[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] , verbonden aan [adviesbureau] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Loon op Zand), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 juli 2025.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2025 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (het object) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 283.000. Tegelijk met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen eigenaar niet-woning en gebruiker niet-woning van de gemeente Loon op Zand voor het jaar 2025 opgelegd (de aanslagen OZB). Ook is aan belanghebbende een aanslag watersysteemheffing gebouwd bekend gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het object, de aanslagen OZB en de aanslag watersysteemheffing gebouwd gegrond verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar de waarde van het object verlaagd naar € 78.000 en de aanslagen OZB en de aanslag watersysteemheffing gebouwd dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende is uitsluitend in beroep gekomen tegen de hoogte van de kostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde namens belanghebbende deelgenomen en namens de heffingsambtenaar is verschenen [gemachtigde 2] .
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de kostenvergoeding juist is vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is de kostenvergoeding tot het juiste bedrag vastgesteld. Ook mocht de heffingsambtenaar afzien van horen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van schending van het hoorrecht?
4. Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord, omdat de heffingsambtenaar het door belanghebbende ingenomen standpunt met betrekking tot de kostenvergoeding in bezwaar niet heeft gevolgd.
De heffingsambtenaar betwist dat in de bezwaarfase het hoorrecht is geschonden. De heffingsambtenaar voert daartoe aan dat hij terecht van het horen heeft afgezien omdat aan het bezwaar volledig is tegemoetgekomen.
Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de inspecteur, voordat hij op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (hoorplicht). Op grond van artikel 7:3, onderdeel e, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in dit geval mocht afzien van het horen van belanghebbende, nu de heffingsambtenaar volledig aan het bezwaar van belanghebbende is tegemoetgekomen door de waarde van het object te verminderen tot € 78.000. De rechtbank overweegt dat een verzoek tot (proces)kostenvergoeding aangemerkt kan worden als een bijkomend verzoek. De heffingsambtenaar was daarom niet verplicht belanghebbende te horen over het verzoek om een vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt.
Kostenvergoeding in de bezwaarfase
5. Belanghebbende stelt dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. Bij uitspraak op bezwaar is een bedrag van € 80,88 is toegekend met toepassing van artikel 30a Wet WOZ. Belanghebbende is echter van mening dat dit bedrag te laag is gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025.
De heffingsambtenaar voert aan dat voor deze zaak en bij deze gemachtigde geen sprake is van een bijzonder geval.
Gelet op wat de Hoge Raad in de arresten van 17 januari 2025 en 25 april 2025 heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die kostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Blijkens dit arrest rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op belanghebbende. Het gaat hierbij niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarin die proceskostenvergoeding wordt toegekend, maar om het bedrijfsmodel. Die moet zijn ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. Het is aan de belanghebbende en de gemachtigde, die zich op de uitzondering beroepen, te onderbouwen dat geen sprake is van no cure no pay of een daarmee op één lijn te stellen bedrijfsmodel.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Gemachtigde geeft aan dat er door zijn kantoor niet gewerkt wordt met standaard tekstblokken en hecht veel waarde aan de al dan niet gemaakte afspraken met de heffingsambtenaar. De rechtbank ziet daarin onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn bedrijfsmodel niet de door de Hoge Raad genoemde kenmerken bezit en dus sprake is van een bijzondere omstandigheid.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het beroep van belanghebbende niet. Dat betekent dat bij de vaststelling en de toekenning van de proceskosten de vermenigvuldigingsfactor 0,125 uit artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ kan worden toegepast.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Belanghebbende krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier, op 20 juli 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.