RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447812 / JE RK 26-774
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.N. Wolters te Malden,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. D.A.J. Spierings te Apeldoorn.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[bezoekbegeleider 1]
en
[bezoekbegeleider 2]
hierna de noemen: medewerkers [hulpverlening 1] , bezoekbegeleiders.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026;
de brief met bijlage van de GI, ontvangen op 1 juni 2026;
het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder, ontvangen op 10 juni 2026;
het proces-verbaal van de zitting van 11 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
een vertegenwoordigster van de GI;
een tweetal bezoekbegeleiders van [hulpverlening 1] ;
een vertegenwoordigster van de Raad.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/448997 / FA RK 26-2902. Op dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
Bij beschikking van 29 juni 2023 is (onder meer en voor zover hier van belang) bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van (begeleide) omgang met elkaar eenmaal per week voor de duur van twee uur, waarbij wordt voldaan aan de in overweging 4.10.5 gestelde voorwaarden en waarbij de uiteindelijke omgangsregeling inclusief de verdeling van de vakantie- en feestdagen in onderling overleg met de hulpverlening nader wordt vormgegeven.
Bij beschikking van 9 december 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 december 2024 en tot 9 december 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 1 december 2025 verlengd tot 9 december 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de navolgende omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] [naar de rechtbank begrijpt onder wijziging van de beschikking van 29 juni 2023]:
Iedere woensdagmiddag voor de duur van 2,5 uur en iedere zaterdag voor de duurvan 2,5 uur begeleid door [hulpverlening 1] .
Op de woensdag zal de hulpverlening ( [hulpverlening 1] ) [minderjarige] uit school ophalen en [minderjarige] terug brengen naar de moeder of het gastgezin.
Op de zaterdag zal de moeder [minderjarige] naar de groep van [hulpverlening 1] brengen en daar ook weer ophalen.
Om de week mag de vader op de woensdag met [minderjarige] naar een buiten/binnen speeltuin of een andere passende speelgelegenheid, als een kinderboerderij, strando.i.d.. Dit zal met begeleiding vanuit [hulpverlening 1] zijn.
Op de woensdagen is zoveel als mogelijk een Pools sprekende hulpverlener aanwezig bij de bezoeken. Op de zaterdagen is dit niet mogelijk en is de afspraak dat de vader zoveel mogelijk in het Nederlands communiceert.
De vader draagt zorg voor de lunch voor [minderjarige] tijdens de bezoeken. De moeder informeert de vader als hier bijzonderheden in zijn, b.v. wanneer [minderjarige] iets niet lust.
Wanneer [minderjarige] afwezig is door bijvoorbeeld ziekte of vakanties wordt er gekeken naar een passende inhaalmoment, door bijvoorbeeld de zaterdag wat langer te maken. De bezoeken zullen niet geheel ingehaald kunnen worden, vanwege de hoeveelheid van de bezoeken.
Na drie maanden zal er geëvalueerd worden en verder gekeken naar mogelijkheden tot uitbreiding. Er wordt de rechtbank verzocht om als GI de regie te mogen nemen in verdere uitbreiding, zodat er niet na drie maanden een nieuw verzoek in gediend hoeft te worden
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder voert verweer tegen de verzoeken onder de punten 1, 3, 5, 7 en 8 en verzoekt deze punten af te wijzen. De moeder verzoekt zelfstandig om bij beschikking,
voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
een omgangsregeling wordt vastgesteld die de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht, waarbij de huidige omgangsregeling enkel wordt uitgebreid in frequentie en niet in duur en waarbij gedurende de omgangsmomenten Pools sprekende begeleiding aanwezig is;
en omgangsmomenten niet ingehaald worden als deze door afwezigheid van [minderjarige] of de begeleiding niet door kunnen gaan;
en de GI de uitgebreide omgangsregeling na drie maanden met ouders dient te evalueren en waarbij samen met ouders gekeken moet worden naar de mogelijkheden van een nieuwe uitbreiding.
4. De standpunten
De GI geeft aan dat zij van [hulpverlening 2] hebben begrepen dat door de ouders in de opvoedsituatie bij voorkeur Pools met [minderjarige] moet worden gesproken. De afspraak is met de vader gemaakt dat als er geen Pools sprekende omgangsbegeleider bij is hij Nederlands met [minderjarige] praat. [hulpverlening 2] geeft daarvan aan dat de kans dan bestaat dat [minderjarige] het verkeerd krijgt aangeleerd. Gelet op de beperkte bezoeken vindt de GI die kans klein. Los daarvan lopen de bezoeken inmiddels bijna een jaar. De vader heeft nog nooit iets belastends tegen [minderjarige] gezegd. Hij zegt tegen [minderjarige] ook niks over de moeder, heeft het niet over volwassen zaken. Ook in de non-verbale houding van de vader zijn er geen opvallendheden. De GI is van mening dat de omgang genormaliseerd moet worden. Een tolk Pools de bezoeken op zaterdag te laten begeleiden vindt de GI te belastend voor [minderjarige] . De GI is van mening dat ook als er geen Pools sprekende omgangsbegeleider bij is, de vader Pools met [minderjarige] mag praten.
Namens en door de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder vindt het verzoek van de GI niet in het belang van [minderjarige] . Vanwege de belastbaarheid van [minderjarige] heeft de moeder aangegeven dat zij een uitbreiding van de omgang qua duur niet in het belang van [minderjarige] vindt. Zij stelt voor om daarom in plaats van een langer moment twee momenten per week omgang te laten plaatsvinden, op de woensdagmiddag en op de zaterdag of gedurende schoolvrije dagen voor de duur van vier uur. Met als voorwaarde dat er Poolse begeleiding aanwezig is bij de omgang, omdat deze afspraak gemaakt is. De moeder is van mening dat het niet echt mogelijk is om een goede band met een kind op te bouwen als er niet in de eigen taal gesproken kan worden. Ook is de zaterdag minder handig vanwege eventuele kinderfeestjes. Ook heeft [minderjarige] op de zaterdag judo.
Namens en door de vader wordt aangegeven dat de zaterdag de enige extra dag is waarop de vader kan in verband met zijn werk. Hij kan aansluiten bij wat de GI en de bezoekbegeleidsters van [hulpverlening 1] naar voren brengen. De vader stemt in met het verzoek van de GI.
De Raad geeft aan zich te kunnen vinden in de lijn die de GI heeft uitgezet.
De omgangsbegeleiders van [hulpverlening 1] geven aan dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] goed gaat. Zij maken zich geen zorgen over deze omgang als er geen Pools sprekende begeleider bij is en de vader met [minderjarige] Pools spreekt. Ook zijn er geen zorgen over hoe de vader naar [minderjarige] toe reageert, wanneer er frictie tussen de ouders is of ontstaat. De afgelopen periode is er ook veel stress geweest en frustratie bij de vader. De vader kan dit echter volledig opzij zetten wanneer hij contact met [minderjarige] heeft.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat [minderjarige] en de moeder de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Het wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken wijzigen of vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van lid 2 kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De kinderrechter stelt vast dat de huidige omgangsregeling goed verloopt. De vader sluit aan bij [minderjarige] en weet volwassen zaken en frustratie over het verloop van de zaken weg te houden bij [minderjarige] . De bezoekbegeleidsters hebben er vertrouwen in dat de vader wanneer er geen Pools sprekende bezoekbegeleidster aanwezig is geen belastende uitspraken tegen [minderjarige] doet en hem ook op geen andere manier belast.
De angst van de moeder is, gelet op haar ervaringen met de vader en gelet op de opstelling van de vader bij eerdere zittingen en onlangs bij het Gerechtshof, begrijpelijk. Toch ziet de kinderrechter hierin geen aanleiding om de GI te verplichten om de omgang enkel te laten plaatsvinden wanneer er een Pools sprekende omgangsbegeleidster aanwezig is. Dit omdat al door de hulpverlening is geconstateerd dat de vader [minderjarige] op geen enkele manier belast, ook niet in tijden dat de frustraties bij hemzelf hoog zitten. Daarnaast is er nog steeds begeleiding aanwezig. Met deze begeleiding kan [minderjarige] Nederlands spreken. En deze begeleiding is ook alert op eventuele kindsignalen. Daardoor wordt [minderjarige] niet blootgesteld aan eventuele onveiligheden en kan hij verder bouwen aan onbelast contact met de vader. De kinderrechter is het met de moeder eens dat het belangrijk is dat er door de vader Pools met [minderjarige] wordt gesproken. Dit voor zowel de taalontwikkeling van [minderjarige] als voor de verdere opbouw van de band met de vader. Gelet hierop zal het deel van het verzoek van de GI waarin staat dat de vader Nederlands met [minderjarige] spreekt als er geen Pools sprekende omgangsbegeleidster aanwezig is, afgewezen worden.
De kinderrechter vindt het van belang dat omgangsmomenten die niet door zijn gegaan voor zover mogelijk worden ingehaald. De GI heeft de regie hierover en de GI kan bekijken welke mogelijkheden er in het belang van [minderjarige] zijn.
De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de GI grotendeels toegewezen moet worden. Ook voor wat betreft de zaterdag. De moeder heeft hier tijdens de zitting bezwaar tegen gemaakt heeft nu het kan zijn dat [minderjarige] op zaterdag een kinderfeestje heeft. Het contact met de vader is echter van groter belang dan een incidenteel kinderfeestje is. Bovendien kan ook met de vader gekeken worden of er op een bepaalde zaterdag een combinatie mogelijk is of een compensatie voor een andere (zater)dag. De vader is een vader die in het belang van [minderjarige] mee wil denken. Echter, het recht van de vader en [minderjarige] op omgang met elkaar gaat voor. Dat betekent dat als de vader zijn omgangsuren niet wil of kan combineren of compenseren met een kinderfeestje, de omgang tussen de vader en [minderjarige] door gaat en het kinderfeestje afgezegd wordt.
De moeder doet er dus goed aan om tegen [minderjarige] geen toezeggingen over kinderfeestjes te doen voordat hierover overleg is geweest met de GI en de vader.
De kinderrechter zal de verdere uitbreiding van de omgang in handen van de GI leggen voor zover het de uitbreiding in uren en frequentie betreft. Het staat de GI op dit moment niet vrij om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden, nu er nog sprake is van een contact- en locatieverbod voor de vader. Ook zullen de ouders eerst een vorm van ouderschapsbemiddeling moeten doorlopen, zodat er duidelijke afspraken zijn over de communicatie tussen hen over [minderjarige] .
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt – onder wijziging van de beschikking van 29 juni 2023 - de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] als volgt:
- de vader en [minderjarige] zijn gerechtigd tot begeleide omgang met elkaar iedere woensdagmiddag voor de duur van 2,5 uur en iedere zaterdag voor de duur van 2,5 uur, begeleid door [hulpverlening 1] ;
- waarbij op de woensdag de hulpverlening ( [hulpverlening 1] ) [minderjarige] uit school zal ophalen en terugbrengen naar de moeder of het gastgezin en op de zaterdag de moeder [minderjarige] naar de groep van [hulpverlening 1] zal brengen en daar ook weer ophalen;
- om de week mag de vader met begeleiding vanuit [hulpverlening 1] op de woensdag met [minderjarige] naar een buiten/binnen speeltuin of een andere passende speelgelegenheid, als een kinderboerderij, strand of iets dergelijks.
- op de woensdagen is zoveel als mogelijk een Pools sprekende hulpverlener aanwezig bij de bezoeken;
- de vader communiceert met [minderjarige] in het Pools;
- de vader draagt zorg voor de lunch voor [minderjarige] tijdens de bezoeken. De moeder informeert de vader als hier bijzonderheden in zijn, bijvoorbeeld wanneer [minderjarige] iets niet lust;
- wanneer [minderjarige] afwezig is door bijvoorbeeld ziekte of vakanties wordt er gekeken naar een passend inhaalmoment, door bijvoorbeeld de zaterdag wat langer te maken. De bezoeken zullen niet geheel ingehaald kunnen worden, vanwege de hoeveelheid bezoeken;
- de omgangsregeling wordt na drie maanden geëvalueerd en dan wordt er verder gekeken naar mogelijkheden tot uitbreiding. De uitbreiding van de omgangsregeling wordt in handen van de GI gelegd een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 5.9.;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.