2. De (resterende) verzoeken
Aan de orde is een verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van de rechtbank van 26 augustus 2021 voor wat betreft de inhoud van het ouderschapsplan met betrekking tot de zorgregeling en informatie-uitwisseling, aldus dat:
- de man en [minderjarige] wekelijks op zaterdag van 13:00 uur tot 16:00 uur contact hebben waarbij de man [minderjarige] haalt en terugbrengt en waarbij in overleg, onder begeleiding van een deskundige zodat de communicatie ook wordt verbeterd, uitbreiding van dit contact plaats heeft zodat uiteindelijk de regeling volgens het ouderschapsplan hervat kan worden;
- de vrouw de man wekelijks informeert over het wel en wee van [minderjarige] op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum € 25.000,00 voor iedere keer dat de vrouw in gebreke ermee blijft.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de verzoeken van de man dienen te worden afgewezen. Verder heeft zij bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzocht, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het recht op contact van de man met [minderjarige] te schorsen voor onbepaalde tijd en zo nodig om de wijziging van de zorg- en contactregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 26 augustus 2021 met het daarin genoemde ouderschapsplan, althans om die regeling te wijzigen op een wijze als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- te bepalen dat de vrouw eens in de drie maanden de man schriftelijk zal informeren omtrent [minderjarige] , middels een schriftelijk bericht, toe te zenden naar een door de man op te geven e-mailadres.
Bij voormelde tussenbeschikking heeft de rechtbank, onder wijziging van het aan de beschikking van 26 augustus 2021 gehechte ouderschapsplan voorlopig uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de vrouw de man éénmaal per maand schriftelijk - per e-mail - informeert over de gezondheid en de ontwikkeling van [minderjarige] en dat zij aan hem telkens kopieën geeft van de schoolrapporten van [minderjarige] zodra zij hierover beschikt en dat zij hem schriftelijk op de hoogte stelt van belangrijke zaken over [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in die tussenbeschikking geformuleerde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. De behandeling van de zaak is in afwachting van een rapportage pro forma aangehouden.
3. Het standpunt en advies van de Raad
De Raad heeft naar aanleiding van het gehouden onderzoek geadviseerd en als zodanig verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij heeft de Raad ook betrokken dat beide ouders eerder desgevraagd hadden uitgesproken zich te willen conformeren aan een traject in het kader van het uniform hulpaanbod (hierna: UHA) en hulpverlening voor [minderjarige] te (blijven) accepteren. De Raad heeft om die reden de ouders de kans geboden om in het vrijwillig kader (middels UHA) tot de juiste hulp te komen om te werken aan constructief ouderschap na scheiding, alsook om de mogelijkheden te onderzoeken in het contact tussen [minderjarige] en de man. Vervolgens hebben de ouders onafhankelijk van elkaar aangegeven dat de situatie met alleen de inzet van UHA niet zal verbeteren. Dit heeft er toe geleid dat de Raad zijn besluit om geen ondertoezichtstelling te verzoeken heeft heroverwogen en separaat heeft verzocht een ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van twaalf maanden. Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat het UHA een gepasseerd station is. In de bodemprocedure heeft de Raad geadviseerd de behandeling van zowel de contact- als de informatieregeling aan te houden voor de duur van 10 maanden om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode de beoogde hulpverlening aan te gaan onder de regie van een jeugdbeschermer en de resultaten daarvan af te wachten.
Het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling met het kenmerk C/02/448298 / JE RK 26-861 is gelijktijdig behandeld met de bodemzaak. Op het verzoek van de Raad is op 13 juli 2026 separaat mondeling beslist, welke beslissing over uiterlijk twee weken schriftelijk zal worden bevestigd.
De Raad heeft ter onderbouwing van zijn advies in de bodemprocedure en zijn afzonderlijk verzoek - samengevat - aangevoerd dat bij [minderjarige] sprake is van een Developmental Coordination Disorder (hierna: DCD). Dit is een aangeboren aandoening, waardoor hij problemen ervaart met het aanleren en uitvoeren van fijne en grove motorische vaardigheden. [minderjarige] kent een belaste voorgeschiedenis. Hij is langdurig en structureel gepest op de basisschool. Ook is hij tijdens de relatie van zijn ouders getuige geweest van spanningen en geweld. De vrouw heeft aangegeven dat zij zelf trauma’s heeft opgelopen door wat zij in de relatie met de man heeft meegemaakt en dat zij daardoor kampt met herbelevingen.
[minderjarige] had sinds 2021 contact met de man gedurende een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties, overeenkomstig het ouderschapsplan. In januari 2024 is [minderjarige] gestart bij de [hulpverlener] voor het volgen van een behandeltraject, bedoeld om ingrijpende gebeurtenissen te verwerken en te leren hoe zich te uiten naar zijn ouders. Dit traject is kort onderbroken wegens het intrekken van de toestemming daarvoor door de man. [minderjarige] heeft samen met zijn behandelaar de situaties die hij als traumatisch/moeilijk vindt uit zijn verleden en heden uitgewerkt. Hij heeft een groei laten zien in het praten over zijn ervaringen en zijn emoties. In de zomervakantie van 2024 heeft [minderjarige] aangegeven een ‘time-out’ te willen wat betreft het contact met de man. Als reden daarvoor gaf [minderjarige] op veel woede te voelen ten aanzien van hem, maar ook verdriet naar aanleiding van al wat er (tijdens de scheiding) is gebeurd. Voor de man kwam het standpunt van [minderjarige] geheel onverwacht, omdat door hem geen enkele zorg of probleem ten aanzien van de omgangsmomenten of überhaupt in relatie tot [minderjarige] werd ervaren.
Over een aantal maanden zal de [hulpverlener] worden gesloten. In haar eindverslag heeft De [hulpverlener] aangegeven dat de communicatie tussen de ouders zeer onrustig is verlopen. Het CJG heeft gekeken wat de communicatie tussen de ouders zou kunnen verbeteren, echter heeft dit nog niet tot verbetering geleid of tot stappen in die richting omdat de ouders daarover geen overeenstemming weten te bereiken. De inschatting is dat hiervoor een gespecialiseerde instantie nodig is. Voor [minderjarige] wordt ambulante ondersteuning geadviseerd, waarbij voorop staat dat hij iemand heeft om moeilijke situaties te bespreken en die ondersteuning kan bieden in het dagelijks leven.
Momenteel doet zich de situatie voor dat elke poging die door de man richting [minderjarige] wordt ondernomen bij [minderjarige] woede oproept. Als voorbeeld wordt benoemd dat op een door de man gestuurde brief door [minderjarige] werd aangegeven dat hij wilde dat die wordt verscheurd. Richting de vrouw laat [minderjarige] juist een louter positieve, loyale houding zien. Wanneer er in die situatie niets verandert zal er alleen maar sprake blijven van contact-verlies. De man laat zien dat hij graag contact wil met [minderjarige] en bereid is om zich in te zetten om tot contactherstel te komen, maar ook wordt gezien dat hij emotioneel uitgeput raakt en dit ervoor zorgt dat hij zich begint af te sluiten voor contactmogelijkheden.
De vrouw heeft aangegeven dat zij open staat voor contact tussen [minderjarige] en de man en dat zij [minderjarige] meerdere malen heeft aangemoedigd om contact met de man te hebben. Ook is zij, naar zij aangeeft, bereid mee te werken aan het onderzoeken van de mogelijkheden hierin. De Raad hoopt dat de vrouw in het belang van [minderjarige] daadwerkelijk daarnaar zal handelen. Daarbij betrekt de Raad dat bij het halfbroertje Justin van een vergelijkbare situatie sprake is en er ten aanzien van hem er een ondertoezichtstelling loopt.
4. De standpunten van partijen
Door en namens de man is - samengevat - aangevoerd dat er inmiddels gedurende twee jaren geen enkel contact tussen hem en [minderjarige] plaats vindt. Dit is volgens hem voor een belangrijk deel te wijten aan het niet behoorlijk naleven van de afspraken in het ouderschapsplan door de vrouw. Wegens het geheel ontbreken van contact tussen hem en [minderjarige] slaapt hij slecht en heeft hij minder zin in het leven. Hij wordt intussen door de vrouw één maal per maand per email over [minderjarige] geïnformeerd. Dit betekent dat hij niet van alles wat [minderjarige] aangaat steeds tijdig op de hoogte is, ook dit zou hij graag anders zien. Bij hem als vader is de indruk ontstaan dat [minderjarige] kampt met een loyaliteitsconflict en hij daarvoor ondersteuning ofwel behandeling nodig heeft. Hij heeft daarom in de afzonderlijke procedure ingestemd met een ondertoezichtstelling voor de door de Raad verzochte periode, opdat - naar hij hoopt - kan worden onderzocht waar de woede bij [minderjarige] over hem vandaan komt. Verder kan hij er achter staan dat de beslissing in deze bodemprocedure pro forma wordt aangehouden voor de duur van 10 maanden, in afwachting van het verdere verloop en resultaat van de in het kader van de ondertoezichtstelling (nog) in te zetten hulpverlening en ondersteuning.
Door en namens de vrouw is - samengevat - naar voren gebracht dat, ondanks dat de moeder [minderjarige] probeert te stimuleren om contact met de man te hebben, [minderjarige] blijft bij zijn standpunt dat hij geen enkele vorm van contact wil. Wel wijst de vrouw erop dat daaraan een langdurig proces is voorafgegaan. [minderjarige] heeft in zijn leven het nodige meegemaakt, waardoor zijn vertrouwen is geschaad. Ook is de oudercommunicatie verstoord geraakt, zoals in de tijd dat de relatie van de man met zijn vorige partner eindigde, waardoor er geen goede afspraken konden worden gemaakt. Er ligt nu een raadsrapportage en -advies, waarin de vrouw zich kan vinden. Zij heeft daarom in de andere procedure ingestemd met een ondertoezichtstelling voor de door de Raad verzochte duur. Uit het verloop en resultaat van de in het kader van deze beschermingsmaatregel in te zetten hulpverlening zal moeten blijken of en zo ja op welke wijze contact tussen [minderjarige] en de man mogelijk is. Indien (uiteindelijk) mocht blijken dat contactherstel definitief niet tot de mogelijkheid behoort dient dit ook te worden gerespecteerd. Verder kan de vrouw met deze toelichting - alsnog - instemmen met het pro forma aanhouden van de beslissing in deze bodemzaak voor de duur van 10 maanden, in afwachting van het verloop en resultaat van de (nog) in te zetten hulpverlening en regievoering daarover in het kader van de ondertoezichtstelling.
5. Het standpunt van de GI
Namens de GI is opgemerkt dat, nadat de laatste ondertoezichtstelling resulteerde in een contactregeling tussen [minderjarige] en de man, er sprake is van intussen gewijzigde omstandigheden, in die zin, dat [minderjarige] momenteel elke vorm van contact met de man van de hand wijst. Er is op dit moment onvoldoende duidelijkheid wat daarvan de werkelijke oorzaak is en wat [minderjarige] en de ouders nodig hebben om iets aan die situatie in positieve zin te (kunnen) veranderen. Daarom heeft de GI zich in de andere procedure op het standpunt gesteld dat zij ermee kan instemmen dat in die zaak - overeenkomstig het verzoek van de Raad - er over [minderjarige] (opnieuw) een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken.
6. De beoordeling
De rechtbank is op grond van de inhoud van de stukken, meer specifiek de inhoud van de raadsrapportage en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in deze bodemprocedure het advies van de Raad, waarvan is gebleken dat ook partijen daar achter kunnen staan, dient te worden gevolgd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Raad heeft geadviseerd en ook zelfstandig heeft verzocht over [minderjarige] (opnieuw) een ondertoezichtstelling uit te spreken. Dit verzoek is bij afzonderlijke op 13 juli 2026 gegeven mondelinge beslissing toegewezen. Daartoe is door de kinderrechter overwogen dat een ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is wegens de jarenlange onrust en spanningen tussen de ouders, de problematiek die complex is gebleken en de impact daarvan op [minderjarige] en zijn ontwikkeling. Het gaat goed met [minderjarige] op school, ook heeft hij dankzij de hulpverlening en behandeling bij de [hulpverlener] een groei laten zien in het zich uiten over zijn ervaringen en zijn emoties. Dit neemt niet weg dat [minderjarige] een belaste voorgeschiedenis heeft en hij in de zomervakantie van 2024 heeft aangegeven ervoor te kiezen om geen contact met zijn vader te hebben. Die situatie heeft ertoe geleid dat er feitelijk gedurende een periode van twee jaren tussen [minderjarige] en de man geen enkele vorm van contact plaats vindt. Elke poging die door de man richting [minderjarige] is/wordt ondernomen om met hem in contact te komen roept weerstand en woede op bij [minderjarige] . Richting de vrouw laat [minderjarige] juist een louter positieve, loyale houding zien. Indien er die situatie niets verandert zal er alleen maar sprake blijven van contactverlies, wat een bedreiging vormt voor [minderjarige] ’s verdere (identiteits)ontwikkeling. Intussen wordt de man door de vrouw per e-mail geïnformeerd over de gezondheid, ontwikkeling en schoolprestaties van [minderjarige] , zoals voorlopig bepaald in de tussenbeschikking van deze rechtbank van 10 september 2025, maar verloopt dit in de visie van de man nog niet zoals dit zou moeten.
In het belang van [minderjarige] zal door de GI in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt gaan worden aan de navolgende twee doelstellingen:
a. er is zicht op de eventuele mogelijkheden ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de man. Hier is bovendien - indien mogelijk - passend op ingezet;
b. de ouders geven constructief vorm aan hun gezamenlijk gezag en ouderschap na de scheiding, waarbij de vrouw de man bovendien toereikend informeert.
Op dit moment is nog niet duidelijk wat daarvan het resultaat zal zijn en in hoeverre dit gevolgen heeft voor het contactherstel tussen [minderjarige] en de man. De rechtbank vindt het daarom te vroeg om nu al op de verzoeken en de zelfstandige tegenverzoeken van partijen definitief te beslissen. De rechtbank zal daarom - in de lijn van het advies van de Raad - de beslissing daarover aanhouden voor een periode van 10 maanden, te weten tot dinsdag, 11 mei 2027 Pro forma. De GI wordt verzocht om uiterlijk op 9 maart 2027 schriftelijk aan de rechtbank - tevens in afschrift aan de advocaten van partijen en aan de Raad - verslag uit te brengen over de resultaten van de ingezette hulpverlening en haar bevindingen op dat moment. De advocaten van partijen worden in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk op 23 maart 2027 schriftelijk hun reactie aan de rechtbank kenbaar te maken.
7. De beslissing
De rechtbank
houdt de behandeling van deze zaak aan tot dinsdag, 11 mei 2027 Pro forma, met inachtneming van het hiervóór in alinea 6.3 overwogene;
behoudt zich iedere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Maandag, en, in tegenwoordigheid van Baremans, als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: