[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 10 november 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 14.487 en € 53 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 8 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mazda CX-5 met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.495.
Belanghebbende heeft op 19 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Land Rover Defender met VIN [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 17.008.
Belanghebbende heeft in beide aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat voor auto 1 de verschuldigde Bpm € 11.587 bedraagt en voor auto 2 € 22.403 en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De inspecteur heeft voor auto 1 de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast omdat dit het voordeligste is voor belanghebbende.
Tot het dossier behoort een factuur van auto 1, dagtekening 1 juni 2022 met bedrag € 23.000 waarbij de opmerking staat “ohne USt/Mwst”. Tot het dossier behoort een factuur voor auto 2, dagtekening 16 maart 2022 met bedrag € 67.000 waarbij staat “imposte € 0,00”.
Motivering
Mandaatverbod
4. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de [afdeling] , niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader is onderbouwd dat een medewerker met ‘User id’ “ [user id] ” de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 3] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
De vermindering van Bpm - Taxatiemethode, koerslijstmethode of tabel
Belanghebbende stelt kort gezegd dat beide auto’s aanzienlijk verder zijn afgeschreven – waarop de wettelijke vermindering van Bpm is gebaseerd – dan dat valt op te maken uit het bedrag dat voor de auto’s is betaald. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
De rechtbank stelt voorop dat met ingang van 1 januari 2015 de Wet Bpm voorziet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet Bpm aannemelijk te maken, zijnde de forfaitaire afschrijvingstabel, de koerslijstmethode en – onder voorwaarden - de taxatiemethode.
Belanghebbende handelt regelmatig in auto’s en heeft daarvoor specifieke kennis en kunde. Belanghebbende heeft auto 1 voor € 23.000 gekocht - althans voor zover de rechtbank de beroepsgronden begrijpt en gelet op de door belanghebbende ingebrachte factuur waarop dit bedrag staat - en stelt kort gezegd dat de auto in werkelijkheid veel verder was afgeschreven en eigenlijk zo rond de € 4.000 waard was. Dit geldt ook voor auto 2. Die auto is gekocht voor € 67.000, waarvan ook die factuur tot het dossier behoort en belanghebbende stelt dat die ongeveer € 44.000 waard was en dus aanzienlijk verder is afgeschreven dan wat valt op te maken uit het aankoopbedrag.
De rechtbank overweegt voorts als volgt. Belanghebbende poogt in weerwil van de marktprijs van deze specifieke auto’s, welke op de openbare markt tussen derden tot stand is gekomen (namelijk € 23.000 en € 67.000), aannemelijk te maken dat de auto’s in werkelijkheid veel minder waard waren en dus veel verder zijn afgeschreven – waarop de wettelijke vermindering van Bpm is gebaseerd - waardoor de Bpm dus te hoog is vastgesteld door de inspecteur.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s in werkelijkheid minder waard waren – en dus verder waren afgeschreven (de vermindering) – dan wat valt op te maken uit de marktprijs blijkend uit de facturen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025, heeft belanghebbende inderdaad keuzeruimte om de door hem voorgestane vermindering (afschrijving) aannemelijk te maken. Dat belanghebbende keuzeruimte heeft om een stelling aannemelijk te maken, betekent niet dat die stelling automatisch aannemelijk is gemaakt. Voorts wordt in het hiervoor genoemd arrest benoemd dat het gaat om het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registeren motorrijtuig. Dat arrest betrof een geval waarbij de inkoopprijs van het concrete voertuig niet bekend was gemaakt, bijvoorbeeld door middel van de factuur. Dat is in dit geval relevant anders omdat de marktprijs van deze concrete auto’s blijkt uit de facturen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de auto’s verder zijn verminderd in waarde – zoals belanghebbende in de kern langs verschillende wegen betoogd – dan de marktprijs en dus dat de marktprijs niet de werkelijke waarde en daarmee dus de werkelijke afschrijving zou weergeven. Naar het oordeel van de rechtbank is een verdere afschrijving zoals belanghebbende betoogd – en daaraan gerelateerd de vermindering - dan volgt uit het daadwerkelijk voor deze specifieke auto’s betaalde bedrag op de openbare markt tussen derden, zoals het geval is, niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende.
Hoogte van de naheffingsaanslag
Nu de inspecteur heeft aangeslagen gebaseerd op een vermindering (afschrijving) gerelateerd aan een waarde niet hoger dan de marktwaarde blijkend uit de facturen, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft op 5 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 26 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt € 88,24 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.411,76) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 88,24;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.411,76;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.