ECLI:NL:RBZWB:2026:7617

ECLI:NL:RBZWB:2026:7617

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer C/02/443899 / FA RK 26-176
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vader die niet eerder het gezag had, verzoekt het gezag te krijgen. Raadsonderzoek gelast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/443899 / FA RK 26-176

datum uitspraak: 13 juli 2026

beschikking over eenhoofdig gezag

in de zaak van

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.

Als belanghebbende in onderhavige zaak worden aangemerkt:

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

in haar hoedanigheid van voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Middelburg.

Als informant in onderhavige zaak worden aangemerkt:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:

- het op 13 januari 2026 ontvangen verzoekschrift d.d. 18 oktober 2025;

- het op 9 juni 2026 ontvangen Raadsrapport d.d. 4 juni 2026;

- het op 22 juni 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift tevens houdende vermeerdering verzoek d.d. 22 juni 2026.

Het verzoek is mondeling behandeld op 25 juni 2026. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een tweetal vertegenwoordigers van de GI.

Ondanks behoorlijke oproeping is de moeder niet verschenen.

2. De feiten

De ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] .

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

Bij beschikking van 4 november 2020 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 4 november 2020 en tot 4 november 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij beschikking van 24 maart 2022 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 maart 2022 en tot 4 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij beschikking van 3 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 januari 2024 en tot 17 januari 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025.

Bij beschikkingen van 14 augustus 2024 zijn de verzoeken van de vader om mede met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast afgewezen en is bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot een omgangsregeling, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding en op het kantoor van [hulpverlening] in [plaats 1] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van de minderjarigen), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt, een en ander zoals overwogen in de beschikkingen.

Bij beschikking van 21 februari 2025 is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, zoals is vastgelegd bij beschikkingen van deze rechtbank van 14 augustus 2024, gewijzigd en is bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dat moment aan kunnen, wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt.

Bij beschikking van 18 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 18 april 2025 en tot 4 november 2025.

Bij beschikking van 21 oktober 2025 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van twee maanden, met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026.

Bij beschikking van 4 november 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

Bij beschikking van 3 februari 2026 heeft de rechtbank bepaalt dat de vader inzage in en afschrift van de acht weekrapportages van het gezinshuis wordt onthouden en bepaalt dat de weekrapportages onderdeel uitmaken van de inhoudelijke procedure.

Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter de bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader gewijzigd en stelt met ingang van 24 februari 2026 de volgende omgangsregeling vast tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader, waarbij:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie;

de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader in handen van de GI ligt.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven (apart van elkaar) in een gezinshuis.

3. Het verzoek

De vader verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om hem te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2021 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 te [geboorteplaats] en de voogdij van de GI te beëindigen.

4. De standpunten

In aanvulling op het verzoekschrift is toegelicht dat de vader meer bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil worden betrokken. Hij wil informatie over hen krijgen en zijn visie kunnen delen. Dat is nu niet het geval. Sinds de GI met de voogdij is belast, wordt er enkel schriftelijk over de hoognodige zaken gecommuniceerd. De vader acht zichzelf in staat om het ouderlijk gezag over de kinderen zorgvuldig en verantwoord uit te oefenen, waarbij hij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop zal blijven stellen. Er is geen sprake van een ontzeggingsgrond en ook niet van risico op gezagsmisbruik. Dat zijn de criteria waarop het verzoek moet worden beoordeeld. Dat de Raad stelt dat de vader onvoldoende opvoedvaardigheden heeft en dat hij niet in staat is om gezagsbeslissingen te nemen, is door de Raad niet onderzocht en tot op heden heeft de vader ook niet de kans gekregen om te laten zien dat hij gezagsbeslissingen kan nemen. Zo is de vader pas op de hoogte gesteld van de overplaatsing van [minderjarige 1] , nadat zij al onderweg was naar [plaats 2] . Ook zijn er geen aanwijzingen dat de vader over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt. Er is geen onderzoek naar Goed Genoeg Ouderschap gedaan en in 2024 zouden de kinderen nog terug thuis bij de vader worden geplaatst. Verder verloopt het contact met de kinderen goed en is er geen verband tussen het contact met de vader en het heftige gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu er ook alternatieve oorzaken zijn die het heftige gedrag van de kinderen kunnen verklaren. De vader wil meewerken aan een Raadsonderzoek en een kans krijgen om te laten zien dat hij gezagsbeslissingen in het belang van de kinderen kan nemen. Voor zover dat kan, doet hij dat nu ook al. De vader verzoekt het Raadsonderzoek door locatie Breda te laten uitvoeren, gezien de (schijn van) vooringenomenheid van locatie Middelburg als het gaat over zijn opvoedvaardigheden en zijn mogelijkheden tot het nemen van gezagsbeslissingen. Desgevraagd geeft de vader aan dat hij de uithuisplaatsing van de kinderen ondersteunt zolang dit in hun belang is. Gezien het feit dat de kinderen steeds worden overgeplaatst, wil de vader wel als serieuze mogelijkheid worden overwogen en als de kinderen bij de vader kunnen wonen, heeft dat de voorkeur maar dat is niet de reden van het onderhavige verzoek.

De GI geeft aan dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is als de vader met het ouderlijk gezag wordt belast. De aanvaardbare termijn is verstreken en de vader sluit onvoldoende aan bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Tijdens de omgangsmomenten is steeds kadering en begrenzing nodig en na de omgang reageren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heftig. Zo hebben zij moeite met slapen en het reguleren van emoties. Dit duurt meestal vijf á zes weken. De GI vindt het niet in het belang van de kinderen als er weer een onderzoek komt. Er is veel gebeurd in het verleden. De kinderen hebben hoge specialistische zorg nodig en er moet stabiliteit voor hen komen. Als het verzoek van de vader is gericht op het willen hebben van meer contact, kan dat ook zonder dat hij met het ouderlijk gezag is belast. In het verleden heeft de vader grensoverschrijdend gedrag laten zien en daarom wordt er vanuit de GI slechts schriftelijk met de vader gecommuniceerd.

