ECLI:NL:RBZWB:2026:7541

ECLI:NL:RBZWB:2026:7541

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer BRE 23/11632
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

BPM

Uitspraak

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 10 november 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 9.673.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 13 april 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Volkswagen T-Roc met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 387.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 10.060 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De inspecteur heeft de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast omdat dit het voordeligste is voor belanghebbende.

Motivering

Herleidingsmethode

4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.

Taxatiemethode

Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.

De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang zoals door belanghebbende gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangiften.

De rechtbank is het met de inspecteur eens dat aan het taxatierapport diverse gebreken kleven. Zo is bijvoorbeeld zonder enige motivering bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat een bedrag wegens een onbekend schadeverleden in mindering gebracht, een bedrag wegens een niet te controleren kilometerstand en een bedrag wegens een afwijkende bruto bpm, waarbij de bedragen een percentage van de handelsinkoopwaarde zijn. De handelsinkoopwaarde van de auto is gelet op de gestelde schade € 1.498, terwijl de auto voor € 14.800 is gekocht. Dat komt de rechtbank onlogisch voor.

Naar het oordeel van de rechtbank komt gelet op die feiten en omstandigheden geen waarde toe aan het taxatierapport.

Belanghebbende heeft in beroep foto’s overgelegd van door hem gestelde schade aan de auto. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen de leeftijd van de auto en de gereden kilometers. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Dit brengt met zich dat de beroepsgronden die samen hangen met een verlaging van de naheffingsaanslag op basis van het taxatierapport niet slagen. Dit brengt mee dat de toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel, waarop de naheffingsaanslag gebaseerd is, voordeliger is.

CO2-uitstoot

Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van NEDC 218 g/km. Belanghebbende verwijst naar het certificaat van overeenkomst (het CVO) waarin een NEDC-uitstoot is vastgesteld van NEDC 155 gr/km en concludeert dat de daarbij behorend historische bruto Bpm € 10.990 is.

De inspecteur stelt dat de CO2-uitstoot door de RDW is vastgesteld op 218 gr/km NEDC en dat enkel het in beroep overleggen van een CVO waarin een lagere CO2-uitstoot is vastgesteld niet voldoende is om tot een wijziging van de bij de RDW vastgestelde uitstoot te komen. Ter zitting heeft de inspecteur verder toegelicht dat de RDW geen genoegen neemt met een CVO, omdat daarmee volgens de inspecteur nog al eens gefraudeerd wordt. Volgens de inspecteur is dat de reden dat de RDW voor de aanpassing van de CO2-uitstoot de auto fysiek wil beoordelen. Nu de CO2-uitstoot bij de RDW niet is aangepast, is de inspecteur van mening dat voor de naheffingsaanslag de hogere CO2-uitstoot in stand moet blijven.

De rechtbank overweegt als volgt. In de toelichting op de ministeriële regeling van 18 december 2019, is het volgende vermeld:

2.9 Het bepalen van de omvang van de uitstoot van CO2

De hoogte van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) voor personenauto’s is gebaseerd op de omvang van de uitstoot van CO2. Het vaststellen van deze uitstoot geschiedt op basis van de geregistreerde uitstoot in het kentekenregister. Als de bpm is verschuldigd ter zake van de registratie in het kentekenregister heeft deze werkwijze diverse voordelen. Allereerst hoeven bij de aangifte geen bewijsmiddelen meer worden verzameld over de uitstootgegevens. Daarnaast is een eenduidig voertuigbeeld op grond van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) verzekerd. Tot slot voorkomt het dat belanghebbende – als hij het niet eens is met de geregistreerde uitstootgegevens – zowel bij de Dienst Werkverkeer (RDW) áls de inspecteur hiertegen moet ageren. In dat geval volstaat het om enkel bij de RDW de uitstootgegevens ter discussie te stellen. In fiscale zin wordt namelijk de registratie door de RDW gevolgd.

Ander dan de inspecteur stelt, kan belanghebbende naast een eventuele procedure bij de RDW, ook in deze procedure de CO2-uitstoot ter discussie stellen. De opvatting van de inspecteur is niet in lijn met bovengenoemde toelichting. In deze toelichting staat namelijk alleen vermeld dat wanneer een discussie over de CO2-uitstoot van een auto speelt, van een belanghebbende niet verwacht wordt dat diegene dezelfde discussie bij de RDW en bij de inspecteur voert. In dat geval acht de toelichting het voeren van alleen de procedure bij de RDW voldoende en zal de inspecteur in fiscale zin de registratie door de RDW volgen. Het staat belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank evenwel vrij om gelijktijdig of zoals in dit geval alleen, een procedure tegen de inspecteur te voeren en de CO2-uitstoot op deze wijze ter discussie te stellen.

Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het CVO buiten beschouwing te laten op grond van de niet gespecifieerde algemene stelling van de inspecteur dat met CVO’s gefraudeerd wordt. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn – het is de rechtbank onduidelijk of de inspecteur dat nu daadwerkelijk stelt – is op geen enkele wijze gestaafd. De rechtbank acht het daarom zonder nadere onderbouwing van de inspecteur, aannemelijk dat dit het CVO van deze auto betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur dan ook ten onrechte uitgegaan van een CO2-uitstoot van 218 gr/km en dient conform het CVO te worden uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 155 gr/km. Voor dat geval is het niet in geschil dat voor de beoordeling van de verschuldigde belasting hier dan vanuit worden gegaan.

Hoogte van de naheffingsaanslag

Gelet op het voorgaande moet de historische bruto bpm worden gesteld op € 10.990. De verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel bedraagt dan € 2.912. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 387 voldaan. De naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.525.

Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft op 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 10 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 13 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 2.525. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.

Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 226,75. De Staat moet dit bedrag vergoeden.

Nu het beroep enkel gegrond is en de naheffingsaanslag enkel wordt verminderd vanwege de aanpassing van de CO2-uitstoot overeenkomstig het CVO ziet de rechtbank geen aanleiding om aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen voor het indienen van het beroepschrift. Belanghebbende heeft in de aangifte een CO2-uitstoot van 153 gr/km NEDC aangegeven, terwijl het CVO een CO2-uitstoot van 155 gr/km NEDC vermeldt. Belanghebbende heeft pas in beroep het CVO overgelegd en heeft niet onderbouwd waarom het CVO niet eerder is aangeleverd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.525;

- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.500;

- veroordeelt de Staat tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1723 NLF 2026/1766
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand