Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-286814-24
v.i. nummer: 89-000279-24rk-nummer: 26-018244
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van:
[de veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Oirschot,
Pallande 3, 5688 NH Oirschot,
(hierna: de veroordeelde),
1. De procedure
Het bezwaar is behandeld in openbare raadkamer van 28 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het bezwaarschrift van 26 juni 2026;
- de beslissing van de officier van justitie van 15 juni 2026;
- het advies van de reclassering van 10 juni 2026;
- alle overige stukken.
De officier van justitie mr. I. Bouhdan en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr. F.A.J. van Rijthoven, zijn gehoord.
2. De procesgang
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 maart 2025, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.
De veroordeelde is op 2 januari 2026 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Als bijzondere voorwaarden zijn onder meer gesteld: - een meldplicht bij de reclassering;- een drugs- en alcoholverbod en onderzoeksplicht;- ambulante behandeling;- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;- het meewerken aan het verkrijgen en het behouden van een woonruimte en structurele en zinvolle dagbesteding.
De proeftijd is ingegaan op 2 januari 2026 en bedraagt 365 dagen.
Bij beslissing van 15 juni 2026 heeft het Openbaar Ministerie besloten de v.i. van veroordeelde te herroepen voor de duur van 237 dagen en is de verdere tenuitvoerlegging van de straf gelast. Aan de herroeping ligt ten grondslag dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden zoals blijkt uit het rapport van de reclassering van 10 juni 2026.
Tegen deze beslissing heeft veroordeelde een bezwaarschrift ingediend dat op 26 juni 2026 bij de griffie van deze rechtbank is ontvangen.
3. Het bezwaar
Namens veroordeelde is aangevoerd dat hij op 15 juni 2026 de beslissing tot herroeping van de VI heeft ontvangen. Veroordeelde heeft geen urinecontroles geweigerd en heeft middelengebruik gemeld, zodat hij transparant is geweest. Hij heeft zich niet in een netwerk van medegebruikers begeven. Wel gebruikt zijn partner middelen en werd veroordeelde daarin meegetrokken. Veroordeelde erkent dat hij een uitglijder in middelengebruik heeft gemaakt, maar dat betreft geen terugval. Veroordeelde is zelf actief op zoek gegaan naar een plek waar hij terecht kon en heeft een baan en huisvesting aangeboden gekregen bij [bedrijf] te [plaats 2] . Hij is zijn behandelafspraken een week niet nagekomen, omdat hij op 9 juni 2026 naar zijn schoonmoeder in het ziekenhuis ging. Onderweg kwam hij zijn partner tegen en zij heeft zijn telefoon afgenomen. Veroordeelde heft lang gewacht voordat zijn therapie begon en hij wil dit traject graag voortzetten en goed afronden. Ten aanzien van de meldplichtdata geeft veroordeelde aan dat hij wel op de boerderij was, maar dat hij zijn telefoon niet kon opnemen omdat hij aan het werk was. Dat is bekend bij zijn begeleider. Veroordeelde wil graag onder voorwaarden de VI voortzetten en verzoekt de herroeping van de VI in duur terug te brengen, zodat hij aan de slag kan met onder meer zijn therapie.
De raadsman heeft ter zitting verzocht de VI te herroepen voor een termijn van drie maanden. Dat geeft de reclassering en [organisatie] de mogelijkheid om opnieuw een traject voor veroordeelde op te zetten, zodat een nieuw VI-traject in gang kan worden gezet.
Veroordeelde heeft ter zitting aangevoerd dat hij zich hard heeft ingezet en zich wel laat begeleiden. Een traject gaat met vallen en opstaan, zeker met zijn verleden. Veroordeelde verzoekt de rechtbank hem nog een kans te geven.
4. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het reclasseringsadvies volgt dat veroordeelde zich niet aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden. Dat de overstap naar [bedrijf] in overleg met [organisatie] is gegaan, volgt niet uit het reclasseringsadvies. Bovendien is veroordeelde niet gestart bij [bedrijf] . Dat veroordeelde zijn behandeling wenst voort te zetten, wat niet mogelijk is bij herroeping van de VI, komt voor zijn eigen rekening nu hij zelf de afspraken niet is nagekomen. Het is aan veroordeelde om contact te houden met de reclassering en zijn behandelaar en om hen te laten weten als hij zich niet aan een afspraak kan houden. Veroordeelde heeft dat nagelaten. Door het overtreden van de voorwaarden kan er in geen enkel opzicht worden gesproken van een open, meewerkende en gemotiveerde houding binnen het toezicht. Daarmee is het uitvoeren van een toezicht nutteloos, omdat op die manier niet kan worden gewerkt aan gedragsverandering en risicobeperking. De officier van justitie verzoekt het bezwaarschrift van veroordeelde ongegrond te verklaren.
Ter zitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij voornoemd standpunt.
5. Het reclasseringsadvies
De reclassering heeft geadviseerd tot herroeping van de VI omdat de veroordeelde zich niet aan de gestelde voorwaarden heeft gehouden. Gedurende het toezicht was sprake van terugval in oud gedrag. Veroordeelde is tweemaal positief getest op drugsgebruik en heeft daarnaast driemaal geweigerd medewerking te verlenen aan urinecontroles. Hij neemt onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en externaliseert de oorzaak van zijn middelengebruik door de schuld bij zijn partner neer te leggen. Veroordeelde toont daarmee onvoldoende inzicht in de samenhang tussen zijn persoonlijke problematiek, middelengebruik en zijn delictgedrag. Gedurende het toezicht gaf veroordeelde aan moeite te hebben met de structuur en beperkingen van het beschermd wonen, omdat hij wilde werken en meer vrijheid wenste dan binnen het traject mogelijk was. Veroordeelde heeft gedurende het traject agressief gedrag getoond richting zijn ambulant begeleider en ondanks meerdere waarschuwingen bleef dit gedrag voortduren. Na dit incident heeft veroordeelde geen gehoor meer gegeven aan oproepen van de reclassering en is hij gestopt met het nakomen van afspraken binnen de verslavingsbehandeling. Verder heeft veroordeelde het beschermd wonen traject voortijdig verlaten. Veroordeelde kiest er bewust voor om het toezicht en de hulpverlening te ontwijken en onttrekt zich daarmee aan de voorwaarden die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden.
6. De beoordeling
Op grond van artikel 6:2:13 Sv (oud) kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien een daaraan verbonden voorwaarde niet is nageleefd.
In de bezwaarschriftprocedure dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen.
De rechtbank stelt op basis van het reclasseringsadvies, de overige stukken en het verhandelde ter zitting vast dat veroordeelde zijn voorwaarden niet heeft nageleefd. Hij heeft opnieuw drugs gebruikt, controles daarop hebben deels niet plaatsgevonden, hij heeft zich onvoldoende gehouden aan de afspraken met de reclassering, is onvoldoende bereikbaar geweest en is tegen het uitdrukkelijke advies van de begeleiding naar een nieuwe werkplek en huisvesting vertrokken. Veroordeelde heeft allerlei redenen genoemd waarom dit is gebeurd, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zijn eigen verantwoordelijkheid daarbij onder ogen te zien. Ook lijkt hij het belang van het naleven van die voorwaarden onvoldoende te zien, en in plaats daarvan voorrang te geven aan eigen keuzes. De reclassering heeft veroordeelde voldoende waarschuwingen gegeven en hij had zijn gedrag met inachtneming daarvan kunnen en ook moeten aanpassen. De kans om met de nodige strikte begeleiding en behandeling zijn problemen aan te pakken en de kans op recidive te verminderen, heeft hij daardoor onvoldoende gegrepen.
Indien veroordeelde voor een volgend v.i. traject in aanmerking wil komen, zal hij zijn houding moeten aanpassen om zich in de toekomst wel aan de bijzondere voorwaarden te kunnen houden.
Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden die aan de v.i. waren verbonden, verwijtbaar niet heeft nageleefd en dat hij voldoende waarschuwingen en kansen heeft gekregen om zijn gedrag aan te passen en de voorwaarden (alsnog) na te leven.
Alles afwegende is de raadkamer van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het bezwaarschrift zal daarom ongegrond worden verklaard.
7. De beslissing.
De rechtbank
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en in het openbaar uitgesproken 11 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.