RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 11 augustus 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Samenvatting
Feiten en omstandigheden
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/943 WIA
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de arbeidsongeschiktheid van eiser juist heeft beoordeeld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht per 23 juni 2023 aan eiser een WIA-uitkering heeft verstrekt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,07%. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep tegen het (herziene) bestreden besluit is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
2. Eiser is werkzaam geweest als machine operator bij [werkgever] B.V. Voor dat werk is hij op 5 juni 2021 uitgevallen. Vanaf 13 juni 2021 is eiser weer gaan werken, maar hij is op 3 juli 2021 opnieuw uitgevallen als gevolg van klachten na een autoongeval. Eiser heeft daarna niet meer gewerkt. Tot 1 december 2021 is hij in dienst geweest bij [werkgever] B.V.
Procesverloop
3. Het UWV heeft met het besluit van 7 juni 2024 (primair besluit) geweigerd per 23 juni 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar tegen het primaire besluit.
Met het besluit van 31 maart 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Met het besluit van 13 februari 2026 (bestreden besluit) heeft het UWV het besluit van 31 maart 2025 herzien, eisers bezwaar gegrond verklaard en per 23 juni 2023 aan hem een WIA-uitkering toegekend.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [gemachtigde] namens het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet tijdig beslissen en tegen het besluit van 31 maart 2025
4. Eiser heeft beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Na indiening van dat beroep heeft het UWV alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Omdat er inmiddels is beslist op de bezwaren van eiser, heeft hij geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
Omdat het besluit van 31 maart 2025 is gewijzigd met het bestreden besluit, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank ook geen belang meer bij de beoordeling van het besluit van 31 maart 2025. Het beroep tegen dat besluit zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Op grond van artikel 6:19 en artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op het bestreden besluit. Omdat het bestreden besluit blijkens de beroepsgronden niet tegemoet komt aan het beroep van eiser, zal de rechtbank het bestreden besluit hierna inhoudelijk toetsen.
Grondslag bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser per 23 juni 2023 voor 57,07% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
7. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
8. Het besluit van 31 maart 2025, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, was gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
Eiser heeft tegen het besluit van 31 maart 2025 aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen en geen rekening is gehouden met zijn psychische gesteldheid, waaronder zijn Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). Daartoe heeft eiser verwezen naar het rapport van [dokter] (bedrijfsarts/medisch adviseur) van 5 juni 2025, het rapport van [expertisebureau] van 27 augustus 2025 en het verslag van [behandelcentrum] van 7 augustus 2025.
De verzekeringsarts b&b heeft in de rapportage van 12 januari 2026 overwogen dat de beroepsgronden en de ingebrachte medische stukken aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de belastbaarheid van eiser.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier en de beschikbare gegevens bestudeerd. Ten tijde van de datum in geding moet rekening worden gehouden met een langdurig aanwezige traumagerelateerde stoornis. In bezwaar werden reeds vrij uitgebreide beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aangegeven. Gelet op de nieuwe medische inzichten wordt een verdergaande beperking ten aanzien van omgaan met conflicten (alleen schriftelijk mogelijk) aangewezen geacht. Daarnaast is een hoog handelingstempo bij complexe taken niet geschikt. De psychiater ( [expertisebureau] ) schat in dat een beperking ten aanzien van eigen gevoelens uiten is aangewezen en medisch adviseur [dokter] schat in dat een aanvullende beperkingen ten aanzien van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en leidinggeven is aangewezen. Met deze beperkingen werd in bezwaar reeds rekening gehouden. Voor verdergaande beperkingen worden geen argumenten gezien.
Medisch adviseur [dokter] is verder van mening dat een beperking ten aanzien van inzicht in eigen kunnen is aangewezen. Een dergelijke beperking kan worden overwogen indien sprake is van een stoornis die leidt tot een verminderde realiteitstoetsing van de eigen mogelijkheden tot functioneren. Hiervan is volgens de verzekringsarts b&b bij eiser geen sprake. Weliswaar worden in bezwaar evident aanwijzingen gezien voor een vermijdende copingstijl. Echter, alhoewel deze vermijdende copingstijl gezien moet worden als een niet-adequate wijze van omgaan met ziekte, leidt deze niet tot een verstoorde realiteitstoetsing. Eiser weet zijn handelen adequaat te sturen. De vermijdende copingstijl van eiser hangt waarschijnlijk deels samen met een te pessimistische opvatting over de eigen mogelijkheden. Adequate behandeling kan hierin een rol hebben.
Eiser geeft aan dat aanvullende beperkingen op de gebieden van vasthouden en verdelen
van de aandacht passend zijn. Weliswaar ervaart eiser belemmeringen ten aanzien van aandacht en concentratie. Dat vormt echter niet zonder meer een reden voor het aangeven van beperkingen op de rubrieken 1.1 en 1.2. Om deze beperkingen te kunnen stellen moet immers sprake zijn van een ernstige stoornis in de aandachtfunctie. Dit is naar het oordeel van de verzekeringsarts b&b niet het geval. Eiser is in staat een gesprek te voeren (hetgeen bij het spreekuur in bezwaar 60 minuten lang mogelijk was). Eiser reageert en begrijpt tijdens het gesprek adequaat. Ook blijkt eiser in staat de medische problematiek inclusief het beloop voldoende adequaat te reproduceren. Wel is het, gelet op de onderliggende psychische problematiek, aannemelijk dat langdurige
alertheid moeite kost. Hiermee werd voldoende rekening gehouden door aan te geven dat eiser niet geschikt is voor beroepsmatig besturen van motorvoertuigen en niet geschikt is voor werkzaamheden waarbij hoge alertheid gevraagd wordt.
Verder is medisch adviseur [dokter] van mening dat eiser moet kunnen terugvallen op een collega. Een dergelijke beperking moet worden aangegeven als voortdurende en onmiddellijke fysieke aanwezigheid van collega’s of leidinggevenden vereist is. Dit is volgens de verzekeringsarts b&b in geval van eiser niet noodzakelijk. Reeds aangegeven werd dat eiser is aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige deadlines/productiepieken in een rustige werkomgeving. Indien eiser ondanks deze aanpassingen hulp nodig heeft weet hij deze adequaat in te schakelen. Verder kan eiser uitstel van hulp verdragen.
Eiser stelt dat hij beperkt moet worden ten aanzien van ieder menselijk contact. In bezwaar werden reeds beperkingen aangenomen ten aanzien van intensieve contacten met klanten, patiënten en hulpbehoevenden. Ook werden beperkingen ten aanzien van omgaan met
conflicten en uiten van eigen gevoelens aangenomen. Daarin wordt ruim rekening gehouden met de traumagerelateerde stoornis. De verzekeringsarts b&b stelt dat verdergaande beperkingen niet zijn aangewezen.
De mate van ervaren klachten, belemmeringen en problemen in participatie kunnen niet verklaard worden vanuit de medische problematiek. Overbelasting dient te worden vermeden. Hiermee werd in bezwaar ruim voldoende rekening gehouden middels de aangegeven beperkingen ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. Verdergaande beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts b&b niet wenselijk, aangezien deze de negatieve spiraal van vermijding, achteruitgang van spierkracht-/conditie en bewegingsangst versterken. Ook versterkt vermijden van fysieke activiteit de sensitisatie. Geleidelijke uitbreiding van activiteiten, onder professionele begeleiding, is in het geheel van belang. Eiser stelt dat verdergaande beperkingen zijn aangewezen op verschillende aspecten van dynamische handelingen en statische houdingen. Medisch adviseur [dokter] geeft echter in zijn beschouwing geen adviezen ten aanzien van verdergaande beperkingen op deze aspecten.
Wel wordt door medisch adviseur [dokter] aangegeven dat de lichte beperking op het item ‘zitten’ tegenstrijdig is met de afwezigheid van een beperking op het item ‘zitten tijdens het werk’. Deze opmerking kan worden gevolgd. Het item ‘zitten tijdens het werk’ zal daarom worden beperkt met de toelichting dat eiser maximaal 6-7 uur per werkdag kan zitten.
Vanuit de traumagerelateerde stoornis kan de slaapproblematiek deels worden verklaard. De verzekeringsarts b&b vindt een verdergaande urenbeperking, waarbij eiser maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week werkzaamheden kan verrichten, aangewezen. Er is sprake van een zeer onregelmatig slaap-/waakritme en verstoorde dag- en nachtritme. Een goede slaaphygiëne, die wordt bevorderd door dagstructuur, is hierbij van belang. De conditie kan verbeterd worden door het activiteitenniveau aan te passen. Het bestaan van deconditionering vormt daarom geen argument voor een verdergaande urenbeperking vanwege een stoornis in de energiehuishouding. Bovendien zou een verdergaande urenbeperking nadere vermijding en een inactieve levensstijl verder in de hand werken. Het aanbieden van dagstructuur door het verrichten van werkzaamheden kan hierin helpend zijn. Bovendien kan het bieden van afleiding door een adequate daginvulling een gunstig effect hebben op de ervaren ernst van de klachten en belemmeringen. Het bieden van een zinvolle daginvulling kan hiermee een bijdragend gunstig effect hebben op het doorbreken van de negatieve vicieuze cirkel.
Medisch adviseur [dokter] geeft aan dat het verrichten van werkzaamheden voor 24 uur per week het maximaal haalbare is voor eiser. Niet duidelijk wordt waar deze inschatting op is
gebaseerd. Eiser werkte voorafgaande aan ziekmelding ongeveer 40,23 uur per week.
Medisch adviseur [dokter] is van mening dat een beperking ten aanzien van hooikoorts en
allergieën is aangewezen. Deze aanvulling wordt door de verzekeringsarts b&b gevolgd. Aanvullend zal daarom worden aangegeven dat bovennormale blootstelling aan grassen, bomen en pollen dient te worden vermeden. Daarnaast zijn werkzaamheden met blootstelling aan hazelnoot, kiwi, sesamzaad en tomaat niet geschikt.
Eiser stelt tot slot dat sprake is van gehoorverlies en dat hij een piep in zijn oor hoort. Eiser benoemt echter geen probleem ten aanzien van het kunnen horen. Ook bij onderzoek waren geen tekenen van verminderd gehoor. In de samenvatting van de huisartseninformatie wordt melding gemaakt van gehoorverlies in 2011 als gevolg van trommelvliesperforaties. Het medisch beeld wordt hieruit niet duidelijk. Het zou kunnen dat een middenoorontsteking destijds heeft geleid tot tijdelijk gehoorverlies. In het beloop nadien tot aan datum in geding wordt geen melding gemaakt van oor- dan wel gehoorproblemen. In oktober 2024 en februari 2025 komen wel problemen van het oor naar voren, maar deze spelen ruim na datum in geding. Verder komt uit de ingebrachte informatie ook niet naar voren welke belemmeringen eiser ervaart ten aanzien van het gehoor. Al met al bestaan volgens de verzekeringsarts b&b onvoldoende aanknopingspunten voor het aangeven van beperkingen.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 januari 2026.
Eiser heeft tegen dit nieuwe medische oordeel van het UWV aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn fysieke beperkingen en zijn psychische gesteldheid, waaronder zijn PTSS. Eiser is op dit moment niet in staat om ook maar enige arbeid te verrichten. Eiser is daarom van mening dat hij 100% arbeidsongeschikt is.
In het onderzoek van [expertisebureau] is op 25 juli 2025 geen PTSS vastgesteld. In het onderzoek van [behandelcentrum] is wel PTTS vastgesteld. Beide onderzoeken geven aan dat eiser veel PTSS-achtige
symptomen heeft. In het ene onderzoek is dit voldoende om PTSS vast te stellen in het andere net niet voldoende. Ofwel er dient, anders dan het UWV aangeeft, vanuit te worden gegaan dat cliënt op datum in geding veel PTSS achtige symptomen heeft.
Volgens het UWV is er geen beperking ten aanzien van het inzicht in eigen kunnen. Helaas is dit niet correct. Eiser vermijdt allerlei behandelingen. Zo vermeed hij op de datum in geding juist ook de behandeling om aan zijn PTSS te werken. Pas later in 2025 stond eiser open om te werken aan zijn PTSS. Zo dient eiser ook nog een ooroperatie te ondergaan, maar ook dit stelt hij uit.
Eiser is van mening wel beperkt te zijn op het vasthouden en verdelen van de aandacht. Door het UWV wordt erkend dat eiser belemmeringen heeft ten aanzien van aandacht en concentratie. Als iemand al moeite heeft met aandacht hoe kan het dan zijn dat hij die aandacht wel kan verdelen. Mogelijk is het vasthouden van de aandacht gelukt tijdens het gesprek daar in dit gesprek het enkel over zijn leven gaat. Dit is natuurlijk iets anders dan dat je de aandacht moet vasthouden als het niet over jezelf gaat.
Door de vermijdende copingstijl gaat eiser geen hulp vragen. Eiser vraagt meestal pas veel te laat hulp van andere mensen. Daardoor is het wel degelijk nodig dat eiser kan terugvallen op een collega.
