RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-231110-25
rk-nummer : 26-005902
datum : 28 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. van Riel advocaat te Breda, Nieuwe Boschstraat 51 4811 CV Breda,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 24 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 28 juli 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. T. van Riel, advocaat te Breda en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Er is enkel sprake geweest van een eenmalig incident. Het bewaren en verwerken van het DNA-profiel heeft een negatieve invloed op de verdere levensontwikkeling van de veroordeelde en kan recidive in de hand werken. Ook wordt zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) ernstig wordt geschonden.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij voornoemd standpunt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. De in het bezwaarschrift aangevoerde argumenten zijn algemeen. Er zijn geen concrete bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan een uitzondering aan de orde is. Verder wordt er gesteld dat het recidiverisico beperkt of niet aan de orde is. Uit het strafblad van veroordeelde blijkt echter dat hij vaker met politie en justitie in aanraking is geweest. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling
Bij vonnis van 28 november 2025 is de veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van belediging en bedreiging van een politieambtenaar.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat de bedreiging waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor belediging en bedreiging van een politieambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat voor de opheldering van dergelijke misdrijven het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Daarnaast volgt uit het strafblad van verdachte dat niet slechts sprake is van een eenmalig incident.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.H.M. Collombon, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.