2. De feiten
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- partijen hebben tijdens de relatie niet met elkaar samengewoond;
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019.
- de minderjarige is door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;
- uit de huidige relatie tussen de man en mevrouw [persoon] zijn de volgende nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022,
2. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2026.
Uit de voormelde beschikking van 9 maart 2023 volgt dat de man nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 251,99 per maand dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .
3. De verzoeken
De man verzoekt de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met terugwerkende kracht vanaf 9 maart 2023 primair nader vast te stellen op nihil, althans subsidiair vast te stellen op een bedrag van € 25,00, dan wel de bijdrage te verlagen tot een in goede justitie nader te bepalen bedrag per maand.
De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt de rechtbank om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek althans het verzoek af te wijzen als zijnde onvoldoende onderbouwd en bewezen dan wel een zodanige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige 1] vast te stellen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht. De vrouw verzoekt de rechtbank -in de vorm van een (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek- om als zij de datum van wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] vaststelt op een datum die is gelegen voor de datum waarop deze beschikking wordt gewezen, te bepalen dat aan de vrouw geen terugbetalingsverplichting van de reeds door haar ontvangen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] wordt opgelegd. Daarnaast vraagt zij veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
De man verweert zich daartegen en verzoekt de rechtbank de verzoeken van de vrouw af te wijzen.
4. De beoordeling
Grondslag verzoek wijziging alimentatie
De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat de bij voormelde beschikking vastgestelde bijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Bij de berekening van de hoogte van de kinderalimentatie in de beschikking van 9 maart 2023 is uitgegaan van een te hoog inkomen en een te hoge draagkracht. Om die reden heeft de in genoemde beschikking vastgestelde bijdrage van € 206,00 nooit aan de wettelijke maatstaven voldaan. De man verwijst naar de inkomensverklaringen van de Belastingdienst over 2022, 2023 en 2024, waaruit blijkt dat hij in die jaren een minimaal inkomen had en daarmee ook een minimale draagkracht. Verder is bij de berekening van de draagkracht geen rekening gehouden met de geboorte van [minderjarige 2] in [geboortedag 2] 2022.
Daarnaast voert de man als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In de beschikking van 9 maart 2023 is geen rekening gehouden met de geboorte van [minderjarige 2] in [geboortedag 2] 2022. In mei 2026 is de man opnieuw vader geworden. De geboortes van beide kinderen maken dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij stelt – kort samengevat – dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de beschikking van 9 maart 2023 uitgaat van onjuiste gegevens en/of niet (meer) aan de wettelijke maatstaven voldoet.
De rechtbank stelt vast dat uit de inkomensverklaring van 2022 (en ook uit die van 2023 en 2024) inderdaad blijkt dat sprake was van een minimaal inkomen aan de zijde van de man. Nu door de vrouw niet is aangevoerd dat de inkomensverklaringen geen reëel beeld vormen, zullen deze als uitgangspunt worden genomen. Uit het verzoekschrift van 18 november 2022 en de beschikking van 9 maart 2023 blijkt dat voor wat betreft het netto besteedbaar inkomen (NBI) en de draagkracht van de man is uitgegaan van een schatting. Verder blijkt uit de beschikking ook niet dat rekening is gehouden met de geboorte van [minderjarige 2] in [geboortedag 2] 2022, wat van invloed is op de (verdeling van de) draagkracht van de man. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vastgestelde bijdrage van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Overigens geldt dat ook de geboorte van het tweede en het derde kind van de man rechtvaardigen dat er opnieuw naar de kinderalimentatie wordt gekeken, aangezien vaststaat dat met de geboorte van deze kinderen bij het berekenen van de onderhoudsbijdrage geen rekening is gehouden.
Bovenstaande maakt dat een onderzoek naar de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage en naar de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt.
Uitgangspunten bij de alimentatieberekeningen
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
De rechtbank zal in deze zaak de onderhoudsbijdrage over drie verschillende periodes berekenen. De eerste periode is de periode 9 maart 2023 tot 1 januari 2025, de tweede periode loopt van 1 januari 2025 tot 1 mei 2026 en de derde periode loopt vanaf 1 mei 2026. De rechtbank kiest om proceseconomische redenen voor deze perioden. Uit het volgende zal blijken dat de draagkracht van de man in 2022, 2023 en 2024 minimaal was. In 2025 is de draagkracht van de man toegenomen, zodat de rechtbank van oordeel is dat een berekening moet worden gemaakt van de draagkracht van de man vanaf 1 januari 2025. Op 1 mei 2026 is het derde kind van de man is geboren. Deze gebeurtenis is opnieuw van invloed op de draagkracht van de man, zodat vanaf dat moment naar het oordeel van de rechtbank een nieuwe berekening moet worden gemaakt.
Ingangsdatum
De man verzoekt de door hem te betalen onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht vanaf 9 maart 2023 op nihil te stellen dan wel vast te stellen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 25,00 per maand moet voldoen.
De vrouw vindt dat de kinderalimentatie niet eerder dan per de datum van de beschikking, althans de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, kan worden gewijzigd.
De rechtbank zal een wijziging van de onderhoudsbijdrage laten ingaan met terugwerkende kracht vanaf 9 maart 2023. Dit is het moment waarop de beschikking is gewezen waarin een bijdrage is vastgelegd die niet aan de wettelijke maatstaven voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank is dit dan ook de enige logische ingangsdatum. Over de vraag of de terugwerkende kracht ook moet leiden tot een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de vrouw zal de rechtbank hierna oordelen.
Behoefte
Behoefte [minderjarige 1]
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige kinderen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). In deze zaak is daarbij van belang dat partijen niet met elkaar in gezinsverband hebben samengewoond omdat dit van invloed is op de wijze waarop de behoefte van [minderjarige 1] moet worden berekend. De rechtbank gaat voor de bepaling van de behoefte uit peiljaar 2020, zijnde het laatste volledige jaar voor het verbreken van de relatie van partijen.
Uit de IB-aangifte over 2020 volgt dat de vrouw een inkomen had van € 10.959,00 bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Van de man zijn geen inkomensgegevens over 2020 in het geding gebracht. De man stelt dat zijn inkomen in 2020 € 23.000,00 was, maar heeft dat op geen enkele wijze onderbouwd of stukken in het geding gebracht waaruit het inkomen in 2020 afgeleid kan worden. De vrouw is bij de berekening van het NBI van de man uitgegaan van de inkomensverklaring 2021 die door de man in het geding is gebracht. De rechtbank volgt daarin de vrouw en zal ook uitgaan van de inkomensverklaring 2021. Uit deze inkomensverklaring volgt dat de man een inkomen had van € 34.233,00 bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag van € 903,00 per maand en van de man op een bedrag van € 2.506,00 per maand. Zowel bij de vrouw als bij de man wordt het NBI verhoogd met het kindgebonden budget. Bij de berekening van de behoefte van [minderjarige 1] wordt dan vervolgens het gemiddelde genomen van de behoefte berekend op basis van het NBI (inclusief kindgebonden budget) van de vrouw, zijnde € 123,00, en de behoefte berekend op basis van het NBI (inclusief het kindgebonden budget) van de man, zijnde € 350,00. De behoefte van [minderjarige 1] in 2020 wordt door de rechtbank vastgesteld op (afgerond) € 236,00 per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2025 € 290,00 per maand en in 2026 € 303,00 per maand.
De vrouw heeft, met een beroep op Rapport Alimentatienormen 2026, tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat haar huidige NBI hoger is dan de inkomens van partijen gezamenlijk in 2020 en dat om die reden de behoefte van [minderjarige 1] opnieuw moet worden berekend. Het netto inkomen van partijen gezamenlijk, vermeerderd met het kindgebonden budget, in 2020 was € 4.067,00 ((NBI man: € 2.799,00 / NBI vrouw: € 1.268,00). Het NBI van de vrouw in 2026 is € 2.830,00. Er is dus geen sprake van een situatie waarin het huidige NBI van de vrouw in 2026 hoger is dan het NBI (vermeerderd met kindgebonden budget) van de man en de vrouw gezamenlijk in 2020. De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 1] om die reden niet opnieuw berekenen.
Om te kunnen bepalen in welke verhouding de draagkracht van de man moet worden verdeeld over de kinderen ten aanzien van wie hij onderhoudsplichtig is, moet ook de behoefte van [minderjarige 2] worden vastgesteld. Vanaf 1 mei 2026 moet de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden vastgesteld.
Behoefte [minderjarige 2]
De rechtbank zal de behoefte van [minderjarige 2] berekenen aan de hand van de inkomensgegevens 2022, omdat [minderjarige 2] in [geboortedag 2] 2022 is geboren. Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 2] is het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en mevrouw [persoon] in 2022 relevant.
Uit de inkomensverklaring die de man heeft overgelegd volgt dat de man in 2022 een (geregistreerd) inkomen had van € 13.235,00 bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Van mevrouw [persoon] zijn geen inkomensgegevens overgelegd.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 0,00 per maand en van de man op een bedrag van € 1.103,00 per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedroeg in 2022 € 102,00 per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van de man en mevrouw [persoon] becijferd op € 1.205,00 per maand.
Dit NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige 2] op van € 109,00 per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Nu er geen inkomensgegevens van mevrouw [persoon] zijn overgelegd, kan de rechtbank niet berekenen voor welk gedeelte zij kan voorzien in de behoefte van [minderjarige 2] . De rechtbank gaat er daarom in het onderstaande vanuit dat mevrouw [persoon] voor de helft in de behoefte van [minderjarige 2] voorziet. De man moet dan nog in een bedrag van € 54,50 voorzien.
Behoefte [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] -vanaf de geboorte van [minderjarige 3] op 1 mei 2026- is het huidige netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de man en mevrouw [persoon] relevant.
Uit de salarisspecificatie over april 2026 volgt dat de man een inkomen heeft van
€ 2.987,11 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Van mevrouw [persoon] zijn geen inkomensgegevens overgelegd.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 0,00 per maand en van de man op een bedrag van € 2.947,00 per maand. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Het kindgebonden budget bedraagt in 2026 € 215,00 per maand. Aan de hand van deze gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van de man en mevrouw [persoon] becijferd op € 3.162,00 per maand.
Dit NBGI levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op van € 647,00 per maand. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Nu er geen inkomensgegevens van mevrouw [persoon] zijn overgelegd, kan de rechtbank niet berekenen voor welk gedeelte zij kan voorzien in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De rechtbank gaat er daarom in het onderstaande vanuit dat mevrouw [persoon] voor de helft in de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorziet. De man moet dan nog in een (totaal) bedrag van € 323,50 voorzien. Concreet betekent dat een bedrag van € 161,75 per maand per kind.
Draagkracht - periode 9 maart 2023 tot 1 januari 2025
Draagkracht man
Uit de door de man overgelegde inkomensverklaringen van 2022, 2023 en 2024 blijkt dat de man in die jaren slechts een minimaal inkomen had. Dat betekent dat de rechtbank zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 50,00 per maand (voor twee kinderen). De rechtbank zal deze draagkracht gelijkelijk verdelen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat sprake is van een draagkracht van € 25,00 per maand per kind.
De draagkracht van de vrouw is voor deze periode niet relevant nu de rechtbank bepaalt dat de man zijn beschikbare (minimale) draagkracht volledig moet aanwenden voor een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] .
Draagkracht - periode 1 januari 2025 tot 1 mei 2026
Draagkracht man
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van [minderjarige 1] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de IB-aangifte 2025 waaruit een inkomen van
€ 26.786,00 bruto per jaar blijkt. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. De man komt met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 5.022,00 op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in deze periode op een bedrag ter hoogte van € 2.651,00 per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 382,00 per maand.
De vrouw heeft in het kader van de draagkracht van de man aangevoerd dat hij samenwoont met zijn huidige partner en dat daarom een woonbudget van 15% moet worden gehanteerd in plaats van een woonbudget van 30%. De rechtbank zal de vrouw hierin niet volgen. De rechtbank zal op dit punt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (Rapport Alimentatienormen) volgen waarin is bepaald dat als sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, er reden kan zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. Nu er geen sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, is er geen aanleiding om met een ander percentage te rekenen.
Verdeling draagkracht man
De man zal zijn draagkracht aan moeten wenden om in de kosten van verzorging van opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De man stelt zich op het standpunt dat zijn draagkracht gelijk verdeeld moet worden over zijn kinderen. De vrouw stelt dat de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de kinderen moet worden verdeeld.
De Hoge Raad heeft bepaald dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven. Een van die bijzondere omstandigheden kan zijn dat er een duidelijk verschil in behoefte bestaat.
De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is van een duidelijk verschil in behoefte omdat de behoefte van [minderjarige 1] waarin de man (mede) moet voorzien ten opzichte van de behoefte van [minderjarige 2] aanzienlijk hoger is. De behoefte van [minderjarige 1] is, geïndexeerd naar 2025, € 290,00 en de behoefte van [minderjarige 2] is, geïndexeerd naar 2025, € 63,50. Om die reden zal de rechtbank de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verdelen. Dat betekent concreet dat de man met een bedrag van € 313,38 bij kan dragen in de behoefte van [minderjarige 1] en met een bedrag van € 68,62 in de behoefte van [minderjarige 2] .
Draagkracht vrouw
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank op basis van jaaropgave 2025 uit van een inkomen van € 27.155,00 bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting ) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget met bijbehorende alleenstaande ouderkop van € 5.900,00 op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 2.755,00 per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 433,00 per maand.
Draagkracht vergelijking
Vanaf 1 januari 2025 is de behoefte van [minderjarige 1] € 290,00. De totale draagkracht van de man en de vrouw is € 746,38 (man: € 313,38/vrouw: € 433,00). Nu blijkt dat volledig in de behoefte kan worden voldaan zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de man met (afgerond) € 122,00 per maand en de vrouw met (afgerond) € 168,00 per maand en moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] .
Zorgkorting
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. De man onderbouwt dat met de stelling dat hij om het weekend omgang heeft met [minderjarige 1] . Hij haalt [minderjarige 1] in de weekenden dat hij bij zijn oma (moeder vaderszijde) is op en gaat dan leuke dingen met hem doen. [minderjarige 1] slaapt dan vaak bij de man. Op zondag brengt de man [minderjarige 1] weer terug naar oma zodat [minderjarige 1] daar weer kan worden opgehaald door de vrouw.
De vrouw is van mening dat er geen rekening moet worden gehouden met een zorgkorting omdat er geen zorgregeling bestaat tussen de man en [minderjarige 1] . De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij [minderjarige 1] gemiddeld twee keer per maand twee nachten naar zijn oma brengt. Zij weet dat er in die dagen omgang is tussen de man en [minderjarige 1] . Zij is er niet van op de hoogte dat [minderjarige 1] dan bij de man slaapt.
De rechtbank zal rekening houden met een zorgkorting van 15%. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige 1] gemiddeld twee keer per maand omgang heeft met oma en dat hij dan meestal twee nachten bij oma verblijft. De vrouw is ervan op de hoogte dat de man [minderjarige 1] in die weekenden ophaalt bij oma. Het enige twistpunt tussen partijen is waar [minderjarige 1] in die weekenden slaapt. Op basis van hetgeen er tijdens de zitting is besproken gaat de rechtbank ervan uit dat [minderjarige 1] in de weekenden waarin hij door de vrouw naar oma wordt gebracht omgang heeft met de man. De plek waar [minderjarige 1] slaapt is voor de rechtbank daarin van minder groot belang omdat het belangrijkste deel van de kosten gemoeid met omgang niet worden gemaakt op het moment dat [minderjarige 1] in bed ligt. De conclusie is dan dat de man gemiddeld één dag per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] en daarbij hoort een zorgkorting van 15%.
Nu de behoefte van [minderjarige 1] € 290,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 43,50 per maand.
Concreet betekent dat dat de man in de periode 1 januari 2025 tot 1 mei 2026 een onderhoudsbijdrage verschuldigd is van € 78,50 per maand.
Draagkracht - vanaf 1 mei 2026
Draagkracht man
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank op basis van de
salarisspecificatie april 2026 uit van een inkomen van € 2.987,11 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de man met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 5.160,00 op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 3.377,00 per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 699,00 per maand.
Voor wat betreft het standpunt van de vrouw dat met een ander, lager woonbudget moet worden gerekend verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft opgemerkt onder rechtsoverweging 4.32.
Verdeling draagkracht man
De man zal zijn draagkracht moeten aanwenden om in de kosten van verzorging van opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. De rechtbank zal ook in deze periode de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verdelen omdat aan de zijde van [minderjarige 1] sprake is van een aanzienlijk grotere behoefte waarin de man (mede) moet voorzien dan aan de zijde van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dat betekent concreet dat de man met een bedrag van € 338,06 bij kan dragen in de behoefte van [minderjarige 1] , met een bedrag van €180,47 in de behoefte van [minderjarige 2] en met een bedrag van € 180,47 in de behoefte van [minderjarige 3] .
Draagkracht vrouw
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank op basis van de
salarisspecificatie januari tot en met maart 2026 uit van een inkomen van € 2.109,38 bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een gemiddelde overwerkvergoeding van € 93,83. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting ) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget met bijbehorende alleenstaande ouderkop van € 5.996,00 op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 2.830,00 per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 431,00 per maand.
Draagkrachtvergelijking
De behoefte van [minderjarige 1] geïndexeerd naar 2026 is € 303,00 per maand. De totale draagkracht van de man en de vrouw is € 769,06 (man: € 338,06/vrouw: € 431,00). Nu blijkt dat volledig in de behoefte kan worden voldaan zal de rechtbank een draagkrachtvergelijking maken.
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de man met (afgerond) € 133,00 per maand en de vrouw met (afgerond) € 170,00 per maand en moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] .
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting verwijst de rechtbank naar haar opmerkingen onder rechtsoverweging 4.42 heeft opgemerkt. De rechtbank zal ook in deze periode uitgaan van een zorgkorting van 15%.
Nu de behoefte van [minderjarige 1] € 303,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 45,45 per maand.
Concreet betekent dat dat de man vanaf 1 mei 2026 een onderhoudsbijdrage verschuldigd is van € 87,55 per maand.
Terugbetalingsverplichting
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij een eerdere ingangsdatum dan de datum van de beschikking te bepalen dat er geen terugbetalingsverplichting is voor de vrouw voor de eerder ontvangen onderhoudsbijdrage.
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw. Hij wil dat er wel een terugbetalingsverplichting geldt voor de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling is namens de man aangegeven ermee bekend te zijn dat het, ook bij deze rechtbank, niet ongebruikelijk is dat als er teveel aan onderhoudsbijdrage is ontvangen, het teveel ontvangen bedrag niet hoeft te worden terugbetaald.
De rechtbank oordeelt dat een terugbetalingsverplichting van ruim drie jaren in redelijkheid niet van de vrouw kan worden verlangd. Aangezien de kinderalimentatie van consumptieve aard is overweegt de rechtbank dat, voor zover de vrouw over de periode tussen 9 maart 2023 tot de datum van deze beschikking ten behoeve van [minderjarige 1] meer aan onderhoudsbijdrage heeft ontvangen dan op grond van deze beschikking is bepaald, het te veel betaalde door haar niet aan de man terugbetaald hoeft te worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij ter zitting heeft vernomen dat de man maar een gedeelte van hetgeen hij op basis van de beschikking van 9 maart 2023 heeft voldaan. Dat betekent dat de man datgene dat hij nog niet betaald heeft, niet meer hoeft te betalen, dat de vrouw datgene dat zij heeft geïncasseerd niet terug hoeft te betalen en datgene dat zij nog niet heeft geïncasseerd niet meer kan incasseren. Voor de rechtbank weegt ook mee dat de man niet duidelijk heeft gemaakt waarom hij niet eerder een verzoekschrift tot wijziging van de onderhoudsbijdrage heeft ingediend. Als de man eerder een verzoekschrift had ingediend, was de periode waarover een mogelijke terugbetaling zou moeten plaatsvinden aanzienlijk korter zijn geweest. Dat de man zo lang gewacht heeft met het indienen van een verzoekschrift hoeft niet, ook mede gelet op het consumptieve karakter van de onderhoudsbijdrage, voor rekening van de vrouw te komen.
Berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Proceskostenveroordeling
De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen in de proceskosten omdat de vrouw op dubbele kosten is gejaagd doordat de man in de eerste procedure (in 2023) niet is verschenen en nu zonder vooraankondiging de vrouw in deze procedure heeft betrokken. De vrouw is door deze handelswijze van de man genoodzaakt zich in deze procedure te verweren.
De man verzoekt de rechtbank om dit verzoek van de vrouw af te wijzen. De man stelt dat hij in de eerdere procedure niet is verschenen omdat hij daarvan niet op de hoogte was. Daarnaast is de man van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de vrouw voorafgaand aan deze procedure niet heeft aangeschreven. De man heeft er recht en belang bij dat de rechtbank de alimentatie op juiste wijze vaststelt, zodat de man een nieuwe titel verkrijgt waarmee het LBIO zal stoppen de hoge bedragen te incasseren.
De rechtbank ziet in hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht of nodeloos procederen door de man. Vanwege de omstandigheid dat partijen samen de ouders van [minderjarige 1] zijn, bepaalt de rechtbank dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten van de procedure zal de rechtbank dan ook afwijzen en de proceskosten compenseren.
5. De beslissing
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van deze rechtbank van 9 maart 2023 als volgt: bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019 met terugwerkende kracht over de periode van 9 maart 2025 tot 1 januari 2025 wordt vastgesteld op € 25,00 (vijfentwintig euro), over de periode 1 januari 2025 tot 1 mei 2026 wordt vastgesteld op € 78,50 (zevenentachtig euro en 50 eurocent) en vanaf 1 mei 2026 wordt vastgesteld op € 87,55 (achtenzeventig euro en vijfenvijftig eurocent) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;
stelt het bedrag dat de man ingevolge voormelde beschikking tot de datum van deze beschikking gehouden was te betalen nader vast op hetgeen hij tot heden in feite heeft betaald of met hem is verrekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.