De Raad adviseert om het verzoek van de vader af te wijzen en de voogdij bij de GI in stand te laten. De Raad ziet dat de vader betrokkenheid toont, maar vindt het niet passend en in het belang van de kinderen om de vader met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. Dit omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer beschadigde kinderen zijn, die hoge specialistische zorg nodig hebben en de complexiteit van de zorg vergt steeds afstemming. Ook is de aanvaardbare termijn voor de kinderen verstreken en bestaat er onzekerheid over de opvoedvaardigheden van de vader in relatie tot zorgen uit het verleden. De GI heeft geconstateerd dat de vader onvoldoende opvoedvaardigheden heeft om tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de vader gezagsbeslissingen in het belang van de kinderen kan nemen en stelt dat er gezien de grote kwetsbaarheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook geen risico moeten worden genomen. Daar komt bij dat de omgang tussen de vader en de kinderen bij beschikking van 24 februari 2026 is verminderd van eens per 6 naar eens per 8 weken en het de vraag is in hoeverre de kinderen het contact met de vader als veilig ervaren, gezien de heftige reacties van de kinderen op het contact. Als de rechtbank vindt dat er een Raadsonderzoek moet komen, is de Raad hiertoe bereid maar de Raad stelt dat een nieuw onderzoek niet in het belang van de kinderen is en dat er los van de locatie eenzelfde beeld zal ontstaan. Belangrijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een opvoedklimaat met stabiliteit, voorspelbaarheid en extra pedagogische ondersteuning hebben en dat er wordt ingezet op herstel en trauma/hechting.

5. De beoordeling

Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als die ouder niet beschikt over de vereiste opvoedkundige vaardigheden om het kind in kwestie zelf te verzorgen en op te voeden of als het kind een zeer hechte band heeft opgebouwd met de pleegouder en het nadelig voor het kind zou zijn wijziging te brengen in die opvoedingssituatie.

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer kwetsbare kinderen zijn en dat er in het afgelopen jaar wederom veel in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gebeurd. Zo is het eenhoofdig gezag van de moeder beëindigd en is de GI tot voogdes over de kinderen benoemd, is de frequentie van de omgangsmomenten met de ouders gewijzigd en is [minderjarige 1] recent naar een andere woonplek in [plaats 2] overgeplaatst. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel dat er heel zorgvuldig met de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden omgegaan. De rechtbank dient ten aanzien van het verzoek van de vader te beoordelen of er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd. Op grond van de stukken en de zitting acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om dit te kunnen beoordelen en een weloverwogen en goed gefundeerde beslissing in het belang van de kinderen op het verzoek van de vader te nemen. In de stukken en tijdens de zitting is veel onduidelijkheid en tegenstrijdigheid naar voren gekomen. Er is onvoldoende actuele informatie beschikbaar die ziet op de (on)mogelijkheden van de vader om gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen nemen en informatie die ziet op de vraag of er gegronde vrees bestaat dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als de vader met het ouderlijk gezag zou worden belast, en zo ja op welke manier. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat een (aanvullend) onderzoek door de Raad noodzakelijk is om een beter beeld te kunnen krijgen van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om te kunnen beoordelen wat in het kader van het ouderlijk gezag in het belang van de kinderen moet worden geacht.

Gelet hierop is een onderzoek door de Raad geïndiceerd. Om iedere schijn van vooringenomenheid vanuit de Raad, waar de vader voor vreest, te vermijden, zal de rechtbank locatie Breda verzoeken om het Raadsonderzoek uit te voeren. De rechtbank zal de Raad verzoeken een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:

Is de toekenning van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?

Is de vader in staat om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen?

Bestaat er bij inwilliging van het verzoek van de vader gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd? En zo ja, op welke manier?

Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?

Op het moment dat de Raad tot de conclusie zou komen dat de vader in staat is om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te nemen én er geen sprake is van gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als de vader met het ouderlijk gezag over de kinderen zou worden belast, verzoekt de rechtbank de Raad om zich ook uit te laten over wat er nodig zou zijn als de vader met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou worden belast, of een ondertoezichtstelling passend zou zijn en of en hoe een wijziging in de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend zou zijn.

In afwachting van de rapportage van de Raad, locatie Breda zal de rechtbank de behandeling van de zaak voor de duur van zes maanden aanhouden. De Raad wordt verzocht om uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum de rechtbank in ieder geval op de hoogte te stellen over de voortgang van het onderzoek door de Raad, ook als het Raadsrapport op dat moment nog niet gereed is. Gelet op de aard van de zaak zal de rechtbank de zaak ook naar de meervoudige kamer van deze rechtbank doorverwijzen. Dit betekent dat de zaak verder zal worden behandeld door de meervoudige kamer, zodra het Raadsrapport bij de rechtbank en onder gelijktijdige verstrekking aan partijen is ingediend. Na binnenkomst van het rapport zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren en aan te geven wat het gewenste verdere procesverloop is.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen in rechtsoverweging 5.3 en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaat van) de vader en de GI;

houdt de behandeling van deze zaak aan tot 19 januari 2027 PRO FORMA;

verwijst deze zaak voor (verdere) behandeling en beslissing op het verzoek van de vader naar de meervoudige kamer van deze rechtbank;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vork als griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. De Beer

Griffier

  • mr. Vork als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand