RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/447822 / JE RK 26-778 (voorwaardelijke machtiging)
C/02/448206 / JE RK 26-851 (reguliere machtiging)
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GOES,
zetelende te Goes,
hierna te noemen: het college,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige],
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/447822 / JE RK 26-778:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026;
het bericht van het college van 30 april 2026, ontvangen op 7 mei 2026;
het e-mailbericht van het college van 13 mei 2026.
In zaaknummer C/02/448206 / JE RK 26-851:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met zijn advocaat (vooraf ook apart gehoord);
de vader;
- de moeder;
- een drietal vertegenwoordigsters van het college.
Van de zitting van 21 mei 2026 is een verkort proces-verbaal opgemaakt. De kinderrechter heeft na de zitting van 21 mei 2026 nog kennisgenomen van de navolgende stukken:
- de e-mail van [jeugdhulp] van 8 juni 2026;
- de e-mail met bijlagen van [jeugdhulp] van 24 juni 2026
- de e-mail van [jeugdhulp] van 24 juni 2026
- de e-mail van mr. Nijssen van 7 juli 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
In zaaknummer C/02/447822 / JE RK 26-778:
Het college verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De vader en de moeder stemmen in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 9 juni 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.
In zaaknummer C/02/448206 / JE RK 26-851:
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De vader en de moeder stemmen in met het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
4. De standpunten
[minderjarige] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij zich de afgelopen maanden niet gehoord voelde en zich daarom ook minder is gaan uiten. Hij twijfelt of het verblijven op een groep goed voor hem is, gelet op de hoeveelheid prikkels die het verblijven op een groep met zich meebrengt. Momenteel verblijft hij bij een vriendin van hem en hij merkt dat hij daar tot rust komt.
Het college heeft in eerste instantie een verzoek tot een voorwaardelijke machtiging voor [minderjarige] gedaan. Helaas lukt het [minderjarige] niet om zich aan de voorwaarden te houden en zagen de ouders en de hulpverlening [minderjarige] verder afglijden. Het college conformeerde zich aan de bevindingen van de hulpverlening waardoor er een verzoek tot verlening van een reguliere machtiging gesloten plaatsing met toestemming van de ouders met gezag werd gedaan. Het college is bereid om opnieuw met [minderjarige] in gesprek te gaan en met de moeder en de moeder van de vriendin van [minderjarige] de mogelijkheden verder te bekijken. Het idee is dat [minderjarige] ter overbrugging bij de vriendin verblijft en zich openstelt voor hulpverlening en dat dan gekeken wordt voor de behandeling van zijn problematieken naar een behandeltraject bij [zorginstelling].
De moeder is ter zitting overvallen met de mogelijkheid voor een overbruggingsplek voor [minderjarige]. Desgevraagd heeft zij aangegeven wel met het college en de moeder van de vriendin waar [minderjarige] verblijft, nader in overleg te gaan.
De vader is het er ook mee eens dat de zaken in afwachting van het verdere overleg met het college, de moeder en de moeder van de vriendin van [minderjarige] aangehouden worden.
De advocaat van [minderjarige] heeft aangegeven dat [minderjarige] het niet eens met de verzoeken die er liggen. Op dit moment verblijft hij bij een vriendin en ervaart hij meer rust.
5. De beoordeling
Na de zitting is het college met iedereen de mogelijkheden opnieuw gaan bekijken. Het college heeft de kinderrechter laten weten dat het verzoek om een reguliere machtiging gesloten plaatsing niet wordt gehandhaafd. Het college handhaaft het verzoek om een voorwaardelijke machtiging te verlenen wel en heeft de hiervoor benodigde stukken overgelegd.
[minderjarige] heeft op 9 juni 2026 het hulpverleningsplan ondertekend. Daarin staan de voorwaarden opgenomen waaraan [minderjarige] zich gaat houden. Ook de ouders hebben op 9 juni 2026 het hulpverleningsplan ondertekend en stemmen in met het verzoek van het college.
Het college heeft eveneens een instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper overgelegd. Deze verklaring dateert van 24 juni 2026 en ook de gedragswetenschapper stemt in met het verzoek van het college.
Zoals ter zitting is besproken, zou deze zaak schriftelijk afgedaan worden, indien er geen (verdere) behoefte aan een zitting zou zijn. [minderjarige] heeft op de zitting van 21 mei 2026 aangegeven bereid te zijn om zich aan voorwaarden te houden, indien dit zou betekenen dat hij niet gesloten geplaatst zou hoeven te worden.
[minderjarige] heeft in eerste instantie aangegeven alsnog een kindgesprek met de kinderrechter te willen. Bij mail van zijn advocaat van 7 juli 2026 heeft hij aangegeven af te zien van het ingeplande kindgesprek. [minderjarige] heeft aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij verblijft op een open groep in [plaats], wat in de eerste week wat wennen was. Hij heeft gesolliciteerd bij [restaurant] en zal op 7 juli 2026 zijn contract tekenen.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
[minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan. [minderjarige] heeft inmiddels al een aantal stappen gezet, zoals het solliciteren voor het hebben van een dagbesteding, maar ook zijn er stappen gezet voor het volgen van therapie en behandeling. Deze staan ook opgenomen in het hulpverleningsplan.
Op basis van het voorgaande verleent de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter hoopt dat het [minderjarige] lukt om een goede focus op zichzelf te houden en stappen te zetten die hem uiteindelijk vooruit gaan brengen in het leven en ervoor kunnen zorgen dat [minderjarige] een gezonde verdere ontwikkeling doorgaat maken. Op dit moment is de voorwaardelijke machtiging als stok achter de deur nodig. De kinderrechter gaat er echter van uit dat het [minderjarige] gaat lukken om te laten zien dat hij deze machtiging niet nodig heeft.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 13 juli 2026 en tot 13 januari 2027, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het op 9 juni 2026 door hem ondertekende hulpverleningsplan zijn gesteld;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.