RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: /
rk-nummer: 26-010122
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1993,
wonende te [adres] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. E. van de Rakt, Baronielaan 95 4818 PC Breda.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
Op 28 juli 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs en mr. A.C.M. Tönis als gemachtigd en waarnemend raadsvrouw van klaagster gehoord.
Klaagster is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbende [belanghebbende] is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Standpunt van klaagster:
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat op 4 april 2026 de auto van klaagster met het [kenteken] in beslag is genomen. Klaagster is zelf geen verdachte in deze zaak en was ook niet de bestuurster van de auto ten tijde van de inbeslagname. Klaagster is eigenaar van de auto en heeft daarvan geen afstand gedaan. Zij heeft de auto ook niet door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. Klaagster wordt bezwaard door de inbeslagname en de voortduring daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen de gevraagde teruggave. Tevens is bij de huidige stand van zaken een verbeurdverklaring niet mogelijk. Klaagster verzoekt het klaagschrift gegrond te verklaren en over te gaan tot teruggave van de auto.
In raadkamer heeft de raadsvrouw aangevoerd dat klaagster er niet van op de hoogte was dat haar broer haar auto had meegenomen. De eerdere waarschuwing die klaagster heeft gehad, dateert van 2022. Zij heeft daarna goed op haar autosleutels gelet. Dat is een aantal jaren goed gegaan en klaagster vertrouwde erop dat haar broer de auto niet meer mee zou nemen. Klaagster heeft een kluis aangeschaft, om er in de toekomst zorg voor te dragen dat haar broer haar auto niet meer meeneemt. Klaagster heeft verder een persoonlijk belang bij teruggave van de auto. Hoewel zij zelf geen rijbewijs heeft, is zij onlangs een verhuis- en ontruimingsbedrijf gestart waarvoor zij de auto nodig heeft. Door de inbeslagname staat de opstart van het bedrijf stil. Daarnaast heeft klaagster kosten gemaakt voor de aanschaf van de auto en loopt de verzekering door.
Standpunt officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat de auto onder [belanghebbende] (de broer van klaagster, hierna te noemen beslagene) in beslag is genomen. De auto is in beslag genomen, omdat beslagene zonder rijbewijs in de auto reed. Er is sprake van tweemaal recidive en eenmaal herhaald plegen. Verder staan er soortgelijke verkeersfeiten op het strafblad van beslagene die buiten de recidivetermijn vallen en zijn er eerder al auto’s onder hem in beslag genomen wegens het rijden zonder rijbewijs. Beslagene is tot op heden niet in het bezit van een rijbewijs. Klaagster is de tenaamgestelde van de inbeslaggenomen auto. Zij en beslagene wonen op hetzelfde adres en beslagene heeft eerder zonder rijbewijs in een auto van klaagster gereden. Klaagster is toen gewaarschuwd dat een volgende keer haar auto in beslag zou worden genomen. Daar komt bij dat klaagster eerder al een keer bijrijder is geweest toen beslagene in haar auto reed en er al een keer eerder een auto van klaagster onder beslagene in beslag is genomen. Die auto is toen aan klaagster teruggegeven met een waarschuwing. Klaagster wist dat beslagene niet beschikt over een rijbewijs en dat hij gebruik maakt van haar auto. Van klaagster mocht dan ook worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen om herhaling te voorkomen. Klaagster lijkt geen boodschap te hebben aan een eerdere inbeslagname en waarschuwing en kennelijk kan beslagene haar auto onbeperkt en ongestoord gebruiken. Het Openbaar Ministerie acht verbeurdverklaring van de auto passend en zal deze later vorderen bij de strafrechter. Het strafvorderlijk belang dient te prevaleren boven het persoonlijk belang van klaagster. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring van het voertuig zal beslissen. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.
In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt. Hij heeft daar nog aan toegevoegd dat klaagster op 27 februari 2026 wederom is gewaarschuwd.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
In dit geval is klaagster een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt. Klaagster stelt rechthebbende te zijn en klaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave. De rechtbank zal dan bij de beoordeling ook rekening moeten houden met art. 33a, tweede lid aanhef en onder a, Sr. In dit artikel is bepaald onder welke voorwaarden een voorwerp dat niet aan de veroordeelde toebehoort kan worden verbeurd verklaard. Die verbeurdverklaring is mogelijk als de rechthebbende wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat kort gezegd er een relatie bestaat tussen het voorwerp en een strafbaar feit.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank is van oordeel dat klaagster gelet op eerdere waarschuwingen wist dat haar broer gebruikmaakte van haar auto, dat hij niet beschikte over een rijbewijs en dat zij daardoor het risico liep dat haar auto in beslag genomen zou worden. Ook wist zij kennelijk dat zij goed op haar autosleutel moest passen, want dat heeft zij volgens de raadsvrouw ook lange tijd gedaan, maar dat is kennelijk toch onvoldoende gebeurd. Beslagene beschikt tot op heden niet over een rijbewijs en heeft meermalen recidive voor het rijden zonder rijbewijs. Klaagster stelt dat zij wordt benadeeld door de voortduring van de inbeslagname. De rechtbank stelt op basis van hetgeen in raadkamer is aangevoerd vast dat klaagster niet beschikt over een rijbewijs. Klaagster kan en mag dan ook zelf geen gebruik maken van de auto. Niet duidelijk is geworden voor welk gebruik klaagster desondanks al jarenlang een auto nodig heeft, zodat van een (disproportionele) benadeling door de voortdurende inbeslagname geen sprake is, ook niet als daarbij in aanmerking wordt genomen de, niet onderbouwde, stelling dat zij onlangs een bedrijf is gestart waarvoor zij de auto nodig heeft.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 11 augustus 2026 genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).