RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12247783 \ VV EXPL 26-53
Vonnis in kort geding van 11 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING TBV,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: TBV,
gemachtigde: mr. T. Stoutjesdijk,
tegen
[bewindvoerder] , in hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. C.C.M. Welten.
De zaak in het kort
[huurder] huurt een woning van TBV op de begane grond van een wooncomplex. TBV wil dat [huurder] zijn scootmobiel niet meer in de gemeenschappelijke ruimten stalt, omdat dit een (brand)gevaarlijke situatie oplevert. Volgens de wet is een scootmobiel een brandgevaarlijk object dat niet in de gemeenschappelijke gang mag staan. De kantonrechter verbiedt [huurder] daarom om de scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten van het complex te plaatsen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in kort geding van 4 juni 2026 met producties,
de productie van [huurder] ,
de producties van TBV,
de mondelinge behandeling van 28 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de pleitnota van [huurder] .
2. De feiten
TBV verhuurt sinds 18 mei 2016 voor onbepaalde tijd aan [huurder] de sociale huurwoning aan het [adres] in [plaats] .
Uit het Besluit bouwwerken en leefomgeving volgt dat het verboden is om in een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert brandgevaarlijke of belemmerende objecten aanwezig te hebben. Scootmobielen worden in artikel 6.15a lid 1 sub b expliciet aangemerkt als brandgevaarlijke objecten.
TBV heeft alle bewoners van het wooncomplex bij brief van 12 augustus 2024 geïnformeerd dat in de algemene ruimten geen brandgevaarlijke spullen mogen staan, waaronder scootmobielen. [huurder] heeft hierbij tot 19 augustus 2024 de tijd gekregen om zijn persoonlijke spullen en eigendommen te verwijderen.
In een e-mailbericht van 16 augustus 2024 liet [huurder] weten dat hij geen gehoor zal geven aan het verzoek om de scootmobiel niet meer in de gemeenschappelijk ruimte te plaatsen. TBV heeft vervolgens meerdere keren gevraagd aan [huurder] om zijn scootmobiel weg te halen, maar hier heeft hij geen gehoor aan gegeven.
In een eerdere kort gedingprocedure heeft de voorzieningenrechter TBV bij vonnis van 26 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, omdat de vordering tot het verwijderen van de scootmobiel in de algemene ruimte – gelet op de toen nog bestaande gebruiksovereenkomst – niet tegen [huurder] had moeten worden ingesteld maar tegen zijn bewindvoerder.
3. Het geschil
TBV vordert – samengevat – [huurder] te verbieden om een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten binnen het wooncomplex te stallen, op straffe van dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 250,00. Als dat maximum bereikt is dan wil TBV een machtiging om de scootmobiel op kosten van [huurder] te verwijderen, met veroordeling van [huurder] in de proceskosten.
TBV legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft zich niet als goed huurder gedragen. Ondanks meerdere waarschuwingen blijft hij zijn scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimte stallen, terwijl dit een brandgevaarlijke situatie oplevert en in strijd is met het Besluit bouwwerken en leefomgeving.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van TBV, met veroordeling van TBV in de kosten van deze procedure. Subsidiair verzoekt [huurder] om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[huurder] voert het volgende aan. [huurder] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang. Daarnaast is er sprake van overmacht, want er is geen ruimte voor stalling van de scootmobiel in de woning en andere alternatieven heeft TBV onvoldoende onderzocht.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of TBV ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
Voldoende aannemelijk is geworden dat er door het stallen van de scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten van het complex een gevaarlijke situatie ontstaat. Het feit dat de huidige situatie al langere tijd bestaat, betekent niet dat er daardoor geen sprake kan zijn van spoedeisendheid, want iedere dag opnieuw is sprake van brandgevaar. TBV heeft daarom spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Scootmobiel is brandgevaarlijk
De kantonrechter stelt voorop dat uit het Besluit bouwwerken en leefomgeving volgt dat het verboden is om in gemeenschappelijke verkeersruimten van een woongebouw waardoor een vluchtroute voert brandgevaarlijke of belemmerende objecten aanwezig te hebben. Scootmobielen worden daarbij aangemerkt als brandgevaarlijke objecten.
TBV heeft [huurder] meerdere keren gevraagd om zijn scootmobiel uit de gemeenschappelijke gang weg te halen, maar ondanks deze verzoeken houdt [huurder] zich hier (nog steeds) niet aan. [huurder] heeft aangevoerd dat zijn scootmobiel de vluchtroute niet belemmert in de brede gang en dat de vereiste breedte van een vrije doorgang van 0,85m ruim gehaald wordt, maar dat is hier niet het probleem. Het gaat om het feit dat zijn scootmobiel een brandgevaarlijk object is, ongeacht de breedte van de vluchtroute. Ter zitting heeft [huurder] aangegeven dat hij van mening is dat zijn scootmobiel niet brandgevaarlijk is, omdat daarin een type accu zit dat niet uit zichzelf in brand vliegt. Volgens de wet is een scootmobiel wel brandgevaarlijk en daar kan de kantonrechter niet omheen.
Alternatieven voor de stalling van de scootmobiel
[huurder] heeft aangevoerd dat hij de scootmobiel nergens anders kan stallen en hij verwijt TBV dat zij niet als goed verhuurder heeft gehandeld door onvoldoende alternatieve oplossingen te onderzoeken, maar dit heeft TBV gemotiveerd weersproken.
Volgens [huurder] past de scootmobiel niet in zijn woning, maar TBV heeft met onder meer een filmpje aangetoond dat het een andere bewoner met hetzelfde model scootmobiel wel lukt om de scootmobiel in de woonkamer te stallen. Ter zitting is de mogelijkheid besproken dat de scootmobiel in de woonkamer van [huurder] kan staan, maar dat er dan wat spullen verplaatst moeten worden zoals bijvoorbeeld zijn televisie of de hometrainer. [huurder] heeft weliswaar aangegeven dat dit niet wenselijk is, maar dat het mogelijk is heeft [huurder] hiermee onvoldoende weersproken.
Ook voor de mogelijkheid van het stallen in de gang van de woning van [huurder] heeft TBV oplossingen aangedragen. Volgens [huurder] is stallen in de gang geen mogelijkheid, omdat hij dan niet meer met zijn rollator naar zijn voordeur kan lopen. TBV heeft aangeboden een leuning in de gang te plaatsen, zodat [huurder] niet met zijn rollator voorbij zijn scootmobiel hoeft en met een extra rollator in de berging zou hij altijd beschikken over een rollator in de gehele woning. Volgens TBV is op dit aanbod vanuit [huurder] geen reactie meer gekomen en dit heeft [huurder] niet meer weersproken. Daarnaast is ook aangeboden om een oprijplaat te plaatsen, zodat [huurder] (ook) via de achterdeur met zijn scootmobiel kan wegrijden en is aangeboden om een oplaadpunt te realiseren in de gang van de woning. Hoewel [huurder] betwist dat hij hiermee geholpen zou zijn, is de kantonrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat TBV niet met [huurder] heeft willen meedenken met mogelijke oplossingen.
Volgens [huurder] heeft TBV onvoldoende onderzocht of de containerruimte in het complex een mogelijke stallingsplaats zou kunnen zijn. TBV heeft echter toegelicht dat zij dit wel heeft onderzocht, maar dat de containerruimte na overleg met de gemeente Tilburg geen mogelijkheid meer is gebleken. Volgens [huurder] is ook niet onderzocht of de berging van één van de andere bewoners van het complex een mogelijkheid is, maar hierover heeft TBV aangegeven dat zij hierin niets kan betekenen en dat het [huurder] vrij staat om hierover zelf contact op te nemen met de andere bewoners.
Verder heeft [huurder] nog aangevoerd dat een mogelijke oplossing een brandveilige constructie kan zijn waar de scootmobiel in gestald kan worden, maar volgens TBV past dit niet in de gemeenschappelijke ruimte en zij acht dit ook niet wenselijk. Ter zitting is gesproken over de mogelijkheid van een dergelijke constructie op het terras van de woning. TBV heeft in dit kader aangevoerd dat zij [huurder] er op heeft gewezen dat hij hiervoor een schriftelijke aanvraag kan doen bij TBV, maar vast staat dat [huurder] dit nooit heeft ingediend. De kantonrechter is van oordeel dat [huurder] TBV dan ook niet kan verwijten dat een dergelijke oplossing niet verder is onderzocht. Bovendien heeft TBV er tijdens de zitting op gewezen dat er ook een taak is weggelegd bij de gemeente Tilburg om dergelijke alternatieve oplossingen te vinden op verzoek van [huurder] en dat [huurder] via de WMO kan verzoeken om een stalling in de directe nabijheid, en dit alles heeft [huurder] onvoldoende weersproken.
[huurder] heeft ook nog aangevoerd dat TBV niet als goed verhuurder heeft gehandeld door na het einde van de gebruiksovereenkomst (op basis waarvan [huurder] de scootmobiel eerder nog tegen betaling mocht stallen in de hal van het complex) deze procedure te starten zonder nader overleg over oplossingen. Hier gaat de kantonrechter niet in mee. Vast staat er dat er eerder al meerdere keren overleg is geweest over mogelijke oplossingen.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat TBV zich niet als goed verhuurder heeft gedragen door onvoldoende onderzoek te doen naar alternatieven voor de stalling van de scootmobiel van [huurder] .
