RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11867982 \ CV EXPL 25-2867
Vonnis van 12 augustus 2026
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[persoon] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
procederend in persoon.
1. De zaak in het kort
Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst. Volgens FBTO heeft [persoon] verschillende zorgpremies onbetaald gelaten en daarom vordert zij betaling daarvan. [persoon] betwist dat zij haar premies onbetaald heeft gelaten. Daarbij stelt zij juist nog een bedrag van FBTO tegoed te hebben, doordat zij te veel premie heeft betaald. Ook heeft ze immateriële schade geleden. Zij erkent wel dat zij facturen van na de dagvaarding onbetaald heeft gelaten. De kantonrechter wijst de vordering van FBTO af, nu zij ten onrechte de maandelijkse betalingen van [persoon] niet heeft toegerekend aan de zorgpremies. Het erkende deel van de vordering wordt toegewezen. De vordering van [persoon] worden afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van FBTO,- de mondelinge conclusie van antwoord in conventie van [persoon] , welke ook een eis in reconventie inhoudt,- de conclusie van repliek in conventie, tevens akte vermeerdering van eis en conclusie van antwoord in reconventie van FBTO,- de (mondelinge) conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [persoon] ,
- een aanvullende (mondelinge) conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [persoon] ,- de conclusie van dupliek in reconventie van FBTO.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
[persoon] heeft bij FBTO een zorgverzekering afgesloten. Op basis van de zorgverzekering is [persoon] bij vooruitbetaling een premie verschuldigd.
4. Het geschil
in conventie
FBTO vordert - samengevat - veroordeling van [persoon] tot betaling van € 772,81, vermeerderd met rente en kosten.
FBTO stelt dat er tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat. Op grond daarvan heeft FBTO een vordering van € 509,04 aan openstaande premies en daarnaast € 263,77 aan zorgkosten. Ondanks meerdere herinneringen heeft [persoon] deze bedragen niet betaald.
[persoon] betwist de vordering. Zij stelt dat zij alle premies heeft voldaan en legt daarvan ook betaalbewijzen over. Zij stelt daarentegen dat ze zelfs te veel heeft betaald en daardoor nog een tegenvorering heeft, waarover hieronder meer. De vordering ter hoogte van € 263,77, die is ontstaan na dagvaarden, wordt door [persoon] erkend.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[persoon] vordert - samengevat – dat de door haar te veel betaalde premie aan haar wordt terugbetaald. Verder vordert zij een schadevergoeding van € 5.000,00 in verband met immateriële schade, omdat de zaak mentaal en emotioneel veel met haar heeft gedaan.
FBTO betwist de vordering. Volgens haar heeft [persoon] niet te veel premie betaald, maar juist te weinig. Verder heeft [persoon] niet aangegeven op welke juridische grondslag zij de schadevergoedingsvordering baseert. Voor zover de schadevergoeding gebaseerd is op de artikelen 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) of 6:162 BW, wordt volgens FBTO niet voldaan aan de wettelijke vereisten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie
Het door [persoon] erkende deel van de vordering wordt toegewezen
[persoon] heeft erkend dat zij het bedrag van € 263,77 waarmee FBTO haar eis heeft vermeerderd, niet heeft betaald. De kantonrechter zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen.
Het overige deel van de vordering wordt afgewezen
De kantonrechter overweegt als volgt met betrekking tot de vordering van € 509,04 die FBTO baseert op onbetaalde premies.
FBTO stelt dat [persoon] de premies over de maanden oktober 2024, november 2024, december 2024 en maart 2025 (gedeeltelijk) onbetaald heeft gelaten. Dit wordt door [persoon] gemotiveerd betwist. Zij overlegt ter onderbouwing betaalbewijzen van betalingen die zij heeft gedaan in de periode van april 2024 tot en met augustus 2025. Uit dit overzicht maakt de kantonrechter op dat [persoon] zowel in oktober 2024, november 2024, december 2024 en maart 2025 een bedrag van € 145,95 heeft overgemaakt naar FBTO. Volgens FBTO heeft [persoon] bij die betalingen echter geen kenmerk vermeldt. De betalingen zijn daarom door FBTO gedeeltelijk geboekt op zorgkostennota’s, bijvoorbeeld die van 29 juli 2024.
De kantonrechter overweegt over de betalingen als volgt. Op grond van artikel 6:43 lid 1 BW vindt de toerekening van een betaling die op twee of meer verbintenissen jegens dezelfde schuldeiser kan worden toegerekend, plaats op de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Artikel 6:43 lid 2 bepaalt dat bij het ontbreken van een aanwijzing, de toerekening in eerste plaats moet gebeuren op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan gebeurt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
Het voorgaande leidt er in dit geval toe dat FBTO de betalingen van [persoon] in mindering had moeten brengen op de verschuldigde premies. Een achterstand in de betaling van zorgpremies kan er immers toe leiden dat [persoon] wordt aangemeld bij het CAK (Centraal Administratie Kantoor), waardoor de maandelijkse premie hoger wordt en dat een eventuele aanvullende verzekering voor zorgkosten wordt stopgezet. De verbintenis tot betaling van de premie wordt daarom als meest bezwarende verbintenis aangemerkt. FBTO had daarom de maandelijkse betalingen (ter hoogte van de zorgverzekeringspremie) in mindering moeten laten strekken op de verschuldigde premies. De vordering die ziet op betaling van de achterstallige premies zal daarom worden afgewezen.
Bovendien begrijpt de kantonrechter dat door de toerekening van de door [persoon] maandelijks betaalde termijnen aan een zorgkostennota van 29 juli 2024 verwarring bij haar is ontstaan. Uit de stukken blijkt niet dat deze toerekening voor [persoon] op een eerder moment inzichtelijk is gemaakt, waardoor bij haar terecht het beeld is blijven bestaan dat zij met haar maandelijkse betalingen voldeed aan haar verplichting tot betaling van de zorgpremie. Bovendien zijn er na 29 juli 2024 nog diverse maandelijkse betalingen door gedaagde verricht, waarbij bij de betaling van oktober 2024 pas is besloten om deze op een andere post te boeken. Daarbij wordt in correspondentie die is gestuurd naar [persoon] herhaaldelijk gesteld dat het gaat om achterstallige premies, terwijl uit het voorgaande volgt dat de ontstane achterstand hoogstwaarschijnlijk het gevolg is van een onbetaalde zorgkostennota. Deze onduidelijkheid draagt bij aan de verwarring bij [persoon] over de aard en omvang van de vordering.
Het voorgaande betekent dat [persoon] zeer waarschijnlijk wel een achterstand in betaling van zorgkostennota’s heeft. Dit heeft FBTO echter niet aan haar vordering ten grondslag gelegd. Daarom gaat de kantonrechter in dit kader ook geen bedrag toewijzen. Het is aan FBTO om aan [persoon] inzichtelijk te maken welke zorgkostennota’s onbetaald zijn gebleven en tot welk bedrag. Daarbij dient rekening te worden gehouden met wat hierna in reconventie wordt overwogen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [persoon] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Nu een gedeelte van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, zal alleen gekeken worden naar de vordering zoals ingesteld na de vermeerdering van eis. FBTO heeft de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW voor deze vordering niet overgelegd. Zij heeft slechts een brief overgelegd waarin wordt aangemaand voor een bedrag van € 55,49. Zij heeft [persoon] niet aangemaand voor de achterstand van € 263,77. De gevorderde vergoeding zal worden afgewezen.
De wettelijke rente wordt (gedeeltelijk) toegewezen
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom kan deze allereerst slechts worden toegewezen over het toegewezen bedrag. Deze zal worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van een andere ingangsdatum verschuldigd is.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
De vordering tot terugbetaling wordt afgewezen
In reconventie vordert [persoon] terugbetaling van te veel betaalde premie. Volgens haar heeft zij lange tijd onterecht een bedrag betaald voor een aanvullende verzekering die is stopgezet. Volgens [persoon] heeft zij hierdoor maandenlang een aanvullende verzekeringspremie betaald, terwijl dit niet nodig was. Zij vordert terugbetaling van deze bedragen.
FBTO stelt dat [persoon] niet te veel heeft betaald. Alle betalingen van [persoon] zijn meegenomen in de opbouw van de vordering en terug te vinden in de specificatie die zij heeft overgelegd. Onderaan de streep volgt dat door [persoon] nog een bedrag moet worden betaald. De kantonrechter stelt vast dat FBTO erkent dat [persoon] enige tijd een bedrag heeft betaald dat hoger was dan haar maandpremie. Volgens FBTO dekt het verschil echter bij lange na niet de verschuldigd geworden zorgnota’s van [persoon] . FBTO heeft deze bedragen met de openstaande nota’s verrekend.
[persoon] heeft voorgaande stelling van FBTO niet betwist. Ook heeft zij niet toegelicht wat tussen partijen is afgesproken over de aanvullende verzekering. In het door FBTO overgelegde overzicht zijn de genoemde zorgkostennota’s ook opgenomen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat deze verschuldigd zijn en dat [persoon] onderaan de streep niet te veel heeft betaald.
De kantonrechter merkt ten overvloede op dat het gepast geweest zou zijn als FBTO [persoon] had gewezen op het feit dat zij een hoger bedrag betaalde dan de op dat moment verschuldigde zorgpremie, of dat zij deze extra betalingen verrekent met openstaande zorgnota’s. Dit zou het vertrouwen tussen partijen hebben versterkt en veel verwarring hebben voorkomen.
De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen
[persoon] vordert verder een schadevergoeding van € 5.000,00 in verband met immateriële schade, omdat de zaak mentaal en emotioneel veel met haar heeft gedaan. Dat sprake is van immateriële schade heeft [persoon] aan willen tonen door het overleggen van verklaringen van haar moeder en van een vriendin.
FBTO voert aan dat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van een (immateriële) schadevergoeding. Zij kan zich voorstellen dat het voor sommige mensen een gevoel van onbehagen kan geven als zij worden geconfronteerd met een schuldeiser aan wie zij moeten betalen, waarbij de financiële situatie die betaling bemoeilijkt. Dit betekent echter niet dat er sprake is van schade zoals in de wet bedoeld.
De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing van een vordering tot immateriële schadevergoeding eest moet komen vast te staan dat er een reden is waarom FBTO het door [persoon] gestelde nadeel moet vergoeden. Dit houdt in dat de aansprakelijkheid van FBTO vast moet komen te staan. Naar de kantonrechter begrijpt beroept [persoon] zich daarvoor op onrechtmatig handelen van FBTO. Zo begrijpt FBTO de vordering ook. Van onrechtmatig handelen kan sprake zijn als FBTO jegens [persoon] inbreuk op een recht heeft gemaakt of jegens haar heeft gehandeld (of niet gehandeld) in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het is aan degene die zich op onrechtmatig handelen beroept om aan de hand van concrete feiten aan te tonen waaruit dat onrechtmatig handelen heeft bestaan. Op basis van hetgeen [persoon] heeft aangevoerd, valt niet in te zien hoe FBTO in het licht van de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met een van de hiervoor genoemde normen. De kantonrechter begrijpt dat de verwijten van [persoon] waarschijnlijk voortkomen uit ontevredenheid en frustratie, gezien de discussie met FBTO en de ontstane verwarring. Dit betekent echter niet dat FBTO onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.
[persoon] wordt veroordeeld in de proceskosten in reconventie
[persoon] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
360,00
6. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [persoon] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 260,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de datum van dagvaarden, tot de dag van volledige betaling,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [persoon] af,
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en reconventie
veroordeelt [persoon] tot betaling van de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.