RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448298 / JE RK 26-861
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. J.W. Weehuizen te Den Bosch,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. M. Bredius te Gorinchem.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad;
twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het verzoek van de Raad is gelijktijdig behandeld met het namens de vader ingediende verzoekschrift met het kenmerk C/02/434365 FA RK 25-1984, waarin wijziging is verzocht van de door de rechtbank bij beschikking van 26 augustus 2021 vastgestelde regeling inzake een zorg- en contactregeling en informatieverstrekking. Door de rechtbank zal in die zaak bij separate beschikking worden beslist.
4. Het standpunt van de Raad
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - het navolgende aangevoerd. De ouders van [minderjarige] zijn gescheiden in 2021. In een ouderschapsplan zijn de ouders overeengekomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de moeder. [minderjarige] woont bij de moeder samen met zijn [halfbroertje] en de partner van de moeder. [het halfbroertje] was ten tijde van het raadsonderzoek onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling intussen is verlengd.
Bij [minderjarige] is sprake van een Developmental Coordination Disorder (hierna: DCD). Dit is een aangeboren aandoening, waardoor hij problemen ervaart met het aanleren en uitvoeren van fijne en grove motorische vaardigheden. [minderjarige] kent een belaste voorgeschiedenis. Hij is langdurig en structureel gepest op de basisschool. Ook is hij gedurende de relatie van zijn ouders getuige geweest van spanningen en geweld. De moeder heeft aangegeven dat zij zelf trauma’s heeft opgelopen door wat zij in de relatie met de vader heeft meegemaakt en dat zij daardoor kampt met herbelevingen.
Al in 2019 is in het kader van een gerechtelijke procedure tussen de ouders een kortdurend ‘Ouderschap Blijft’ traject ingezet. Daaruit bleek dat sprake was van een forse ouderstrijd over het ouderschap op ex-partnerniveau. Uit een raadsonderzoek in 2020 werd geconcludeerd dat [minderjarige] fysiek ziek was geworden van het loyaliteitsconflict waarin hij verkeerde, dat hij tussen zijn ouders klem was geraakt en figuurlijk ‘op zijn tenen’ liep. De op dat moment betrokken vrijwillige hulpverlening slaagde er niet in om [minderjarige] hiertegen te beschermen. [minderjarige] is vervolgens onder toezicht gesteld. Het lukte de ouders uiteindelijk na circa een half jaar om met de hulpverlening in een verplicht kader te komen tot afspraken over [minderjarige], waardoor er meer rust en duidelijkheid kwam. Dit had tot gevolg dat [minderjarige] graag bij zijn beide ouders was en hij geen spanningen meer ervoer tijdens overdrachts-momenten.
[minderjarige] had sinds 2021 contact met zijn vader gedurende een weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties, overeenkomstig het ouderschapsplan. In januari 2024 is [minderjarige] gestart bij [de stichting] voor het volgen van een behandeltraject, bedoeld om ingrijpende gebeurtenissen te verwerken en te leren hoe zich te uiten naar zijn ouders. De vader heeft vervolgens zijn toestemming voor de behandeling ingetrokken. Nadat een rechterlijke beslissing tot vervangende toestemming is verleend, is een vervolgtraject gestart, waarin individueel met [minderjarige] is gewerkt en het systemische stuk is geparkeerd met het advies dat dit door een andere partij wordt opgepakt. Daarop heeft [minderjarige] in de zomervakantie van 2024 aangegeven een ‘time-out’ te willen wat betreft het contact met zijn vader. Als reden daarvoor gaf [minderjarige] op veel woede te voelen ten aanzien van zijn vader, maar ook verdriet naar aanleiding van al wat er (tijdens de scheiding) is gebeurd. Voor de vader kwam het standpunt van [minderjarige] geheel onverwacht, omdat door hem geen enkele zorg of probleem ten aanzien van de omgangsmomenten of überhaupt in relatie tot [minderjarige] werd ervaren.
Het gaat in het dagelijks leven goed met [minderjarige]. Door [de stichting] wordt [minderjarige] omschreven als een vrolijke en behulpzame jongen met humor, die waarde hecht aan het opbouwen van een relatie, van duidelijkheid houdt en zich goed aan afspraken kan houden. Wel heeft hij tijd nodig om zich binnen een nieuwe verbinding veilig te voelen en is het voor hem nog steeds moeilijk om zich emotioneel open te stellen en de verbinding te maken tussen verstand en gevoel. [minderjarige] is in het tweede deel van het traject een vertrouwensband met zijn behandelaar aangegaan. Sindsdien voelt hij zich voldoende veilig om moeilijke gesprekken aan te gaan. Ook heeft hij met zijn behandelaar de situaties die hij als traumatisch/moeilijk beschouwt uit zijn verleden en heden uitgewerkt. Hij heeft een groei laten zien in het praten over zijn ervaringen en zijn emoties. Hij ziet [de stichting] als een veilige plek waar hij zichzelf kan zijn. Ook laat hij steeds meer kanten van zijn ‘vrije kind’ zien.
Over een aantal maanden zal [de stichting] worden gesloten. In haar eindverslag heeft [de stichting] aangegeven dat de communicatie tussen de ouders de gehele periode zeer onrustig is verlopen. Het CJG heeft gekeken wat de communicatie tussen de ouders zou kunnen verbeteren, echter heeft dit niet tot verbetering geleid of tot stappen in die richting omdat de ouders daarover geen overeenstemming weten te bereiken. De inschatting is dat hiervoor een gespecialiseerde instantie nodig is. Voor [minderjarige] wordt ambulante ondersteuning geadviseerd, waarbij voorop staat dat hij iemand heeft om moeilijke situaties te bespreken en die ondersteuning kan bieden in het dagelijkse leven.
Momenteel doet zich de situatie voor dat elke poging die door de vader richting [minderjarige] wordt ondernomen om tot enige vorm tot contact te komen bij [minderjarige] woede oproept. Als voorbeeld wordt benoemd dat op een door de vader gestuurde brief door [minderjarige] werd aangegeven dat hij wilde dat die wordt verscheurd. Richting de moeder laat [minderjarige] juist een louter positieve, loyale houding zien. Wanneer er in die situatie niets verandert zal er alleen maar sprake blijven van contactverlies. De vader laat zien dat hij graag contact wil met [minderjarige] en bereid is om zich in te zetten om tot contactherstel te komen, maar ook wordt gezien dat hij emotioneel uitgeput raakt en dit ervoor zorgt dat hij zich begint af te sluiten voor contactmogelijkheden. De moeder heeft aangegeven dat zij open staat voor contact tussen [minderjarige] en de vader en dat zij [minderjarige] meerdere malen heeft aangemoedigd om contact met zijn vader te hebben. Ook is zij, naar zij aangeeft, bereid mee te werken aan het onderzoeken van de mogelijkheden hierin. De Raad hoopt dat de moeder in het belang van [minderjarige] daadwerkelijk daarnaar zal handelen. Daarbij betrekt de Raad dat bij [het halfbroertje] van een vergelijkbare situatie sprake is en er ten aanzien van hem er een ondertoezichtstelling loopt.
Beide ouders hebben eerder desgevraagd naar de Raad uitgesproken zich te willen conformeren aan een traject in het kader van het uniform hulpaanbod (hierna: UHA) en hulpverlening voor [minderjarige] te (blijven) accepteren. De Raad heeft om die reden de ouders de kans geboden om in het vrijwillig kader (middels UHA) tot de juiste hulp te komen om te werken aan constructief ouderschap na scheiding, alsook om de mogelijkheden te onderzoeken in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Vervolgens hebben de ouders onafhankelijk van elkaar aangegeven dat de situatie met enkel de inzet van UHA niet zal verbeteren. Dit heeft ertoe geleid dat de Raad zijn besluit om geen ondertoezichtstelling te verzoeken heeft heroverwogen. Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat het UHA een gepasseerd station is.
De Raad stelt zich nu op het standpunt dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] niet langer kan worden weggenomen middels het werken aan de doelen in een vrijwillig kader en daarom een ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden vindt de Raad een passende termijn, omdat er al jarenlang sprake is van onrust en spanningen tussen de ouders, de problematiek hierdoor complex is en het daarom de nodige tijd zal kosten om daar een structurele positieve verandering in aan te brengen. Er dient concreet te worden gestart met de daadwerkelijke uitvoering van de oudercommunicatie, de vertaling van dit alles naar de gezinssystemen, de borging ervan en eventuele nazorg. Ouders moeten op minieme wijze met elkaar gaan communiceren. Binnen een ondertoezichtstelling dient gekeken te worden wat mogelijk is aan eventueel contact maar belangrijk is dat gekeken wordt hoe [minderjarige] zich gezien kan voelen. De GI moet in dit alles de regie voeren. De Raad hoopt dat de huidige jeugdbeschermer van [het halfbroertje], mevrouw [persoon], ook de vaste jeugdbeschermer van [minderjarige] zal worden.
De doelstellingen, waaraan gewerkt dient te worden luiden als volgt:
a. er is zicht op de eventuele mogelijkheden ten aanzien van het contact
tussen [minderjarige] en zijn vader. Hier is bovendien – indien mogelijk – passend op
ingezet;
b. de ouders geven constructief vorm aan hun gezamenlijk gezag en
ouderschap na de scheiding, waarbij de moeder vader bovendien toereikend
informeert.
5. Het gesprek met [minderjarige]
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] - samengevat - aangegeven dat hij het fijn heeft bij zijn moeder en stiefvader, die hij als zijn vader beschouwt. Het laatste contact tussen hem en zijn vader dateert van twee jaar geleden. Sindsdien is er geen contact meer geweest, ook niet telefonisch. Dat vindt hij geen probleem, omdat zijn vader indertijd vaak met andere dingen in plaats van met hem bezig was en hij niet liet zien dat hij werkelijk om hem gaf. Verder kan hij nu al aangeven dat hij ook over enkele jaren geen contact wil met zijn vader. Ook vindt hij het niet nodig, nu er geen enkel contact is, dat zijn vader door zijn moeder over hem wordt geïnformeerd. Op de vraag hoe hij tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling aankijkt antwoordt [minderjarige] dat hij daar eigenlijk niets van vindt, maar dat als dit verzoek wordt toegewezen hij hoopt dat ervoor wordt gezorgd dat er geen contact tussen hem en zijn vader zal zijn.
6. De standpunten van de belanghebbenden
Door en namens de vader is - samengevat - aangevoerd dat er inmiddels gedurende twee jaren geen enkel contact tussen hem en [minderjarige] plaatsvindt. Dit is volgens hem voor een belangrijk deel te wijten aan het niet behoorlijk naleven van de afspraken in het ouderschapsplan door de moeder. Wegens het geheel ontbreken van contact tussen hem en [minderjarige] slaapt hij slecht en heeft hij minder zin in het leven. Hij wordt intussen door de moeder één maal per maand per email over [minderjarige] geïnformeerd. Dit betekent dat hij niet van alles wat [minderjarige] aangaat steeds tijdig op de hoogte is en ook dit zou hij graag anders zien. Hij kan (alsnog) niet achter een UHA traject staan, ter voorkoming van een ondertoezichtstelling, waarbij een belangrijke rol speelt dat hij vanuit de hulpverlening in een vrijwillig kader zoals door het CJG onvoldoende ondersteuning heeft ervaren. Wel stemt hij in met een ondertoezichtstelling voor de door de Raad verzochte periode, opdat - naar hij hoopt - kan worden onderzocht waar de woede bij [minderjarige] over hem vandaan komt. Bij hem als vader is de indruk ontstaan dat [minderjarige] kampt met een loyaliteitsconflict en hij daarvoor ondersteuning ofwel behandeling nodig heeft. Ook daarnaar dient in zijn visie in het kader van de ondertoezichtstelling onderzoek te worden verricht.
Door en namens de moeder is - samengevat - naar voren gebracht dat, ondanks dat de moeder [minderjarige] probeert te stimuleren om contact met zijn vader te hebben, hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen enkele vorm van contact wil. Wel wijst de moeder erop dat daaraan een langdurig proces is voorafgegaan. [minderjarige] heeft in zijn leven het nodige meegemaakt, waardoor zijn vertrouwen is geschaad. Ook is de oudercommunicatie verstoord geraakt, zoals in de tijd dat de relatie van de man met zijn vorige partner eindigde, waardoor er geen goede afspraken konden worden gemaakt. Die situatie heeft - uiteindelijk - geleid tot een tussenbeslissing van de rechtbank in de afzonderlijke bodemprocedure, omdat de rechtbank zich - gezien de complexe situatie en de verschillende visies op de oorzaak van het contactverlies - onvoldoende geïnformeerd achtte, waarbij er een voorlopige informatie-regeling is vastgesteld en een raadsonderzoek is gelast en iedere verdere beslissing pro forma is aangehouden, in afwachting van het raadsadvies. Er ligt nu een raadsrapportage en een advies, waarin de moeder zich kan vinden. Dit betekent dat zij achter een ondertoezichtstelling kan staan voor een periode zoals verzocht.
7. Het standpunt van de GI
Namens de GI is opgemerkt dat, nadat de laatste ondertoezichtstelling resulteerde in een contactregeling tussen [minderjarige] en de vader, er sprake is van gewijzigde omstandigheden, in die zin, dat [minderjarige] momenteel elke vorm van contact met zijn vader van de hand wijst. Er is op dit moment onvoldoende duidelijkheid wat daarvan de werkelijke oorzaak is en wat [minderjarige] en de ouders nodig hebben om iets aan die situatie in positieve zin te (kunnen) veranderen. De GI kan er daarom achter staan dat over [minderjarige] er (opnieuw) een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Hoewel dit nog niet geheel zeker is zal naar verwachting mevrouw [persoon], de huidige jeugdbeschermer van [het halfbroertje] ook de vaste jeugdbeschermer van [minderjarige] worden.
8. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Er is sprake van jarenlange onrust en spanningen tussen de ouders en de daardoor ontstane problematiek is complex gebleken, alsook de impact daarvan op [minderjarige] en zijn ontwikkeling. Daarbij komt nog dat na het uit elkaar gaan van zijn ouders er van een forse strijd sprake is geweest over het ouderschap, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict is geraakt en hij daar op enig moment ziek van is geworden. Omdat het op dat moment niet lukte hem met de betrokken vrijwillige hulpverlening voldoende te beschermen is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Met deze beschermingsmaatregel lukte het de ouders om weer tot afspraken te komen, die ook werden nageleefd, waardoor er met name voor [minderjarige] meer rust en duidelijkheid kwam.
Gebleken is dat het met [minderjarige] goed gaat op school, ook heeft hij dankzij de hulpverlening en behandeling bij [de stichting] een groei laten zien in het zich uiten over zijn ervaringen en zijn emoties. Dit neemt niet weg dat [minderjarige] een belaste voorgeschiedenis heeft en hij in de zomervakantie van 2024 heeft aangegeven ervoor te kiezen om geen contact met zijn vader te hebben. Die situatie heeft ertoe geleid dat er inmiddels gedurende een periode van twee jaren tussen [minderjarige] en de vader geen enkele vorm van contact plaats vindt. Elke poging die door de vader richting [minderjarige] is/wordt ondernomen om met hem in contact te komen roept weerstand en woede op bij [minderjarige]. Richting de moeder laat [minderjarige] juist een louter positieve, loyale houding zien. Wel wordt de vader door de moeder per
e-mail geïnformeerd over de gezondheid en de ontwikkeling van [minderjarige], alsook over zijn schoolprestaties en over andere relevante zaken op de wijze, zoals voorlopig bepaald in de tussenbeschikking van deze rechtbank in de bodemprocedure van 10 september 2025.
Uit dat wat [minderjarige] tijdens het kindgesprek naar voren heeft gebracht valt op te maken dat hij er op dit moment niet van uit gaat dat zijn standpunt in de toekomst zal veranderen. Ook heeft [minderjarige] daaraan toegevoegd dat hij eigenlijk niet wil dat zijn vader over hem door de moeder periodiek wordt geïnformeerd. De kinderrechter deelt de opvatting van de Raad dat er door al deze factoren en omstandigheden opnieuw een ontwikkelingsbedreigende situatie voor [minderjarige] is ontstaan, nu gezien zijn weerstand ten aanzien van (enig) contact met de vader niet valt uit te sluiten dat hij (nog steeds) kampt met loyaliteitsproblematiek. Indien er in die situatie niets verandert loopt [minderjarige] het risico dat hij en de vader verder van elkaar verwijderd raken, wat een bedreiging vormt voor [minderjarige]’s huidige en toekomstige (identiteits)ontwikkeling.
Uit de afzonderlijke standpunten en de toelichtingen van de ouders en hun advocaten blijkt dat er bij hen (nog steeds) sprake is van een verschil in visie c.q. verdeeldheid over zaken met betrekking tot het ouderschap en daarmee verwante afspraken, maar ook van onduidelijkheid omtrent de werkelijke oorzaak van het afwijzen door [minderjarige] van elke vorm van contact met zijn vader. De Raad heeft de ouders om die reden de kans geboden en als zodanig geadviseerd om in een vrijwillig kader mee te werken aan een UHA traject, bedoeld om op die wijze met de juiste hulpverlening te werken aan constructief ouderschap en te onderzoeken wat er mogelijk is om tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vader te komen. De ouders hebben vervolgens laten blijken aan de effectiviteit van UHA te twijfelen en daarom niet achter dit traject te kunnen staan.
Uitgaande van alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden ziet de kinderrechter geen andere optie, ter afwending van de hiervóór omschreven ontwikkelings-dreiging, dan dat [minderjarige] (opnieuw) onder toezicht wordt gesteld. Daarom zal de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar, zoals door de Raad verzocht. De kinderrechter neemt de doelstellingen uit de raadsrapportage, waaraan door de GI dient te worden gewerkt als zodanig over, zoals hiervóór in alinea 4.10 onder a. en b. weergegeven.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
9. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang
van 13 juli 2026 tot 13 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 24 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.