RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser,
het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Veere, het college.
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6663
Gemachtigde: [gemachtigde] .
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aangevraagde omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college geen verwijt treft door niet voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar alle voorheen geldende bestemmingsplannen ter inzage te leggen en eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet te honoreren. Voorts heeft het college voldoende gereageerd op hetgeen eisers gemachtigde in zijn mail van 24 juli 2024 heeft gesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 31 december 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. Het college heeft op 16 april 2024 aan eiser bericht het voornemen te hebben deze aanvraag af te wijzen. Na de zienswijze van de gemachtigde van eiser heeft het college de aanvraag bij besluit van 16 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
20 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres heeft het college de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde en namens verweerder [vertegenwoordiger 1] en de [vertegenwoordiger 2] .
Op 24 december 2024 heeft eiser verzocht om heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding.
De feiten
3. Eiser woont aan de [adres] en heeft ter plaatse twee recreatieverblijven die worden verhuurd. Die woningen zijn door de vorige eigenaar van het pand in 2002 gerealiseerd door een aanbouw aan de woning te verbouwen en werden sindsdien verhuurd voor recreatief gebruik. Hiervoor is toen geen omgevingsvergunning gevraagd.
Het bestreden besluit
4. Eiser heeft gevraagd om een omgevingsvergunning om de recreatieverblijven zowel voor wat betreft de bouwkundige wijzigingen (bouwen) als voor wat betreft het (planologisch strijdig) gebruik te legaliseren.
In het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd omdat de door eiser gewenste vergunning in strijd is met het geldende bestemmingsplan en het college niet bereid is om aan een afwijking mee te werken. Daarbij acht het college van belang dat er twee woningen zijn gerealiseerd met een gezamenlijke oppervlakte van 100 m2 terwijl het college slechts bereid is vergunning te verlenen voor één recreatieverblijf met een maximale oppervlakte van 60 m2. Het college heeft voorts gemotiveerd waarom het niet bereid is van het bestemmingsplan af te wijken.
Gronden
5. In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit aangevoerd dat het college ten onrechte voorafgaand aan de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie niet alle bestemmingsplannen, die van kracht zijn geworden nadat het bestemmingsplan Buitengebied in 1999 van kracht werd, ter inzage heeft gelegd. Daardoor zou de commissie niet zijn uitgegaan van de juiste planologische kaders.
Voorts heeft eiser als grond aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen eisers gemachtigde bij e-mailbericht van 24 juli 2024 aan verweerders vertegenwoordiger in bezwaar heeft gestuurd.
Als derde grond is aangevoerd dat verweerder bij de weigering om af te wijken van het bestemmingsplan de Omgevingsvisie 2047 niet consequent toepast en dat levert volgens eiser strijd met het gelijkheidsbeginsel op.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
De rechtbank merkt daarbij op dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking zijn getreden. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Iw Ow het oud recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is gedaan op 31 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Tussen partijen is niet in geschil dat hetgeen eiser heeft aangevraagd in strijd is met de bouw- en gebruiksvoorschriften uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied Veere. Ter zitting is door partijen desgevraagd bevestigd dat evenmin in geschil is dat het overgangsrecht van het plan Buitengebied dat in 1999 werd vastgesteld (waarvan door verweerder in beroep een afschrift is overgelegd) en geen grondslag biedt om het bouwen en het gebruik legaal te achten.
Formele gronden
Ter zitting heeft eisers gemachtigde gesteld dat de bestemmingsplannen die van kracht zijn geworden nadat het “moederplan” Buitengebied, dat in 1999 werd vastgesteld, van kracht werd, relevant zullen zijn voor de toepassing van het overgangsrecht. Dit geldt zowel voor wat betreft de activiteit bouwen als voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. Naar de rechtbank begrijpt, doelt de gemachtigde hierbij op één van de herzieningen van dat bestemmingsplan Buitengebied. Eisers gemachtigde verwijst daarvoor naar eerdere contacten die hij over andere kwesties met vertegenwoordigers van de gemeente heeft gehad en waarbij zou zijn geconstateerd dat het bouwovergangsrecht in één of meer van die latere herzieningsplannen te ruim was geformuleerd.
Het college heeft ter zitting betwist dat de in 2002 zonder vergunning uitgevoerde verbouwing op enig moment daarna door het overgangsrecht legaal is geworden en heeft dat eveneens betwist voor het gebruik. Het college meent blijkens de toelichting ter zitting dat er geen aanleiding was om op eigen initiatief voorafgaand aan de hoorzitting alle herzieningen van het bestemmingsplan Buitengebied ter inzage te leggen. Het college wijst er daarbij op dat, als eiser meende dat die stukken van belang waren, hij of zijn gemachtigde zelf voorafgaand aan de hoorzitting om inzage daarvan hadden kunnen vragen en die, zo nodig in kopie, over te leggen.
De rechtbank overweegt ten eerste dat degene die er een beroep op doet dat een activiteit door het overgangsrecht legaal is geworden, de hiervoor relevante feiten en omstandigheden dient aan te voeren en deze aannemelijk dient te maken. Dat omvat ook dat wordt aangevoerd op grond van welke specifieke regel(s) die conclusie moet worden getrokken.
Een algemene gestelde verwijzing naar eerdere ervaringen (van de gemachtigde) in andere kwesties, kan niet worden gezien als een voldoende gespecificeerd beroep op het overgangsrecht. Nu eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, kennelijk al bij de zienswijze van 17 april 2024 een beroep poogde te doen op het overgangsrecht, had het op zijn weg gelegen dat beroep reeds toen voldoende concreet te maken. Dat geldt te meer bij het indienen van (de gronden van) zijn bezwaar op 27 mei 2024 en, desgewenst, voorafgaand aan (of bij) de hoorzitting in bezwaar die op 18 juli 2024 is gehouden. Blijkens de stukken heeft eiser, noch zijn gemachtigde, het beroep op het overgangsrecht anders gedaan dan middels een algemene verwijzing naar eerdere ervaringen van de gemachtigde in andere kwesties. Het verwijt dat verweerder niet voorafgaand aan de hoorzitting op eigen initiatief alle eerder geldende herzieningen van het in 1999 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied ter inzage heeft gelegd, treft dan ook geen doel.
De rechtbank overweegt dat een dergelijk verwijt eiser, ook als het beroep op het overgangsrecht wel voldoende onderbouwd zou zijn aangevoerd, er niet toe kan leiden dat, zoals eiser kennelijk beoogt, het gebruiksovergangsrecht ter zake van de activiteit bouwen wel van toepassing zou kunnen zijn. Volgens vaste rechtspraak is voor de vraag of voor een bouwplan vergunning kan worden verleend het gebruiksovergangsrecht niet relevant. Voor zover eiser bedoelt aan te voeren dat, als hetgeen in 2002 is gebouwd al onder een te ruim geformuleerd gebruiksovergangsrecht zou vallen en daartegen daardoor niet meer handhavend zou kunnen worden opgetreden, overweegt de rechtbank dat die enkele stelling, wat daarvan ook zij, op zichzelf niet maakt dat het college daaraan een zwaarwegend belang moest toekennen om de gevraagde omgevingsvergunning toch te verlenen.
Anders dan eiser, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat aan het bestreden besluit een (motiverings-)gebrek kleeft omdat verweerder niet zou zijn ingegaan op hetgeen de gemachtigde van eiser in de mail van 24 juni 2024 aan de vertegenwoordiger van verweerder in bezwaar naar voren heeft gebracht. De mail is zeer kort en verwijst slechts naar een bijlage. Dat is een brief van gemachtigde van eiser van 21 februari 2022, die gaat over een andere kwestie. Blijkens de brief is in die kwestie eveneens een discussie (geweest) over de toepasselijkheid van overgangsrecht. Met de mail en de bijlage maakt de gemachtigde eisers beroep op het overgangsrecht voor bouwen én (afwijkend) gebruik in zijn geval niet meer concreet dan hij al in de zienswijze en het bezwaar had gedaan, zodat de rechtbank geen reden ziet om het feit dat verweerder in het bestreden besluit de mail en bijlage niet noemt en er ook niet specifiek op ingaat, als motiveringsgebrek te kwalificeren.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
In de gronden van het beroep is slechts in algemene zin aangevoerd dat verweerder de door de gemeenteraad op 23 maart 2023 vastgestelde Omgevingsvisie 2047 niet consequent toepast.
De rechtbank overweegt hierover allereerst dat degene die een beroep op gelijke behandeling doet, moet aanvoeren om welke gevallen het gaat, dat deze op alle relevante aspecten vergelijkbaar zijn én dat er sprake is van een verschillende behandeling. Als dat in de beslissing op bezwaar niet wordt gehonoreerd, dan dient eiser in beroep gemotiveerd aan te voeren waarom hij meent dat de beslissing op bezwaar op dit punt tekort schiet.
In het beroepschrift heeft eiser(s gemachtigde) niet gemotiveerd waarom (de motivering van) het bestreden besluit onvoldoende is. Hij heeft voorts geen concrete gevallen genoemd en benoemd waarom die gevallen gelijk zijn aan het onderhavige geval. Wel heeft eisers gemachtigde ter zitting verwezen naar een beslissing van verweerder tot legalisering van het gebruik voor recreatief verblijf door derden van de woningen in een complex aan de [straatnaam] in Veere. De gemachtigde van verweerder heeft daarop ter zitting geantwoord dat dit geen gelijk geval is omdat dat complex (dat ooit als recreatiecomplex is gebouwd) bestaat uit vrij kleine woningen en omdat er niet (ook) sprake was van een (afwijkings-)vergunning voor bouwen.
De rechtbank acht dat antwoord, gelet op de zeer algemeen geformuleerd en pas ter zitting enigszins gespecificeerde beroepsgrond, afdoende en ziet geen aanleiding om het bestreden besluit naar aanleiding van deze beroepsgrond te vernietigen.
Conclusie en gevolgen
Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning in stand. Er is geen aanleiding om verweerder te veroordelen eisers proceskosten (inclusief het griffierecht) te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J.E. Loontjens, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, lid 1 onder a en c:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.12, lid 1 onder a:
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;