Geen sprake van ongelijke behandeling
Verder is naar het oordeel van de kantonrechter ook geen sprake van ongelijke behandeling of direct of indirect onderscheid als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, zoals [huurder] stelt. [huurder] heeft aangevoerd dat andere bewoners een aangepaste berging hebben gekregen. TBV heeft toegelicht dat het klopt dat de bergingen van andere bewoners brandveilig zijn gemaakt, maar aangezien [huurder] zelf niet beschikt over een berging kan deze aanpassing voor hem ook niet gedaan worden. Er is hier naar het oordeel van de kantonrechter sprake van ongelijke gevallen, zodat van oneerlijke behandeling in gelijke gevallen geen sprake kan zijn.
De kantonrechter overweegt dat het geen fijne situatie is voor [huurder] , omdat het stallen van de scootmobiel in de woning niet zijn voorkeur heeft. Wellicht kan er nog gekeken worden naar andere mogelijkheden om de scootmobiel te stallen, al dan niet via de gemeente Tilburg. Dit alles neemt niet weg dat de scootmobiel momenteel in de gemeenschappelijke ruimte staat, terwijl deze daar niet mag staan.
[huurder] moet de scootmobiel weghalen
Op grond van de wet mag [huurder] zijn scootmobiel niet in de gemeenschappelijke ruimten van het complex plaatsen. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat in een bodemprocedure de vordering tot het verbieden van [huurder] om een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten binnen het wooncomplex te stallen zal worden toegewezen. Vooruitlopend hierop worden de vorderingen in dit kort geding toegewezen.
Het uitgangspunt is dat vorderingen tegen de bewindvoerder moeten worden ingesteld indien de (uit de huurovereenkomst voortvloeiende) rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Het verwijderen van de scootmobiel betreft geen recht voortvloeiend uit de tussen partijen overeengekomen huurovereenkomst, maar een verplichting die voortvloeit uit de wet. Daarom zal de vordering tot het verbieden om de scootmobiel te stallen in de gemeenschappelijke ruimte worden toegewezen ten aanzien van [huurder] . De hierbij gevorderde dwangsom behoort wel tot rechten die voortvloeien uit het onder bewind gestelde vermogen, zodat de bewindvoerder hiertoe zal worden veroordeeld. De dwangsom van € 50,00 voor elke dag dat [huurder] zich niet aan de verplichting houdt met een maximum van € 250,00 komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig voor en zal worden toegewezen.
TBV heeft ook nog een machtiging gevorderd om op rekening van [huurder] de scootmobiel te mogen verwijderen wanneer deze na het bereiken van het maximumbedrag aan dwangsom nog steeds in de gemeenschappelijke ruimte van het wooncomplex is geplaatst. [huurder] is het hier niet mee eens, omdat de scootmobiel niet zijn eigendom is en hiermee in feite in beslag wordt genomen. TBV heeft echter toegelicht dat de scootmobiel in dat geval wordt bewaard in haar garage aan de Schubertstraat 226 (wat op ongeveer negen minuten loopafstand ligt van het gehuurde) en als [huurder] belt voor een afspraak om deze op te halen dan kan hij weer over de scootmobiel beschikken. De vordering komt de kantonrechter dan ook niet onredelijk voor. Bovendien kan [huurder] deze situatie zelf voorkomen door de scootmobiel in zijn woning te stallen. De machtiging wordt daarom toegewezen.
De proceskosten
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van TBV worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
943,67
Uitvoerbaar bij voorraad
TBV heeft gevraagd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar hier is [huurder] het niet mee eens. De kantonrechter is van oordeel dat het collectieve belang van TBV van brandveiligheid voor alle bewoners en een vrije toegankelijke vluchtroute in het complex zwaarder weegt dan het belang van [huurder] bij behoud van de huidige situatie waarin hij zijn scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimtes stalt. [huurder] is voor zijn mobiliteit afhankelijk van zijn scootmobiel, maar voldoende vast is komen te staan dat de scootmobiel in de woning geplaatst kan worden. Weliswaar zorgt dit voor [huurder] voor ongemak, omdat dit ruimte inneemt in zijn woning, maar dit weegt niet op tegen de veiligheid van de omwonenden in het complex. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De kantonrechter
verbiedt [huurder] om een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten binnen het wooncomplex waar het gehuurde te ( [postcode] ) [plaats] aan het [adres] onderdeel van uitmaakt te (laten) stallen,
veroordeelt [bewindvoerder] in de hoedanigheid van bewindvoerder van [huurder] , om aan TBV een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag dat [huurder] niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 250,00 is bereikt,
machtigt TBV om, zodra de dwangsom onder 5.2 tot het maximum is verbeurd, voor rekening van en op kosten van [bewindvoerder] in de hoedanigheid van bewindvoerder van [huurder] de scootmobiel te verwijderen uit het wooncomplex waar het gehuurde te ( [postcode] ) [plaats] aan het [adres] onderdeel van uitmaakt wanneer het verbod onder 5.1 wordt overtreden,
veroordeelt [bewindvoerder] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van [huurder] , in de proceskosten van € 943,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.