ECLI:NL:RBZWB:2026:7628

ECLI:NL:RBZWB:2026:7628

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 13-08-2026
Zaaknummer C/02/449515 / JE RK 26-1078
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/449515 / JE RK 26-1078

Datum uitspraak: 13 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- een vertegenwoordigster van de GI.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Via de GI heeft zij laten weten dat zij niet ter zitting zal verschijnen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld via een kindgesprek of schriftelijk zijn mening kenbaar te maken. Via de GI heeft [minderjarige] laten weten daarvan geen gebruik te maken omdat hij die dag jarig is.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 juli 2026.

[minderjarige] woont bij zijn moeder. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2026 een deeltijdmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 januari 2026 tot 31 juli 2026. Dit betekent dat [minderjarige] feitelijk op doordeweekse dagen op een behandelgroep verblijft van Sterk Huis en dat hij in de weekenden, feestdagen en vakanties bij zijn moeder is.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Namens de GI is ter zitting mondeling toegelicht dat zij met haar verzoek - wederom - een zogeheten deeltijdmachtiging beoogt, waarbij [minderjarige] in de weekenden, de vakanties en de feestdagen bij zijn moeder is en hij doordeweeks op de behandelgroep verblijft.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de behandelgroep van Sterk Huis een goede plek is voor [minderjarige] om uiteindelijk toe te kunnen komen aan behandeling van onder meer zijn trauma’s. [minderjarige] is per 1 april 2026 gestart op [school] . Aanvankelijk was dat halve dagen om te wennen, maar al heel snel werden dit volledige schooldagen omdat [minderjarige] graag naar school gaat en dit ook goed verloopt; er zijn - voor zover bekend - bij zijn huidige school geen zorgen. Ook verloopt de overplaatsing van [minderjarige] naar een langer verblijf op de groep positief. Gezien wordt dat [minderjarige] alles snel oppakt en op zijn gemak is. Wel heeft [minderjarige] ook meteen zelfbepalend gedrag laten zien. Op de groep krijgt hij daarom een duidelijke structuur en begrenzing geboden. Die blijkt echter bij de moeder nog in onvoldoende mate aanwezig. Dit komt ook tot uiting in [minderjarige] ’s gedrag, dat problematischer is op de maandagen, nadat hij in het weekend bij de moeder is geweest. [minderjarige] zal om die reden niet de gehele aankomende zomervakantieperiode bij de moeder doorbrengen, er zullen in die periode enkele vakantie- en spelletjesweken worden ingepland. De behandeling van [minderjarige] bevindt zich nog in de beginfase. Er wordt momenteel toegewerkt naar de inzet van traumabehandeling. Een voorwaarde daarvoor is dat duidelijk wordt welke herinneringen van [minderjarige] werkelijk van hemzelf zijn en van binnenuit komen en welke door hem zijn gevormd naar aanleiding van de verhalen die hem zijn verteld door één of beide ouders.

Vastgesteld is dat de opvoedvaardigheden van de moeder nog onvoldoende aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] waardoor hij in zijn ontwikkeling is gestagneerd en dat de moeder daarom nog steeds opvoedondersteuning nodig heeft. Deze ondersteuning is na ruim twee jaren door [hulpverlening] te zijn geboden grotendeels overgenomen door Sterk Huis. De moeder heeft in de afgelopen periode laten zien dat zij nog steeds impulsief kan zijn en dat zij niet altijd de gevolgen van haar handelwijze kan overzien. Als voorbeeld daarvan wordt benoemd dat de moeder (via social media) contact heeft met mannen, die door haar snel worden uitgenodigd en vervolgens op enthousiaste wijze worden voorgesteld aan [minderjarige] . Dit leidt bij [minderjarige] tot veel verwarring, temeer omdat deze contacten ofwel relaties ook weer snel voorbij zijn. Met de moeder zijn er om die reden duidelijke afspraken gemaakt dat zij deze mannen pas in het leven van [minderjarige] brengt na overleg met de ambulante hulpverlening en dat zij pas tot een introductie over gaat na een relatie van minimaal zes maanden. Het lukt de moeder tot dusver om zich aan deze afspraak te houden.

Gezien wordt dat de band tussen de moeder en [minderjarige] hecht is en dat zij van elkaars nabijheid genieten en samen leuke dingen kunnen ondernemen. De moeder laat zien bereid te zijn om extra inspanningen te verrichten ten aanzien van vervoer, voor zover Sterk Huis daarvoor geen mogelijkheden biedt. Zo gaat [minderjarige] iedere week, samen met moeder, naar de zangles. Door de GI en Sterk Huis wordt toegewerkt naar goed genoeg ouderschap om [minderjarige] op termijn thuis te kunnen plaatsen. Hiervoor dienen zowel [minderjarige] als de moeder ieder hun eigen traject te doorlopen, de moeder opdat zij in staat zal zijn een vorm van trauma-sensitieve opvoeding te geven zonder voortdurend getriggerd te worden door haar eigen trauma’s en individuele problematiek.

Bij de moeder is [zorginstelling] betrokken ter ondersteuning bij diverse praktische

zaken. De moeder erkent dat zij daaraan behoefte heeft, nu zij kampt met restklachten op het gebied van geheugen, planning en organisatie na een herseninfarct in februari 2025. De moeder heeft zich op advies van [hulpverlening] tevens aangemeld voor ondersteuning voor GGZ traumabehandeling. Momenteel is zij in zorg/behandeling bij de GGZ, maar wordt nog onderzocht welke behandeling voor haar passend is. Ook is nog onduidelijk wanneer een eventuele behandeling zal kunnen starten. Er wordt tevens een IQ test uitgevoerd. Er zijn op dit moment nog geen onderzoeks- en testuitslagen voorhanden.

Er is (nog) geen contact tussen [minderjarige] en de vader. Wel laat [minderjarige] blijken inmiddels meer ruimte te voelen om de mogelijkheid van contactherstel tussen hem en de vader bespreekbaar te maken. Echter zorgt de zienswijze van de moeder daaromtrent ervoor dat [minderjarige] in een klempositie is geraakt. Het is ook daarom van belang dat de moeder werkt aan haar trauma’s, opdat zij in staat zal (kunnen) zijn [minderjarige] wel emotionele toestemming te geven voor contact met de vader. De vader geeft aan [minderjarige] erg te missen, wat niet wegneemt dat hij de adviezen van de GI opvolgt door op de achtergrond te blijven en hij laat zien bereid te zijn om in het belang van [minderjarige] aan processen mee te werken als daarom wordt gevraagd. Daar staat tegenover dat de vader niet positief spreekt over de moeder en er bij hem van onvoldoende zelfreflectie sprake is.

Op grond van al het voorgaande acht de GI een verlenging van de ondertoezicht-stelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder voor een periode van een jaar in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Dit wel met als uitgangspunt dat de komende periode door de GI en Sterk Huis toegewerkt blijft worden naar een situatie, waarin bij de moeder sprake is van goed genoeg ouderschap om [minderjarige] op termijn thuis te kunnen plaatsen.

5. Het standpunt van [minderjarige] en van de moeder

De rechtbank heeft van de GI op [datum] 2026 een bericht ontvangen, waarin zij heeft aangegeven dat de moeder heeft laten weten dat [minderjarige] wegens zijn verjaardag op die dag niet op het kind gesprek zal verschijnen, dat [minderjarige] duidelijk heeft gemaakt dat hij het op de behandelgroep naar zijn zin heeft en daar wil blijven. Verder heeft de moeder laten weten niet bij de mondelinge behandeling ter zitting aanwezig te zullen zijn, aangezien alle betrokkenen achter een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing kunnen staan en zij geen meerwaarde ziet in een bespreking van het verzoek.

6. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is naar het oordeel van de kinderrechter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

[minderjarige] laat zien dat hij op de groep van Sterk Huis een goede plek heeft, die aan hem de mogelijkheid biedt om aan een doelgerichte behandeling van zijn (trauma)problema-tiek toe te komen. Die behandeling bevindt zich op dit moment nog in de opstartfase. Verder is gebleken dat [minderjarige] op zijn huidige [school] naast een positieve ontwikkeling ook (nog) zelfbepalend gedrag laat zien. Dit laatste maakt dat hij nog steeds een strakke structuur en kaders nodig heeft. Gebleken is dat die hem op de groep worden geboden, maar dat dit nog niet of onvoldoende geldt voor de opvoedsituatie bij de moeder. Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat de moeder opvoedondersteuning blijft ontvangen en dat zij daarnaast voor zichzelf passende hulpverlening accepteert om te werken aan haar eigen trauma’s en individuele problematiek zodat zij mogelijk op termijn in staat zal zijn aan [minderjarige] in voldoende mate trauma-sensitieve opvoeding te bieden. Bedoelde hulpverlening is tevens nodig om ervoor te zorgen dat de moeder emotionele toestemming weet te geven aan contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Afhankelijk van het resultaat van de hulpverlening en van de behandeltrajecten en het verdere verloop dient de GI nader te bezien of en op welke manier er aan contact tussen [minderjarige] en de vader vorm kan worden gegeven. Uit alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat de doelen van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing (gedeeltelijk) nog niet zijn behaald.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de onweersproken verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing betreft een deeltijdmachtiging, waarbij [minderjarige] in de weekenden, de vakanties en de feestdagen bij zijn moeder is en hij doordeweeks op de behandelgroep verblijft.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 31 juli 2026 tot 31 juli 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, nadrukkelijk bij wijze van deeltijdmachtiging, zoals hiervóór in alinea 6.3 weergeven, met ingang van 31 juli 2026 tot 31 juli 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand