RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/02/449956 / JE RK 26-1178 (voorlopige ondertoezichtstelling)
C/02/450073 / JE RK 26-1202 (machtiging uithuisplaatsing)
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen de stiefvader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen.
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
JE RK 26-1178:
de (mondelinge) beslissing van de kinderrechter van 2 juli 2026, welke op schrift is gesteld is op 3 juli 2026, en de daarin genoemde stukken;
de e-mail van de vader van 9 juli 2026.
JE RK 26-1202:
- de (mondelinge) beslissing van de kinderrechter van 7 juli 2026, welke op schrift is gesteld is op 8 juli 2026, en de daarin genoemde stukken;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de stiefvader met zijn advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad;
een tweetal vertegenwoordigers van de GI.
Hoewel behoorlijk opgeroepen was de vader (met bericht van afwezigheid) niet aanwezig.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gehuwd geweest en oefenden na hun echtscheiding gezamenlijk het gezag over hen uit. De moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , [de moeder] , is op [datum] 2025 overleden. Sindsdien wordt het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgeoefend door de vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 2 juli 2026 en tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, onder aanhouding van het restant van het verzoek.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2026 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 juli 2026 tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, onder aanhouding van het restant van het verzoek.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven voorheen bij de stiefvader en verblijven op basis van voornoemde machtiging op dit moment in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. Het resterende deel van de verzoeken
JE RK 26-1178
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden.
JE RK 26-1202
De Raad heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 2 oktober 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft verzocht hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
JE RK 26-1178 en JE RK 26-1202
Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissingen, alsmede het resterende deel van de verzoeken van de Raad om, uitvoerbaar bij voorraad, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen met ingang van 16 juli 2026 tot 2 oktober 2026.
4. De standpunten
JE RK 26-1178 en JE RK 26-1202
De Raad handhaaft het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad is via [hulpverlening] geïnformeerd over een escalatie in de thuissituatie tussen de stiefvader en [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 1] zou zijn mishandeld. Bij hem is letsel geconstateerd en hoewel hij in medisch opzicht naar huis mocht, wilde hij niet. De stiefvader is na het overlijden van de moeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alleen komen te staan voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun broertje [minderjarige 3] . Het vermoeden is dat het hem teveel is geworden. Er lijkt sprake van een stukje onmacht. Sinds maart 2026 is de frequentie van de inzet van [hulpverlening] verhoogd om de situatie te stabiliseren, maar dat heeft helaas geen verbetering opgeleverd. Er zijn signalen van structurele kindermishandeling, naar aanleiding van een zogeheten medisch top-tot-teen-onderzoek door een forensisch arts. In het verleden was bij de stiefvader sprake van crimineel gedrag, agressie en moeite met impulsbeheersing. Bij [hulpverlening] zijn er zorgen over een terugval in alcoholgebruik en vanuit school zijn zorgen geuit over het contact met de stiefvader en de uitspraken die [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] deden. De veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] was niet langer gewaarborgd. De Raad heeft er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een veilige manier terug naar huis kunnen komen. Van belang is dat de stiefvader mee gaat werken aan hulpverlening zodat er goed zicht kan komen op de thuissituatie en mogelijkheden van de stiefvader.
Door en namens de stiefvader is aangevoerd dat hij de beschuldiging van mishandeling van [minderjarige 1] ontkent. De stiefvader werd aangevallen door [minderjarige 1] en hij heeft hem afgeweerd. De stiefvader kan niet meer tegen [minderjarige 1] op. Het gedrag van [minderjarige 1] richting de stiefvader en zijn broertjes wordt steeds lastiger. De laatste drie weken is het geëscaleerd. De stiefvader heeft al hulp van verschillende instanties, zoals [hulpverlening] . Het gaat al langere tijd niet goed met [minderjarige 1] . Hij heeft ondersteuning nodig, maar er is niemand die de regie neemt en intensievere hulp komt dus niet van de grond. De stiefvader ontkent alcoholgebruik. De stiefvader stemt in met de voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden. In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling kan er meer zicht komen op de opvoedsituatie, kan passende hulp worden ingezet en kunnen de zorgen worden gemonitord. Hij is bereid hulpverlening te aanvaarden. De stiefvader verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen of slechts te verlenen voor maximaal een maand, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De uithuisplaatsing is niet noodzakelijk en de stiefvader wil dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zo snel mogelijk terugkomen bij hem thuis. Daarbij wil de stiefvader naar de wens van [minderjarige 1] luisteren. Hij heeft meermalen aangegeven niet bij de stiefvader te willen wonen. De indruk is dat als [minderjarige 1] ergens anders woont, er meer rust zal ontstaan.
De vader heeft via e-mail laten weten dat hij blij is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis zijn gehaald en dat hij begrijpt dat zij nu niet bij hem geplaatst kunnen worden.
De GI heeft aangevoerd dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geplaatst op een geheime crisisplek. Naar omstandigheden gaat het goed met hen. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] doen onthullingen over huiselijk geweld in de thuissituatie. Ook het zien van mishandeling is mishandeling. In die zin zijn er niet alleen zorgen over [minderjarige 1] , maar ook over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De GI zal onderzoek doen naar een veilige plek die aansluit bij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dat zal binnen twee weken duidelijk moeten zijn. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben nu vooral rust nodig. Van daaruit kan worden gekeken naar omgang en welke hulp ingezet gaat worden.
[minderjarige 1] heeft verteld dat is mishandeld door de stiefvader en dat hij op dit moment niet terug naar huis wil.
5. De verdere beoordeling
JE RK 26-1178
Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling
Bij beschikking van 2 juli 2026 is een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgesproken met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 2 juli 2026 zou moeten worden herroepen.
De kinderrechter is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.
Restant verzoek voorlopige ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Uit de bevindingen de GI, Veilig Thuis en de artsen komen grote zorgen naar voren over de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de stiefvader thuis. Uit de bevindingen van de artsen is naar voren gekomen dat er sprake is geweest van een mishandeling van [minderjarige 1] . De kinderrechter gaat niet mee in het standpunt van de stiefvader dat de escalatie tussen hem en [minderjarige 1] meeviel en dat sprake was van zelfverdediging. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , die pas twaalf jaar oud is, en de omvang van de stiefvader ten opzichte van [minderjarige 1] , vindt de kinderrechter die opvatting zorgelijk. Dit ook gezien het geconstateerde letsel en de omstandigheid dat uit medisch onderzoek blijkt dat mishandeling van [minderjarige 1] waarschijnlijk al langere tijd speelt. [minderjarige 1] is onschuldig aan deze situatie. Voorstelbaar is dat er sprake is van een lastige situatie na het overlijden van de moeder van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , waarna de stiefvader alleen voor de verzorging en opvoeding van de drie kinderen is komen te staan. De kinderrechter acht hulpverlening noodzakelijk en vindt van belang dat de stiefvader open in gesprek gaat over de thuissituatie en hulp accepteert.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026.
JE RK 26-26-1202
Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing
Bij beschikking van 7 juli 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 juli 2026 tot 16 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 7 juli 2026 zou moeten worden herroepen.
De kinderrechter is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.
Restant verzoek machtiging tot uithuisplaatsing
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is voldaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] zelf heeft aangegeven dat hij op dit moment niet terug naar huis wil. In combinatie met de genoemde zorgen maakt dat duidelijk dat thuisplaatsing op dit moment, onder de huidige omstandigheden, niet aan de orde is. Hoewel er op dit moment geen signalen zijn van mishandeling van [minderjarige 2] , is dat niet doorslaggevend voor het verzoek ten aanzien van hem. De volledige thuissituatie is zodanig zorgelijk dat de veiligheid van alle kinderen, dus ook [minderjarige 2] , in het geding is. Van belang is dat de veiligheid van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is gewaarborgd. Zij hebben een plek nodig waar zij tot rust kunnen komen, waarna hulpverlening en gesprekken met de stiefvader kunnen starten om meer zicht te krijgen op de situatie. Gelet daarop is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven nu op een crisisplek en binnen een paar weken zal naar verwachting een vervolgplek gevonden zijn. Een uithuisplaatsing voor de duur van een maand is te kort om al stappen te kunnen zetten. De termijn van drie maanden is daarvoor minimaal nodig.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen met ingang van 16 juli 202 en tot 2 oktober 2026
JE RK 26-1178 en JE RK 26-1202
Uitvoerbaar bij voorraad
Het verzoek van de Raad om de beslissing op het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wijst de kinderrechter af. Tegen deze beslissing van de kinderrechter staat geen hoger beroep open. De beslissing geldt meteen. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
JE RK 26-1178 en JE RK 26-1202
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026;
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Van den Beld, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.
Tegen de eindbeslissing in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Tegen de eindbeslissing in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.