Dat het voor de toekomst goed zal zijn als eiser gaat werken aan menselijk contact, kan zo zijn. Maar het is de vraag of het mogelijk is op de datum in geding. Op dat moment was eiser nog niet bezig met zijn PTSS behandeling. Daarnaast geeft het UWV zelf aan dat het een geleidelijke opbouw moet zijn.
Een urenbeperking van 6 uur per dag is daarnaast onvoldoende. Eiser zal eerst aan zijn
PTSS moeten gaan werken voordat hij in staat is om werk op te pakken. Daarbij zal dit geleidelijk moeten gebeuren.
Eiser heeft sinds de oorlog gehoorproblemen. Door een explosie zijn namelijk zijn beide oren beschadigd. Zijn linkeroor is later geopereerd. Echter zijn rechteroor moet nog
geopereerd worden. Echter door angst voor de operatie heeft eiser dit nog niet durven te doen. Daardoor kan niet anders dan worden geconcludeerd dat er wel degelijk gehoorproblemen zijn.
Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser verwezen naar de reactie van medisch adviseur [dokter] . Met betrekking tot de opmerking van de verzekeringsarts b&b dat er geen objectieve afwijkingen in de vorm van hersenletsel dan wel schade in hersenstructuren zijn, wordt opgemerkt dat niet alle opties daarbij zijn gebruikt. Tevens dient vermeld te worden dat eiser meerdere ongevallen met mogelijk licht schedelhersenletsel doormaakte over de laatste jaren vooraf aan de litigieuze datum.
Ook zonder de voorwaarde van een beperkte realiteitstoetsing kunnen mensen hun eigen (ervaren) beperkingen hoger inschatten dan objectief kan worden aangegeven. Met name bij chronische pijn is duidelijk geworden, dat deze op veel (levens-)gebieden ingrijpt en veel hersengebieden beïnvloedt. Een van die gebieden is het inschatten van de ernst van de ten grondslag liggende aandoening met daaruit voortvloeiend de angst voor “grote” schade. Dat een dergelijke situatie therapeutisch te beïnvloeden kan zijn doet niets af aan het gegeven dat die therapie niet actueel was ten tijde van de datum in geding, terwijl eiser zijn beperkingen (en met name zijn lage energie niveau) wel als zeer beperkend ervoer op dat moment. Dit wordt nog eens versterkt door zijn vermijdende coping.
De verzekeringsarts b&b heeft met betrekking tot het vasthouden en verdelen van de aandacht geen rekening gehouden met de prikkelgevoeligheid van eiser respectievelijk de interferentie van chronische (hoofd-)pijn met het cognitief functioneren. In werk wordt interferentie gevoeligheid wel erkend, maar voor het normale dagelijks leven zou zij niet gelden. Deze tegenspraak is onlogisch.
Gezien eisers achtergrond moet hij zich meer inspannen om normaal te functioneren. Alsmede dat hij door zijn gehoorprobleem, dat niet groot is, maar periodiek zeker aanwezig, informatie kan missen. Hij moet dan terug kunnen vallen op een collega die hem zaken kan uitleggen of kan attenderen op gemiste informatie.
Per de datum in geding was geen sprake van (geplande) therapie en het resultaat van eventuele interventies dient nog te worden afgewacht. Ook is de invloed van de PTSS op het daadwerkelijk fysieke functioneren nog niet uitbehandeld en kan er dus niet zonder meer
gesteld worden dat er geen blijvende fysieke klachten zullen zijn. Waarbij wordt opgemerkt dat ook bij het niet constateren van afwijkingen fysieke schade mogelijk is, dat is mede afhankelijk van de gebruikte onderzoeksmiddelen.
Niet helder is, gezien de hoge slaapbehoefte die eiser had, of hij 30 uur per week kan werken. Dat kan in wezen pas blijken gedurende een komende re-integratie traject in
passende arbeid. Ten tijde van de litigieuze datum was er geen sprake van adequate therapie, maar wel van alle klachten die eiser had met dagritme, problemen met slapen. Deze vloeiden voort uit de gevolgen van de ongevallen en de PTSS. Niet bekend is wat de belastbaarheid van eiser eigenlijk is. Bij hem moet eerst sprake zijn van adequate therapie vooraleer een weg kan worden ingeslagen naar succesvolle en behulpzame re-integratie.
Daarnaast wordt overwogen dat uit de anamnese en de stukken blijkt dat eiser toen hij 40 uur werkte zeer geregeld te laat op het werk verscheen om zijn werktijd vol te kunnen maken. Verder blijkt zijn verhoogde recuperatie behoefte eveneens uit zijn dagverhaal en past die bij zijn aandoeningen, vandaar de inschatting om het aantal werkbare uren te verminderen tot 24.
Verder dient er rekening mee te worden gehouden dat eiser iemand is die naar verwachting geregeld klachten heeft van het gehoor zodat hij niet geschikt is voor functies waar
voortdurende goede audiologische alertheid aan de orde is.
De verzekeringsarts b&b heeft in de medische rapportage van 19 mei 2026 overwogen dat het beroepsschrift met de aanvullende medische rapportages voor wat betreft het gehoor aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de belastbaarheid van eiser. Er wordt geen aanleiding gezien om de belastbaarheid op andere aspecten te wijzigen.
In de medische rapportage van 12 januari 2026 werd rekening gehouden met de bevindingen van zowel het psychiatrisch expertise onderzoek ( [expertisebureau] ) als de bevindingen van [behandelcentrum] . Hierbij werden ruime beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren aangewezen. Volgens eiser dient wel een beperking ten aanzien van inzicht in eigen kunnen te worden aangegeven, omdat hij ten tijde van datum in geding behandeling van PTSS vermeedt. Hierin kan niet worden meegegaan. In de medische rapportage van 12 januari 2026 werd reeds uitgebreid beargumenteerd waarom deze beperking bij eiser niet is geïndiceerd. Het vermijden van behandeling betekent niet dat er sprake is van een beperkt inzicht in eigen kunnen. Uit meerdere gegevens komt naar voren dat eiser zijn eigen handelen weet te sturen tot starten of doorzetten van actie. Weliswaar heeft vermijdend gedrag een negatieve rol in het geheel. Het is echter van belang dat het zelfvertrouwen van eiser wordt bevestigd en verder wordt vergroot ten aanzien van het adequaat ondernemen van actie. Dit geldt ook voor wat betreft de redenatie van medisch adviseur [dokter] , waarbij wordt aangegeven dat chronische pijn leidt tot beïnvloeding van hersengebieden met als gevolg angst voor schade en forse ervaren belemmeringen. Het aangeven van een beperkende score ten aanzien van inzicht in eigen kunnen is, naast niet aangewezen, niet helpend en juist gedragbevestigend hierbij.
De redenatie van eiser met betrekking tot beperkingen ten aanzien van vasthouden en
verdelen van de aandacht kan de verzekeringsarts b&b niet goed volgen. Zoals omschreven in de medische rapportage van 12 januari 2026 blijkt uit observaties van verschillende professionals dat er geen bijzonderheden ten aanzien van de concentratie en aandacht zijn. Volgens eiser zouden op het gebied van aandacht en concentratie problemen ontstaan wanneer een gesprek niet over hem zelf gaat. Dit is niet aannemelijk. Beperkingen ten aanzien van aandacht en concentratie als gevolg van een ernstige (cognitieve) stoornis, zoals bedoeld onder de betreffende beoordelingspunten, komen naar verwachting naar voren tijdens alle belastende bezigheden, onafhankelijk van de inhoud of het onderwerp.
Medisch adviseur [dokter] vult aan dat rekening moet worden gehouden met prikkelgevoeligheid van cliënt. Deze voorwaarde werd reeds in aanmerking genomen door aan te geven dat eiser is aangewezen op een rustige werkomgeving. Ook wordt opgemerkt dat eiser zich wellicht meer moet inspannen rondom aandacht en concentreren. Hiermee werd volgens de verzekeringsarts b&b voldoende rekening gehouden door ervan uit te gaan dat langdurige alertheid meer moeite kost en daarbij horende beperkingen aan te geven.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij moet kunnen terugvallen op een collega, wordt verwezen naar de medische rapportage van 12 januari 2026. Hetzelfde geldt voor de stelling dat een beperking ten aanzien van ieder menselijk contact aangewezen is. De verzekeringsarts b&b kan zich erin vinden dat intensieve contacten niet wenselijk zijn. Hiermee werd ruim voldoende rekening gehouden door de reeds aangegeven beperkingen. Ook met betrekking tot de stelling dat een verdergaande urenbeperking is aangewezen, wordt verwezen naar de medische rapportage van 12 januari 2026.
De correspondentie over eisers gehoorproblemen dateert van 2014 en 2016, ruim voorafgaande aan datum in geding. In de tussenliggende tijd tot aan datum in geding heeft geen operatieve behandeling aan rechterzijde plaatsgevonden. Er is geen actueel audiologisch onderzoek rondom datum in geding voorhanden. De omvang van gehoorverlies rondom datum in geding is daarom niet met zekerheid aan te geven. De verwachting is dat het gehoor aan linker zijde vergelijkbaar zal zijn met de bevindingen na operatie in 2014. Voor wat betreft het rechter oor is de verwachting dat de trommelvliesperforatie, gelet op de grootte van het defect ook rondom datum in geding nog steeds aanwezig zal zijn. Ook moet daarbij rekening worden gehouden met nog steeds aanwezig licht conductief gehoorverlies. Gelet op het verschil in gehoor tussen links en rechts zal aangegeven worden dat het voor eiser moeilijk is om te bepalen uit welke richting een geluid komt. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een verminderd spraakverstaan in een rumoerige omgeving.
Deze beperking is toegevoegd aan de FML van 19 mei 2026.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de beperkingen ten aanzien van omgaan met conflicten, handelingstempo, eigen gevoelens uiten, sterk wisselende omstandigheden, leidinggevende taken, dynamische en statische handelingen, allergieën en eisers gehoorverlies correct zijn vastgesteld.
Tussen partijen is nog wel in geschil of (verdergaande) beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren dienen te worden aangenomen, te weten ten aanzien van het inzicht in eigen kunnen, het vasthouden en verdelen van de aandacht, de aanwezigheid van collega’s en/of leidinggevende en menselijk contact. Ook is in geschil of een verdergaande urenbeperking dient te worden aangenomen.
De rechtbank constateert dat medisch adviseur [dokter] heeft overwogen dat er een beperking dient te worden aangenomen ten aanzien van het item inzicht in eigen kunnen. Zowel medisch adviseur [dokter] als de verzekeringsarts b&b hebben overwogen dat er bij eiser sprake is van een vermijdende copingstijl. De rechtbank kan de overwegingen van de verzekeringsarts b&b volgen dat dit nog niet betekent dat sprake is van een verminderde realiteitstoetsing van de eigen mogelijkheden tot functioneren of een verstoring van het eigen kunnen. Daar ontbreken aanwijzingen voor.
Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat een beperking dient te worden aangenomen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b terecht als uitgangspunt genomen dat dergelijke beperkingen alleen bij ernstige stoornissen worden aangenomen, en voldoende gemotiveerd dat daarvan bij eiser geen sprake is. De verzekeringsarts b&b heeft bovendien aangenomen dat eiser gebaat is bij een rustige werkomgeving en heeft beperkingen aangenomen die voorkomen dat eiser langdurig alert moet zijn, zo is aangenomen dat hij niet beroepsmatig een voertuig kan besturen. Eisers stelling dat hij op dit vlak veel belemmeringen ondervindt, betekent niet dat hij voldoet aan de strenge eisen die gesteld worden voordat een beperking op dit vlak wordt aangenomen.
Verder is medisch adviseur [dokter] van mening dat voortdurende en onmiddellijke fysieke aanwezigheid van collega’s of leidinggevenden vereist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b dit niet hoeven volgen. Er is voldoende tegemoetgekomen aan eisers beperkingen door aan te geven dat hij is aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Daarnaast wordt eiser in staat geacht adequaat hulp in te schakelen.
De stelling van eiser dat hij beperkt moet worden ten aanzien van ieder menselijk contact, wordt evenmin gevolgd. Door beperkingen aan te nemen met betrekking tot het uiten van gevoelens, omgaan met conflicten en intensieve contacten, heeft de verzekeringsarts b&b eisers klachten voldoende ondervangen.
Op grond van de Standaard Duurbelasting heeft de verzekeringsarts b&b daarnaast geen aanleiding hoeven zien om een verdergaande urenbeperking dan maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week aan te nemen. Medisch adviseur [dokter] heeft niet onderbouwd waarom een urenbeperking van 24 uur per week dient te worden aangenomen. Eisers stelling dat hij zelfs niet in staat is om 24 uur per week te werken, is ook niet onderbouwd.
Niet gebleken is dat in de FML van 19 mei 2026 de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
9. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) en Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030).
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat er in de functie Productiemedewerker industrie teveel prikkels zijn, denk aan andere collega’s, geluid door afzuiginstallatie. In deze functie dient verder te lang te worden gezeten. Daarnaast is het te belastend voor eisers rug om te torderen, boven schouderhoogte actief te zijn en zijn hoofd te fixeren.
