[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 10 november 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.462. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 13 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 30 november 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Kia Sportage met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 607.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 9.069 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd. De inspecteur heeft de forfaitaire afschrijvingstabel toegepast omdat dit het voordeligste is voor belanghebbende.
Tot het dossier behoort een stuk getiteld “afhaalbon” d.d.14 november 2022 met daarop voorts de tekst: “(…) volgende offerte van de koper geselecteerd werd 17860.00 BTW bedrag op het voertuig 0,00 (…) Stallingskosten (…) - 810,70 (…) verklaart ontvangen te hebben op 15/11/2022 de som van 17049,30”.
Motivering
De vermindering van Bpm - Taxatiemethode, koerslijstmethode of tabel
4. Belanghebbende stelt kort gezegd dat de auto aanzienlijk verder is afgeschreven – waarop de wettelijke vermindering van Bpm is gebaseerd – dan dat valt op te maken uit het bedrag dat voor de auto is betaald. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
De rechtbank stelt voorop dat met ingang van 1 januari 2015 de Wet Bpm voorziet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet Bpm aannemelijk te maken, zijnde de forfaitaire afschrijvingstabel, de koerslijstmethode en – onder voorwaarden - de taxatiemethode.
Belanghebbende handelt regelmatig in auto’s – dat maakt de rechtbank op uit de handelsnaam weergegeven in het taxatierapport - en zal daarvoor specifieke kennis en kunde hebben. Belanghebbende heeft de auto blijkens de afhaalbon (zie 3.3) voor € 17.049,30 gekocht en stelt kort gezegd dat de auto in werkelijkheid veel verder was afgeschreven en eigenlijk zo rond de 2.000 euro waard was.
De rechtbank overweegt voorts als volgt. Belanghebbende poogt in weerwil van de marktprijs van deze specifieke auto, welke op de openbare markt tussen derden tot stand is gekomen (namelijk € 17,049,30), aannemelijk te maken dat de auto in werkelijkheid veel minder waard was en dus veel verder is afgeschreven – waarop de wettelijke vermindering van Bpm is gebaseerd - waardoor de Bpm dus te hoog is vastgesteld door de inspecteur.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto in werkelijkheid minder waard was – en dus verder is afgeschreven (de vermindering) – dan wat valt op te maken uit de marktprijs blijkend uit de afhaalbon. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025, heeft belanghebbende inderdaad keuzeruimte om de door hem voorgestane vermindering (afschrijving) aannemelijk te maken. Dat belanghebbende keuzeruimte heeft om een stelling aannemelijk te maken, betekent niet dat die stelling automatisch aannemelijk is gemaakt. Voorts wordt in het hiervoor genoemd arrest benoemd dat het gaat om het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registeren motorrijtuig. Dat arrest betrof een geval waarbij de inkoopprijs van het concrete voertuig niet bekend was gemaakt, bijvoorbeeld door middel van de factuur. Dat is in dit geval relevant anders omdat de marktprijs van deze concrete auto blijkt uit de afhaalbon.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de auto verder is verminderd in waarde – zoals belanghebbende in de kern langs verschillende wegen betoogd – dan de marktprijs en dus dat de marktprijs niet de werkelijke waarde en daarmee dus de werkelijke afschrijving zou weergeven. Naar het oordeel van de rechtbank is een verdere afschrijving zoals belanghebbende betoogd – en daaraan gerelateerd de vermindering van Bpm - dan volgt uit het daadwerkelijk voor deze specifieke auto betaalde bedrag op de openbare markt tussen derden, zoals het geval is, niet aannemelijk gemaakt door belanghebbende.
Hoogte van de naheffingsaanslag
Nu de inspecteur heeft aangeslagen gebaseerd op een vermindering (afschrijving) gerelateerd aan een waarde niet hoger dan de marktwaarde blijkend uit de afhaalbon, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft op 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 maart 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 8 maanden heeft geduurd en daarmee 2 maanden te lang, komt € 166,67 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.333,33) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur moet € 116,75 en de Staat € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 166,67;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.333,33;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.