2. De feiten
De moeder oefent het gezag uit over [minderjarige].
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 april 2026,
hersteld bij beschikking van 10 juni 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd
met ingang van 15 april 2026 tot 15 april 2027. Daarnaast is de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van
15 april 2026 tot 25 juni 2026. Het verdere verzoek tot verlenging van de machtiging tot
uithuisplaatsing is aangehouden. Bij de daaropvolgende beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 juni 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie verlengd met ingang van 25 juni 2026 tot 25 september 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen, als bedoeld in artikel 36 lid 1 Paspoortwet, voor het verkrijgen van een Nederlands reisdocument ten behoeve van de [minderjarige], ter vervanging van een dergelijke verklaring van de moeder. Indien noodzakelijk, rekening houdend met de beperkte termijn, verzoekt de GI vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een noodpaspoort voor [minderjarige].
De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Gezien de geplande vertrekdatum van de vakantie, twe weten 17 juli 2006 en de korte tijd voor de aanvraag van de benodigde reisdocumenten, verzoekt de GI de rechtbank het verzoek met spoed te behandelen.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] inmiddels geruime tijd in het gezinshuis verblijft. Hij ervaart daar stabiliteit, continuïteit en veiligheid. Er is in de afgelopen tijd gewerkt aan een opbouwplan dat erop is gericht de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] geleidelijk uit te breiden en de relatie tussen de moeder en [minderjarige] verder te versterken. Er is op dit moment een conceptplan gereed. De moeder beschikt nog niet over dit plan en is van de inhoud daarvan nog niet op de hoogte gebracht. Wel is met haar al gesproken over bel- en logeermomenten, waarmee binnen zeer afzienbare tijd zal worden gestart. Aan deze ontwikkeling doet niet af dat het in het belang is van [minderjarige] om gedurende de vakantie-periode met de gezinshuisouders mee te kunnen reizen, nu zij voornemens zijn per 17 juli 2026 met het gezin een vakantie gedurende een periode van 4 weken in het buitenland door te brengen. [minderjarige] dient daarvoor over een geldig reisdocument te beschikken. Ook is een reisdocument of althans geldig legitimatiebewijs nodig voor onder meer het verkrijgen van medische zorg en voor de dagelijkse uitvoering van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen het gezinshuis. De GI acht het niet in het belang van [minderjarige] om hem gedurende de vakantie van de gezinshuisouders elders onder te brengen, temeer nu dit op een tijdelijk verblijf in een crisisopvangsituatie zou neerkomen. Met name gezien zijn zeer jonge leeftijd kan dit onrust en onzekerheid veroorzaken en daarmee afbreuk doen aan de continuïteit, stabiliteit en veiligheid die de huidige gezinshuisplaatsing hem biedt. De GI zegt toe dat ook gedurende de vakantie er contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden gepland. Op afgesproken tijden zullen zij met elkaar al dan niet per video bellen.
De jeugdbeschermer heeft de moeder meerdere malen verzocht toestemming te verlenen voor de aanvraag van een reisdocument voor [minderjarige]. Daarop heeft de moeder geantwoord dat zij daarvoor geen toestemming wil verlenen. Ook heeft zij aangegeven dat, indien zij daarvoor alsnog toestemming zou verlenen, zij dit reisdocument niet aan [minderjarige] of aan de gezinshuisouders ter beschikking zou stellen. Daardoor ziet de GI zich voor de situatie geplaatst dat het voor haar en voor de gezinshuisouders onmogelijk is om over een geldig reisdocument/identiteitsbewijs voor [minderjarige] te (kunnen) beschikken en dit een belemmering vormt voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige].
5. Het standpunt van de moeder en haar advocaat
Door en namens de moeder is - samengevat - aangevoerd dat het niet juist is dat de moeder geen toestemming wenst te verlenen voor de afgifte van een geldig reisdocument voor [minderjarige]. Feitelijk had zij daar al mee ingestemd, maar heeft de GI nagelaten haar een aanvraagformulier ter ondertekening toe te sturen. Wel heeft de moeder er in de eerste plaats moeite mee dat zij pas in een zeer laat stadium van de door het gezinshuis geplande vakantie op de hoogte is gebracht. Daarbij komt dat door de kinderrechter in de laatst gegeven beschikking is opgemerkt dat door de GI diende te worden gewerkt aan een stapsgewijze uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de moeder met het oog op een uiteindelijke terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Het ontbreekt echter tot op dit moment aan een concreet plan van aanpak met daarin een opbouwschema, dat aan de moeder houvast/perspectief biedt welke lijn de GI daarin concreet wenst te gaan volgen. Die situatie heeft zich al meermalen voorgedaan, waaronder tijdens de laatste kerstvakantie, toen er naar een terugplaatsing zou worden gewerkt, maar daarop door de GI vervolgens niet tijdig actie werd ondernomen. De moeder vreest dat die situatie zich zal herhalen in het geval dat zij toestemming mocht verlenen voor de aanvraag van een reisdocument. Er zal dan immers in die periode geen contact tussen haar en [minderjarige] kunnen plaats vinden, waardoor het terugplaatsingstraject van [minderjarige] bij haar opnieuw stagnatie dreigt op te lopen.
6. Het standpunt van de gezinshuisouders
Door de gezinshuisouders is naar voren gebracht dat in hun opvatting het in het belang van [minderjarige] is, ook omdat hij een zeer jong en tevens kwetsbaar kind is, dat hij de geplande vakantie samen met het gezin in het buitenland kan doorbrengen. Vorig jaar konden zij ook niet op vakantie omdat de moeder toen ook haar toestemming voor de aanvraag van een reisdocument heeft geweigerd. Daardoor dreigt nu een geplande vakantie voor de tweede maal niet door te kunnen gaan. Voor de gezinshuisouders is het vanzelfsprekend dat er gedurende de vakantie op afgesproken tijden bel/videocontacten plaatsvinden tussen de moeder en [minderjarige].
6. De beoordeling
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Paspoortwet, kan bij een aanvraag van een reisdocument ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, af te geven, in plaats daarvan een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Op grond van artikel 36, tweede lid, van de Paspoortwet kan de rechter een verklaring van toestemming afgeven en op grond van artikel 34, vijfde lid, van de Paspoortwet een zodanige beslissing geven als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij de komende vakantie samen met het gezin van de gezinshuisouders kan doorbrengen. Daarbij betrekt de kinderrechter tevens dat [minderjarige] gezien zijn zeer jonge leeftijd en achtergrond kwetsbaar is en het om die reden niet wenselijk is dat hij tijdelijk voor de geplande vakantieduur in een crisisopvang wordt geplaatst. Verder onderschrijft de kinderrechter dat het van belang is dat de gezinshuisouders (kunnen) beschikken over een geldig reisdocument c.q. legitimatiebewijs. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat in noodgevallen, zoals door de GI beschreven, maar ook voor - zoals in dit geval - het maken van een vakantiereis met het gezinshuis naar het buitenland [minderjarige] een geldig reisdocument nodig heeft. Door herhaaldelijk het verzoek van de GI om de afgifte van een reisdocument voor [minderjarige] te weigeren, handelt de moeder in strijd met de belangen van [minderjarige]. Daardoor dreigt in dit geval de door de gezinshuisouders geplande vakantie met [minderjarige] niet door te kunnen gaan.
De kinderrechter begrijpt dat de weigering door de moeder grotendeels verband houdt met het ontbreken van definitieve duidelijkheid vanuit de GI over de wijze waarop zij voornemens is opbouwend te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. Ter zitting is gebleken dat de GI al wel een conceptplan gereed heeft, waarin dit is beschreven, maar dat dit plan inhoudelijk nog niet met de moeder is besproken. De kinderrechter acht het van belang dat dit binnen zeer afzienbare tijd alsnog geschiedt, dat vervolgens aan bedoeld traject daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven en de moeder daarin door de GI stapsgewijs wordt meegenomen. De GI heeft toegezegd het conceptplan direct na afloop van de zitting met de moeder en haar advocaat te zullen bespreken.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter aan de GI vervangende toestemming verlenen om voor [minderjarige] een Nederlands reisdocument aan te vragen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter
verleent vervangende toestemming aan de GI – welke toestemming die van de gezaghebbende moeder vervangt – voor de aanvraag van een Nederlands reisdocument ten behoeve van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juli 2026 in tegenwoordigheid van Baremans, griffier, en op schrift gesteld op 14 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en de verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend geworden is.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
verzonden op: