waarbij de vader een foto naar de moeder stuurde van zichzelf met een blauw oog. Er waren ook signalen vanuit de omgeving van de moeder gekomen dat de politie bij de vader was geweest. Hierop heeft de moeder de omgang met de kinderen stilgezet omdat zij bang was voor een herhaling van het verleden. De vader lijdt aan PTSS en hij heeft eerder gezorgd voor forse bedreigingen en onveiligheid. Er loopt sinds 2024 een contactverbod wat de communicatie tussen de ouders bemoeilijkt. De moeder geeft emotionele toestemming aan de kinderen om hun vader te zien als zij de situatie veilig genoeg acht. De kinderen vinden het soms lastig om omgang te hebben met hun vader omdat hij niet wil zeggen wat er is gebeurd.
Bij de mondelinge behandeling is hierdoor de GI aan toegevoegd dat bij de vorige verlengingszitting het uitgangspunt was om ondertoezichtstelling af te gaan ronden. De omgang verliep immers goed. De contactmomenten zouden verder worden uitgebreid met nachten logeren, tot er een incident plaatsvond bij de vader. Hierop is de omgang stopgezet. Inmiddels is de omgang met [minderjarige 2] weer mondjesmaat opgestart, maar [minderjarige 1] heeft moeite om haar vader weer te zien. De kinderen kiezen er soms voor om andere sociale activiteiten zoals voetballen of afspreken met vrienden en vriendinnen te laten doorgaan ten koste van het contact met de vader. De vader heeft moeite met accepteren dat de omgang dan geen doorgang heeft en legt de schuld daarvoor bij de moeder of de GI. Ook kan hij vervelende berichten sturen aan de kinderen. De GI complimenteert de moeder dat zij ondanks haar angst emotionele toestemming verleent aan de kinderen om contact te hebben met hun vader. De GI wil inzetten op een vaste minimale omgangsregeling zodat vader hierop kan vertrouwen en er naast deze regeling meer omgang kan zijn als de kinderen dit aangeven. Door het contactverbod verloopt alle communicatie tussen de ouders via de GI. De GI loopt echter ook tegen communicatie-misverstanden aan door de taalbarrière en de persoonlijke problemen van de vader. De vader wil geen gebruik maken van een tolk. Voor de kinderen is onder regie van de GI hulpverlening opgestart en er zijn ook al therapieën afgerond. In het nieuwe schooljaar kan voor [minderjarige 2] mogelijk met ADHD-medicatie worden begonnen. [minderjarige 1] heeft nog af en toe gesprekken met een psycholoog vanuit [hulpverlening] . De GI wil daarnaast kijken voor hulpverlening binnen het gezin van de moeder, omdat hier onrust is vanwege de onzekerheid over de situatie met betrekking tot de vader maar ook vanwege de puberteit van [minderjarige 1] en de omgang met de stiefvader.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij achter een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling staat. Door de wisselvalligheid van de vader is het fijn dat de GI betrokken blijft en regie voert. Ook blijft nog altijd van belang dat er een vangnet is. De overgang naar het vrijwillig kader kon het afgelopen jaar niet plaatsvinden doordat er wederom een terugval was bij de vader. De moeder kan zich vinden in het vaststellen van een minimale zorgregeling. De moeder vindt het wel steeds spannend als de kinderen naar de vader gaan. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij nog niet klaar is voor contact met de vader over de omgang, ook als dat met jeugdbescherming en reclassering zou zijn. De instabiliteit van de vader zorgt ervoor dat de moeder nog bang is voor elke vorm van contact.
Namens de vader heeft de advocaat laten weten dat de vader achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling staat.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Er is sprake van een instabiele situatie omtrent de vader. Hoewel de vader hulpverlening heeft in het kader van onder andere zijn PTSS-klachten, kenmerkt de situatie zich door ups en downs. Aan het begin van de periode na de laatste verlengingszitting was er sprake van een goed verloop van de omgang. Het contact werd steeds in kleine stapjes uitgebreid tot er sprake was van een incident waarbij zowel de GI als de moeder vreesde voor de veiligheid van de kinderen en de omgang werd stopgezet. De vader geeft helaas geen inzicht in wat er precies is gebeurd. Uit veiligheid voor de kinderen is de omgang tussen de vader en de kinderen stopgezet.
De moeder geeft echter emotionele toestemming aan de kinderen om omgang met de vader te hebben als zij de situatie veilig acht. De kinderen voelen zich daardoor vrij om naar de vader te kunnen gaan en de moeder stelt het belang van de kinderen, ondanks haar eigen angst, voorop. Hiervoor verdient moeder een groot compliment.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt, naast de problematiek omtrent het contact met de vader, ook nog steeds ernstig bedreigd door de communicatieproblemen tussen de ouders. Er is al jaren sprake van een contactverbod zodat er geen rechtstreeks contact is tussen de ouders en de GI steeds tussen hen zit als tussenpersoon. De GI geeft echter ook aan communicatieproblemen te ondervinden met de vader vanwege een taalbarrière. Ook is er nog altijd een noodzaak van hulpverlening bij beide kinderen. [minderjarige 1] gaat nog naar een psycholoog van [hulpverlening] . Voor [minderjarige 2] is de ADHD-behandeling nog niet afgerond. Ook zijn de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet allemaal behaald.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de communicatie tussen de ouders thans niet mogelijk is.
Of het in de komende periode gaat lukken om een minimale zorgregeling af te spreken zodat zowel de kinderen als de ouders erop kunnen vertrouwen dat er omgang is tussen de vader en de kinderen, is afhankelijk van diverse omstandigheden. Het is allereerst van belang dat de vader stabiliseert zodat de omgang met beide kinderen weer kan plaatsvinden. Vervolgens zal de moeder het vertrouwen moeten krijgen dat zij afspraken kan maken met de vader, waarbij er begeleiding van zowel de GI als reclassering, eventueel in bijzijn van haar advocaat zal plaatsvinden. Hiervan is momenteel nog geen sprake gelet op de angst van de moeder. In de komende periode zal dus moeten worden onderzocht door de GI in samenspraak met de reclassering of er mogelijkheden zijn ondanks het contactverbod om de onderlinge communicatie tussen de ouders te herstellen en verbeteren.
De kinderrechter acht de ondertoezichtstelling dan ook nog steeds nodig. De kinderrechter heeft de verwachting dat voor de regievoering door de GI, de hulpverlening voor de kinderen en het behalen van de doelen nog langere tijd nodig is. Hij zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom voor de duur van één jaar verlengen.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 juli 2026 tot 20 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.