ECLI:NL:RBZWB:2026:7570

ECLI:NL:RBZWB:2026:7570

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer 26-011540
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verzoekschrift ex art. 530 Sv, deels gegrond

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-062923-26

rk-nummer: 26-011540

Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

woonplaats kiezende op het kantoor van mr. M.N.A.J. de Vroom, Hart van Brabantlaan 12 5038 JL Tilburg.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 16 april 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:

Op 28 juli 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs en mr. D.C.O. Ayinla als gemachtigd en waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.

Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.

Standpunt verzoeker:

Namens verzoeker is aangevoerd dat hij is aangemerkt als verdachte van belediging. Op 2 maart 2026 is de strafzaak geseponeerd onder sepotcode 03 (geen vervolgingsrecht), zodat de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel. Verzoeker heeft kosten gemaakt voor rechtsbijstand ter hoogte van € 958,32 en verzoekt een vergoeding daarvan, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

In raadkamer heeft de advocaat aangevoerd dat er kosten voor het bestuderen van jurisprudentie in rekening zijn gebracht aan verzoeker en dat uit de jurisprudentie het uitgangspunt volgt dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. In gevallen waarbij het rechtskader meer dan gemiddeld ingewikkeld is, kan een uitzondering op dat uitgangspunt worden gemaakt (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2023:1650 en ECLI:NL:RBZWB:2023:3541).

In onderhavige zaak ging het in eerste instantie om discriminatie, waarna is afgeschaald naar belediging. Bij een verdenking van discriminatie gaat het om specifieke materie die nadere bestudering vergt nu dit geen alledaags wetsartikel betreft. Dat het om specifieke materie gaat, blijkt bovendien uit het feit dat het Openbaar Ministerie een landelijk expertisecentrum discriminatie heeft. Ten aanzien van de geschreven uren voor het versturen van een memo door mr. Cadogan en het ontvangen daarvan door mr. De Vroom refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt officier van justitie:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding moet worden gematigd naar € 771,98, nu bestuderen van jurisprudentie niet voor vergoeding in aanmerking komt.

In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt.

2. De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.

Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.

Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.

Verzoeker heeft verzocht om een vergoeding van kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 958,32, welke kosten mede zien op tijd die in rekening is gebracht ten behoeve van bestudering van jurisprudentie en kosten voor het versturen en ontvangen van een memo.

De rechtbank is van oordeel dat van specialisten en ook van jonge advocaten mag worden verwacht dat zij beschikken over de nodige algemene kennis op hun vakgebied en geen kosten voor bestudering van jurisprudentie in rekening brengen. Gelet op dit uitgangspunt en mede gelet op de omvang van het dossier en de beperkte complexiteit daarvan is de rechtbank van oordeel dat de tijd die thans voor de bestudering van jurisprudentie is geschreven bovenmatig is, zodat zij deze uren in mindering zal brengen op de verzochte vergoeding.

Ten aanzien van de in rekening gebrachte kosten voor het versturen en ontvangen van een memo is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding voor deze kosten niet billijk is, zodat zij deze uren eveneens in mindering zal brengen op het verzochte bedrag.

Gelet op vorenstaande zal de rechtbank op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 718,74.

Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 825,00 toegekend.

3. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 1.543,74, bestaande uit:

- € 718,74 aan kosten van rechtsbijstand;

- € 825,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;

wijst het verzoek voor het overige af;

bepaalt dat een bedrag van € 1.543,74 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.

Deze beslissing is op 11 augustus 2026 genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 augustus 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H.M. Collombon

Griffier

  • mr. D. van Spelde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand