beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439079 / FA RK 25-4345
datum uitspraak: 13 juli 2026
beschikking
in de zaak over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, hierna: [minderjarige].
Voor wat betreft het primaire verzoek tot stiefouderadoptie is verzoeker:
[de stiefvader] ,
hierna: de stiefvader,
uitdrukkelijk woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels in Zevenbergen,
Als belanghebbenden worden voor dit verzoek aangemerkt:
[de vader],
hierna: de vader,
wonende in [woonplaats],
[de moeder],
hierna: de moeder,
uitdrukkelijk woonplaats kiezende ten kantore van mr. F.J.V.H. Stoffels te Zevenbergen.
Voor wat betreft het subsidiaire verzoek gezamenlijk gezag met een ander dan een ouder zijn verzoekers:
[de stiefvader] en [de moeder], voornoemd,
advocaat mr. Stoffels, voornoemd,
Als belanghebbende wordt voor dit verzoek aangemerkt
[de vader], voornoemd.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hebben de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam, hierna: de Raad Rotterdam (schriftelijk) en de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad Middelburg (tijdens de mondelinge behandeling), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 12 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het rapport van de Raad van 9 maart 2026;
- het proces-verbaal van de zitting op 13 maart 2026;
- het F9-formulier van mr. Stoffels van 27 maart 2026, met als bijlage een brief van [hulpverlening];
- het op 19 mei 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift;
- het rapport van de Raad van 28 mei 2026;
- het F9-formulier van mr. Stoffels van 4 juni 2026.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 13 maart 2026 en op de zitting van 9 juni 2026. Bij die zittingen zijn gekomen de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
De vader is juist opgeroepen, maar is niet gekomen.
[minderjarige] heeft schriftelijk laten weten wat ze van het verzoek vindt.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2014 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 4 december 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
[minderjarige] verblijft bij de moeder en de stiefvader.
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 juni 2017 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan wordt uitgeoefend door de moeder alleen. Bij diezelfde beschikking is ook het aan de beschikking van de rechtbank van 19 november 2014 gehechte ouderschapsplan gewijzigd ten aanzien van de zorgregeling in die zin dat aan de vader het recht op omgang is ontzegd.
De moeder en de stiefvader zijn op 29 augustus 2019 met elkaar getrouwd.
Sinds 20 augustus 2019 staan de moeder, de stiefvader en [minderjarige] op hetzelfde adres ingeschreven.
3. De verzoeken en de standpunten
De stiefvader verzoekt primair, na wijziging, bij beschikking:
- de adoptie door verzoeker van de [minderjarige] uit te spreken en alle daartoe strekkende administratieve handelingen te gelasten en te
verstaan dat de genoemde [minderjarige] als
geslachtsnaam [geslachtsnaam van de stiefvader] zal hebben;
subsidiair wordt door de stiefvader en de moeder verzocht om hen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014 en vast te stellen dat de geslachtsnaam van de minderjarige zal luiden [geslachtsnaam van de stiefvader].
De moeder is het eens met het primaire verzoek van de stiefvader.
De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de stiefvader en de moeder.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Aan het verzoek tot adoptie wordt het volgende ten grondslag gelegd. De vader vervult al langere tijd geen rol meer in het leven van [minderjarige]. Er is ook al lange tijd geen contact of communicatie tussen de moeder en de vader. Bij beschikking van 29 juni 2017 is de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast. De stiefvader is sinds 2015 al nauw betrokken bij de feitelijke verzorging en opvoeding van [de moeder] samen met de moeder. De vader is sinds 2014 uit beeld en [minderjarige] heeft nu en in de toekomst waarschijnlijk niets meer van hem als ouder te verwachten. De stiefvader en de moeder zijn in 2019 met elkaar getrouwd en ze wonen nu al langer dan 3 jaar samen. Aan alle wettelijke vereisten voor adoptie is voldaan. De stiefvader verzoekt dan ook de adoptie van [minderjarige] door hem uit te spreken.
Uit het rapport van de Raad van 9 maart 2026 blijkt dat de Raad niet met [minderjarige] heeft kunnen spreken over het verzoek tot adoptie en dat ook de stiefvader en de moeder [minderjarige] niet hebben ingelicht over de gevolgen van het verzoek tot adoptie. De Raad heeft twijfels of [minderjarige] op zowel korte als langere termijn voldoende ruimte en mogelijkheden krijgt om onbevooroordeeld op zoek te gaan naar haar eigen identiteit en het vormen van een eigen visie op haar vader en diens familie. Bij [minderjarige] zijn de diagnoses ADHD en ASS vastgesteld. Sinds oktober 2023 is zij aangemeld bij de geestelijke gezondheidszorg. [minderjarige] heeft een vol hoofd en kan zelf nog moeilijk grip krijgen op haar gedachten. Ze heeft nog onvoldoende
vaardigheden om spanningen goed zelf te reguleren. Ook heeft ze nog onvoldoende kennis over spanningsopbouw in haar lijf. Bij heftige emoties of gebeurtenissen slaat ze dicht en reageert haar lijf met een paniekaanval of een shut-down. Hiervoor ondergaat ze traumatherapie. De Raad begrijpt dat dit voor de moeder en de stiefvader een reden kan zijn dat zij [minderjarige] niet willen belasten met het huidige adoptieverzoek. Anderzijds is de Raad van mening dat adoptie met veel waarborgen is omgeven, omdat alle banden met de oorspronkelijke ouder verbroken worden, en dat de visie en mening van het kind om deze reden een belangrijk onderdeel is en hierin gehoord en gezien dient te worden. De Raad is van mening dat [minderjarige] oud genoeg is om ten aanzien van dit ingrijpende adoptieverzoek haar mening kenbaar te maken. De Raad acht het dan ook wenselijk dat zowel eventuele afstammingsvoorlichting als de inhoud ten aanzien van het adoptieverzoek aan [minderjarige] in samenwerking met de betrokken hulpverlenende instanties zal worden begeleid. Doordat de Raad nu niet goed kan inschatten of de voorgenomen adoptie in het belang is van [minderjarige], kan gesteld worden dat niet geheel aan alle vereisten uit artikel 1:227 BW is voldaan. De Raad is van mening dat het feit dat [minderjarige] in dit proces niet is meegenomen, geen weet heeft van de voorgenomen adoptie, een zwaarwegend feit is. De Raad is van mening dat [minderjarige] eerst op adequate wijze ingelicht en voorgelicht dient te worden over het ingediende verzoek, alvorens de rechtbank een beslissing neemt omtrent de verzochte adoptie. De Raad adviseert de beslissing op het verzoek tot adoptie aan te houden in afwachting van een bericht dat de afstammingsvoorlichting en informatieverstrekking omtrent het adoptieverzoek heeft plaatsgevonden en [minderjarige] hierover door de Raad gesproken en/of gehoord kan worden.
Tijdens de zitting op 13 maart 2026 is met de stiefvader en de moeder besproken dat
dat onduidelijk is of [minderjarige] op de hoogte is van haar afstamming en/of haar achtergrond en geschiedenis en dat ook de Raad zelf niet met [minderjarige] heeft mogen spreken. Besproken is het standpunt van de Raad dat [minderjarige] eerst op adequate wijze ingelicht en voorgelicht dient te worden over het ingediende verzoek, alvorens de rechtbank een beslissing neemt omtrent de verzochte adoptie en dat de Raad het daarbij belangrijk acht dat, gezien het externaliserende gedrag van [minderjarige], haar persoonlijke problematiek in het kader van ADHD/ASS en haar moeilijkheden omtrent emotieregulatie, de afstammingsvoorlichting en ook de adoptieprocedure zorgvuldig door de moeder en de stiefvader samen met de al heel lang bij [minderjarige] betrokken hulpverlenende instantie [hulpverlening] besproken moeten gaan worden.
De moeder en de stiefvader hebben toegelicht dat [hulpverlening] over meer en uitgebreidere
informatie over [minderjarige] beschikt dan in het raadsrapport is opgenomen en dat er gerede twijfel
bestaat over de vraag of [minderjarige] het op dit moment aankan om over deze zaken te worden
geïnformeerd/te bespreken, omdat het heel belangrijk is dat [minderjarige] stabiel blijft. De moeder en
de stiefvader hebben voorgesteld om opnieuw de behandelend therapeut bij [hulpverlening] te
benaderen, zodat deze nadere informatie kan verstrekken en deze informatie daarna aan de rechtbank en de Raad te verstrekken zodat de Raad daarna nader kan adviseren. Tijdens deze zitting is besproken dat de rechtbank de beslissing op het verzoek tot adoptie van de stiefvader en de moeder zal aanhouden in afwachting van nadere informatie vanuit [hulpverlening]. Voorts is de optie besproken dat het verzoek eventueel kan worden aangevuld met een subsidiair verzoek op grond van 1:253t BW, ter verkrijging van het gezamenlijk gezag.
Bij aanvullend verzoekschrift van 19 mei 2026, welk verzoekschrift aan de vader is betekend, verzoeken de stiefvader en de moeder hen subsidiair op grond van artikel 1:253t BW gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten. Uit de nadere informatie van [hulpverlening] die zij op 27 maart 2026 bij de rechtbank hebben ingediend blijkt dat [hulpverlening] verwacht dat het vertellen van het verhaal over haar afstamming op korte termijn zeer waarschijnlijk nog meer negatieve impact hebben op [minderjarige] zal hebben dan de klachten waarvoor zij momenteel therapie ontvangt.
In zijn rapport van 1 juni 2026 voert de Raad aan dat uit het aanvullend onderzoek dat de Raad heeft gedaan blijkt dat de situatie ongewijzigd is gebleven ten opzichte van het eerdere raadsrapport. Ook nu heeft de Raad niet met [minderjarige] kunnen spreken over haar afstamming, haar vader en het adoptieverzoek door stiefvader. [minderjarige] is niet op de hoogte van het adoptieverzoek. Ook uit het aanvullende onderzoek is onduidelijk gebleven in hoeverre [minderjarige] weet heeft van het feit dat er een andere vader is dan haar stiefvader. Moeder geeft aan dat [minderjarige] hier in 2023 of eerder binnen de hulpverlening over heeft gesproken en dat zij toen heeft laten blijken dat zij zich realiseert dat er een andere vader dan stiefvader moet zijn geweest. Binnen de huidige hulpverlening vanuit [hulpverlening] is en wordt er op dit moment aan dit onderwerp geen aandacht besteed. De Raad is van mening dat alvorens überhaupt over adoptie nagedacht zou kunnen worden, het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij volledig op de hoogte is van haar afstamming en wat dit voor haar betekent. Zodat vervolgens met haar kan worden besproken wat een eventuele adoptie door stiefvader voor haar betekent. Nu niets van dit alles met [minderjarige] besproken is of kan worden, wordt een deel van haar recht op afstammingsvoorlichting ontnomen. Duidelijk is geworden dat het onderwerp vader en afstamming vanuit moeder en stiefvader geen natuurlijke plaats in het gezin heeft gekregen in de afgelopen jaren. Moeder heeft geen invulling gegeven aan haar verantwoordelijkheid om het verhaal van de afstamming van [minderjarige] en informatie over haar vader van jongs af aan met haar te delen en een integraal en natuurlijk onderwerp binnen haar opvoeding te laten zijn, zeker sinds de betrokkenheid van stiefvader. Hierdoor is de huidige situatie ontstaan waarin onduidelijk is of en, zo ja, wat [minderjarige] weet over dit onderwerp en vanuit moeder en stiefvader het uitgangspunt is dat [minderjarige] er zelf over mag beginnen als zij vragen heeft. De Raad vindt dit een lastige en onwenselijke situatie. Een adoptie door stiefvader past op dit moment niet binnen deze situatie. Zoals te lezen valt in het rapport van de Raad van 9 maart 2026 betwijfelt de Raad dat [minderjarige] zowel op korte als langere termijn voldoende ruimte en mogelijkheden krijgt om onbevooroordeeld op zoek te gaan naar haar eigen identiteit en het vormen van een eigen visie op haar vader en diens familie. In het eerdere en in het onderhavige onderzoek is duidelijk naar voren gekomen dat [minderjarige] rust en stabiliteit nodig heeft om haar lopende behandeling te laten slagen. Het nu bespreekbaar maken van haar vader, haar afstamming maar ook de mogelijk verkorte levensverwachting van haar stiefvader (die zij als haar vader ziet) zal naar verwachting van de betrokken hulpverleners een negatieve invloed hebben op dit proces. Welke invloed en hoe dit op korte en lange termijn zal uitpakken valt niet te voorspellen.
Tijdens de zitting op 6 juni 2026 is namens de stiefvader en de moeder naar voren gebracht dat zij zich niet gehoord voelen door de Raad. Ze begrijpen ook niet waarom ze het hele medische dossier van de stiefvader aan de Raad moesten verstrekken. Het klopt niet dat de Raad stelt dat [minderjarige] geen weet heeft van haar afstamming. De moeder heeft [minderjarige] delen van haar afstammingsverhaal verteld. Uit de informatie van [hulpverlening] blijkt dat een gesprek met [minderjarige] over haar afstamming en het huidige adoptieverzoek verstrekkende gevolgen heeft. [hulpverlening] vindt het houden van een dergelijk gesprek geen meerwaarde hebben. De stiefvader en de moeder vragen zich af waarom de Raad het zo belangrijk vindt dat dit gesprek met [minderjarige] plaatsvindt en of het gesprek niet in een later stadium kan worden gevoerd. De stiefvader en de moeder hebben meerdere keren aan de Raad gevraagd om informatie te delen over wat er in het gesprek met [minderjarige] zou worden besproken zodat zij deze informatie met haar kunnen voorbespreken. Hier is de Raad helaas niet op ingegaan. Het voeren van een gesprek met [minderjarige] over haar afstamming is geen voorwaarde voor adoptie. Bovendien geeft de Raad geen duidelijkheid over wanneer zo’n gesprek met [minderjarige] dan wel kan plaatsvinden. De stiefvader en de moeder hopen dan ook dat de rechtbank alsnog het primaire verzoek tot adoptie toewijst.
De Raad verklaart tijdens de zitting op 6 juni 2026 dat hij het advies uit het rapport van 1 juni 2026 handhaaft. Het is jammer dat er een visieverschil bestaat tussen de stiefvader en de moeder en de Raad. De stap van adoptie is op dit moment een te grote stap. Met een adoptie worden alle banden tussen [minderjarige] en haar vader doorgesneden en nieuwe banden met de stiefvader aangegaan. Hiervoor is gelet op de situatie van [minderjarige] de tijd nog niet rijp. De Raad vindt het wel in het belang van [minderjarige] om de stiefvader mede met het gezag over [minderjarige] te belasten nu hij de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] voor zijn rekening neemt. Het past in die situatie om de stiefvader ook met het gezag over [minderjarige] te belasten.
Uit het rapport van de Raad van 9 maart 2026 blijkt dat de vader geen verweer voert tegen het verzoek tot adoptie. Hij heeft geen contact met [minderjarige] en verwacht ook niet dat dit binnenkort gaat veranderen. De vader heeft bij de Raad aangegeven dat zijn deur voor [minderjarige] open blijft staan. Als [minderjarige] contact met hem wil of hem wil leren kennen dan staat hij daarvoor open.
Juridisch kader
Adoptie
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:227, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een dergelijk verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder is, slechts worden gedaan, indien hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de moeder en de stiefvader sinds 20 augustus 2019 staan ingeschreven op hetzelfde adres in de Basisregistratie Personen (BRP) en dus in ieder geval vanaf dat moment samenleven De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldaan is aan het vereiste als genoemd in artikel 1:227, tweede lid, BW.
De rechtbank overweegt voorts dat het verzoek ingevolge artikel 1:227, derde lid, BW alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.
Op grond van artikel 1:228, eerste lid, BW dient aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:
a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;
b. het kind niet een kleinkind van een adoptant is;
c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;
d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;
f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;
g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.
De rechtbank stelt vast op basis van de stukken en de behandeling ter zitting dat aan de voorwaarden als bepaald in artikel 1:228 BW, eerste lid, is voldaan.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is, alsmede de vraag of op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van haar ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat bestaande familiebanden in beginsel onverbrekelijk zijn. Adoptie is hierop een uitzondering, waarbij echter strikte voorwaarden gelden. Dit is omdat adoptie het ingrijpende gevolg heeft dat daarmee de tussen de ouder en het kind bestaande familierechtelijke betrekkingen worden beëindigd. Hierbij dient niet alleen te worden gelet op de positie die het kind door de adoptie verkrijgt, maar ook en niet minder, op hetgeen het kind verliest (de familierechtelijke band met in de onderhavige zaak haar wettige en biologische vader). Het verzoek tot adoptie dat de stiefvader heeft ingediend is dus een verstrekkend verzoek waarbij alle banden tussen [minderjarige] en haar biologische vader worden doorbroken.
[minderjarige] is inmiddels 12 jaar. Gelet op haar leeftijd vindt de rechtbank het noodzakelijk dat zij betrokken wordt bij de wens van haar moeder en stiefvader om haar te adopteren, zodat zij goed op de hoogte is wat dit betekent en zodat zij zich hier zelf een mening over kan vormen. Tijdens de procedure is duidelijk geworden dat [hulpverlening], de bij [minderjarige] betrokken zorgaanbieder, het op dit moment niet in haar belang acht om haar over haar afstamming in te lichten. De verwachting is dat een gesprek over haar afstamming [minderjarige] zodanig in disbalans brengt dat de voortgang in haar hulpverlening daardoor in het gedrang komt. De rechtbank respecteert de keuze die zowel de stiefvader en de moeder als [hulpverlening] hebben gemaakt om nu niet met [minderjarige] in gesprek te gaan over de adoptiewens. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank echter wel toe dat op dit moment moet worden geoordeeld dat de verzochte adoptie niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] zal op een later moment, wanneer zij zodanig in balans is dat zij op de hoogte kan worden gebracht van haar afstamming en een mogelijke adoptie, hierover haar mening kunnen vormen. De rechtbank acht het niet in haar belang om een dergelijke ingrijpende beslissing te nemen zonder dat [minderjarige] hierbij betrokken is. De door de stiefvader en moeder aangevoerde omstandigheden nopen hier naar het oordeel van de rechtbank niet toe. Daarbij komt dat [minderjarige]’s grootste wens, het hebben van de [geslachtsnaam van de stiefvader], op andere wijze kan worden gerealiseerd, zoals uit de hierna volgende beslissing blijkt.
De rechtbank zal het primaire verzoek van de stiefvader tot adoptie, en in het verlengde daarvan het verzoek alle daartoe strekkende administratieve handelingen te gelasten en te verstaan dat de genoemde [minderjarige] als geslachtsnaam [geslachtsnaam van de stiefvader] zal hebben, dan ook afwijzen.
Gezamenlijk gezag van ouder met niet-ouder
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253t lid 1 BW kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, in het geval dat het kind ook in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts wordt toegewezen indien:
( a) de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en
( b) de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
Het derde lid van artikel 1:253t BW bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
Door en namens de stiefvader en de moeder is aan het subsidiaire verzoek ten grondslag gelegd dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1:253t BW is voldaan. De moeder oefent sinds 2017 alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. Al sinds 2014 is er geen contact meer geweest tussen [minderjarige] en haar vader. De vader is sindsdien ook niet meer in beeld. De stiefvader en de moeder zijn al 10 jaar samen en zijn sinds 2019 getrouwd. De stiefvader zorgt sindsdien ononderbroken voor [minderjarige] en heeft een goede band met haar.
De Raad staat achter het verzoek om de stiefvader met het gezag over [minderjarige] te belasten. Dit past bij de situatie waarin de stiefvader al jarenlang samen met de moeder de zorg over [minderjarige] op zich neemt.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:253t BW. Vast staat dat de moeder met de beschikking van deze rechtbank van 29 juni 2017 belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en sindsdien alleen het gezag over haar uitoefent. Ook is het de rechtbank gebleken dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staat, omdat hij haar al jarenlang, samen met de moeder, in gezinsverband verzorgt en opvoedt.
Het is de rechtbank verder niet gebleken dat er, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, een gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. De vader van [minderjarige] is al geruime tijd niet in beeld en [minderjarige] heeft geen contact met hem. De stiefvader daarentegen is al jarenlang betrokken bij de (belangrijke) beslissingen over [minderjarige]. Toewijzing van het verzoek zou dus de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. De stiefvader en de moeder leven ook in onzekerheid over de gezondheid van de stiefvader. Ook om die reden wil de stiefvader graag een grotere rol spelen in het leven van [minderjarige]. De stiefvader en de moeder willen graag samen het gezag over [minderjarige] uitoefenen zodat als er iets met één van hen gebeurt, de ander de noodzakelijke dingen voor haar kan regelen.
De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het aanvullend verzoek van de stiefvader en de moeder. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de stiefvader en de moeder toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige].
Verzoek tot wijziging geslachtsnaam
Ingevolge artikel 1:253t lid 5 BW kan het verzoek tot gezamenlijk gezag vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen indien:
a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.
De rechtbank zal het verzoek van de stiefvader en de moeder toewijzen en overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld om de rechtbank te laten weten wat zij van het verzoek vindt. Zij heeft de rechtbank laten weten dat ze graag wil dat haar achternaam wijzigt in de achternaam van haar stiefvader. Artikel 1:253t lid 5 sub a en sub b BW doen zich hier dus niet voor. Ook is niet gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen toewijzing van het verzoek verzet (sub c). [minderjarige] heeft immers zelf de wens uitgesproken om de geslachtsnaam te krijgen van haar stiefvader. Wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] in de geslachtsnaam van de stiefvader zal zorgen voor rust en de erkenning van de plek van [minderjarige] in het gezin van de stiefvader en de moeder. Ook zorgt het voor meer eenheid binnen het gezin.
Voor een geslachtsnaamwijziging is tevens nodig dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding toevoegt aan de geboorteakte van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:20 lid 2 sub a BW. Hoewel dit niet specifiek is verzocht, begrijpt de rechtbank dat het verzoek van de stiefvader en de moeder zo moet worden begrepen dat het ook het gelasten hiervan omvat. Gelet daarop zal de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand gelasten een latere vermelding van de gewijzigde geslachtsnaam aan de geboorteakte toe te voegen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot adoptie, en in het verlengde daarvan het verzoek alle daartoe strekkende administratieve handelingen te gelasten en te verstaan dat de genoemde [minderjarige] als geslachtsnaam [geslachtsnaam van de stiefvader] zal hebben af;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de moeder en de stiefvader voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats];
wijzigt de geslachtsnaam van genoemde minderjarige in ‘[geslachtsnaam van de stiefvader]’;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Goes indien de beslissing met betrekking tot het gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan, een latere vermelding toe te voegen aan de akte van geboorte, voorkomende in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Goes, in die zin dat de geslachtsnaam van de minderjarige wordt gewijzigd in ‘[geslachtsnaam van de stiefvader]’;
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking toe te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Goes.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.