De functie Productiemedewerker textiel geeft te veel prikkels. Er is geluid van allerlei machines. Daarnaast zijn er veel collega’s in dezelfde ruimte. Verder dient eiser in deze functie samen te werken. Dit is niet haalbaar. In deze functie dient daarnaast vaak te worden gebogen wat niet haalbaar is met zijn rug. In deze functie dient eiser te knielen/hurken, wat niet mogelijk is omdat hij daardoor hoofdpijn krijgt. Ook in deze functie dient eiser te
torderen, boven schouderhoogte actief te zijn en zijn hoofd te fixeren wat te belastend is voor zijn rug. Daarnaast dient in deze functie zwaar te worden getild wat niet mogelijk is. Ook kan eiser slechts 15 minuten zitten.
Ook de functie Medewerker binderij, grafisch nabewerker geeft te veel prikkels. Er is geluid van allerlei machines. Daarnaast zijn er veel collega’s in dezelfde ruimte. Verder is er een overschrijding in het staan tijdens het werk.
Naar aanleiding van de gewijzigde FML van 19 mei 2026 en de beroepsgronden heeft de arbeidsdeskundige b&b overwogen dat de geduide functies nog steeds passend zijn.
In de functie Productiemedewerker industrie is er geen sprake van een kenmerkende belasting op item 2.2. Horen. Er wordt aan een eigen tafel gewerkt. In de omgeving is slechts (zoemend) machinegeluid van minder dan 80dB (functie 3693.3333.023) of is sprake van een rustige werkomgeving waarbij er een grote onderlinge afstand is tussen de werkplekken (3699.0325.029). Deze omstandigheden leiden niet tot verminderd spraakverstaan. Los daarvan is er geen sprake van een werksituatie waarin er vanuit de functie veel gecommuniceerd moet worden. Er is dan ook geen knelpunt.
Naar aanleiding van de beroepsgronden wordt overwogen dat, zoals reeds beschreven in het Resultaat Functiebeoordeling, afleiding door anderen (1.8.1) door de arbeidsdeskundig analist niet als kenmerkend is beschouwd. Dat betekent dat het niet aannemelijk is dat dit werk is met veel prikkels. Desgewenst kunnen de auditieve prikkels uitgesloten worden door gebruik te maken van noise-canceling. Dit is namelijk geen communicatieve functie en er hoeven ook geen auditieve signalen in de gaten gehouden te worden. Torderen en zitten blijft binnen de door de verzekeringsarts b&b aangegeven waarden. Boven schouderhoogte actief zijn komt in de functie niet voor. Ten aanzien van hoofdfixatie zijn er geen beperkingen aangenomen.
In de functie Productiemedewerker textiel is er ook geen sprake van een kenmerkende belasting op item 2.2. Horen. Er wordt aan een eigen machine gewerkt en deze staan ruim uit elkaar. Er is sprake van auditieve prikkels. Deze omstandigheden leiden niet tot een knelpunt. Er is geen sprake van een werksituatie waarin er vanuit de functie gecommuniceerd moet worden.
Naar aanleiding van de beroepsgronden wordt overwogen dat, zoals reeds beschreven in het Resultaat Functiebeoordeling, afleiding door anderen (1.8.1) door de arbeidsdeskundig analist niet als kenmerkend is beschouwd. Desgewenst kunnen de auditieve prikkels uitgesloten worden door gebruik te maken van noise-canceling. Dit is namelijk geen communicatieve functie en er hoeven ook geen auditieve signalen in de gaten gehouden te worden. Torderen, tillen, buigen en boven schouderhoogte actief zijn blijven binnen de door de verzekeringsarts b&b aangegeven waarden, evenals zitten. Ten aanzien van knielen en hurken en hoofdfixatie zijn er geen beperkingen aangenomen.
Ook in de functie Medewerker binderij, grafisch nabewerker is er geen sprake van een kenmerkende belasting op item 2.2. Horen. Er wordt aan een eigen machine gewerkt.
Desgewenst kunnen de auditieve prikkels uitgesloten worden door gebruik te maken van noise-canceling. Dit is namelijk geen communicatieve functie en er hoeven ook geen auditieve signalen in de gaten gehouden te worden. Deze omstandigheden leiden niet tot een knelpunt.
Voor wat betreft de genoemde prikkels in de beroepsgronden wordt verwezen naar hetgeen hierboven staat vermeld. Ten aanzien van staan is in het Resultaat Functiebeoordeling gemotiveerd aangegeven waarom er geen sprake is van een knelpunt.
Met betrekking tot eisers stelling dat in alle drie de geduide functies te veel prikkels aanwezig zijn als gevolg van bijvoorbeeld machines en collega’s, heeft de arbeidsdeskundige b&b naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van overmatige prikkels. De arbeidsdeskundige b&b heeft daarbij de aard van het werk, de indeling van de werkplekken en het gebruik van noise-canceling kunnen betrekken.
Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige b&b kunnen overwogen dat de functie Productiemedewerker industrie geschikt is voor eiser, ondanks een overschrijding op item
gebogen en/of getordeerd actief zijn. De frequentie in de referentiewaarde is 2 maal per uur. In deze functie wordt de hogere frequentie (5 x) gecompenseerd door de kortere duur (3 minuten) ten opzichte van de referentiewaarde (5 minuten). Daarnaast vindt dit werk zittend plaats, hetgeen meer steun geeft, en is de buighoek slechts 30 graden.
De arbeidsdeskundige b&b heeft eveneens kunnen overwegen dat de functie Medewerker binderij geschikt is voor eiser, ondanks een overschrijving op item 5.4.1. staan. De dagelijkse belasting is 1 uur en blijft daarmee ruimschoots binnen de 4 uren. 1 keer per 2 weken is dit 5,6 uren, afhankelijk van de werkplek. Dit is een incidentele piekbelasting die valt binnen de toegestane waarden. Temeer omdat er elk kwartier enige afwisseling is. Los daarvan kan er bij de toewijzing van de werkplek rekening gehouden worden met de beperking op dit vlak. Dat kan in alle redelijkheid van een werkgever gevergd worden, gezien het incidentele karkater.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Voor zover het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten voortvloeit uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, is die opvatting, zoals de rechtbank in overweging 8.6. heeft geconcludeerd, niet juist. In de geduide functies worden namelijk de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde beperkingen, naast hetgeen hiervoor is besproken, niet overschreden en de door eiser gestelde verdergaande beperkingen zijn niet aangenomen.
De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
10. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,07%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 juni 2023 heeft vastgesteld op 57,07%.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar en het beroep tegen het besluit van 31 maart 2025 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser dient te vergoeden, nu terecht beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en het besluit van 31 maart 2025 is herzien.
Ook bestaat er aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
Daarnaast heeft eiser verzocht om vergoeding van de kosten van de deskundigen ten bedrage van € 9.873,30. Deze kosten vallen onder artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en artikel 8:36, tweede lid, van de Awb wordt de vergoeding van kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken (Wts) en het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). De werkzaamheden van de door eiser ingeschakelde medisch adviseur vallen onder artikel 6, aanhef, van het Bts. De werkzaamheden van de door eiser ingeschakelde psychiater van [expertisebureau] vallen onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bts. In 2025 bedroeg de vergoeding maximaal € 162,63 per uur. In 2026 bedroeg de vergoeding maximaal € 184,42 per uur. Daarbij dient op grond van artikel 9 van het Bts te worden afgerond op hele en halve uren.
Tussen partijen is niet in geschil dat de deskundigenkosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover zij voorgenoemd maximaal uurtarief niet overschrijden. Aangezien de gefactureerde uurtarieven dit maximum overschrijden, zal de rechtbank aan de hand van het maximale uurtarief de proceskostenvergoeding berekenen.
Op 10 juni 2025 heeft medisch adviseur [dokter] 12,5 uur gefactureerd voor het opstellen van het rapport van 5 juni 2025. Op 2 oktober 2025 heeft hij een factuur voor 1,25 uur ingediend voor het doornemen van aanvullende stukken en een kort antwoord versturen naar de belangenbehartiger. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit aan te merken als verslag uitbrengen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Tot slot heeft hij op 23 maart 2026 3 uur gefactureerd voor het opstellen van het aanvullend rapport van 16 maart 2026.
De door het UWV te vergoeden kosten voor de rapporten van medisch adviseur [dokter] bedragen daarom € 2.830,08 (afgerond 14 uur x € 162,63 + 3 uur x € 184,42). Dit bedrag wordt op grond van artikel 15 van het Bts verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd en komt daarmee uit op € 3.424,40.
[expertisebureau] heeft op 28 augustus 2025 17,5 uur gefactureerd. De door het UWV te vergoeden kosten voor het rapport van [expertisebureau] bedragen daarom € 2.846,03 (17,5 uur x € 162,63). Dit bedrag wordt op grond van artikel 15 van het Bts ook verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd en komt daarmee uit op € 3.443,70.
De gefactureerde administratiekosten van € 217,50 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet.
De vergoeding bedraagt dan in totaal € 8.736,10.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.