RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/449288 / JE RK 26-1041
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas uit Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
[pleegouder] ,
hierna te noemen de pleegouders/grootouders moederszijde (mz),
wonende in [woonplaats 2] ;
advocaat mr. C.J.M. van Gent uit Zaltbommel.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;
het bericht van de GI van 19 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de advocaat van de moeder van 9 juli 2026;
het verweerschrift tevens houdende een (voorwaardelijk) zelfstandig tegenverzoek van de advocaat van de pleegouders van 11 juli 2026;
de op 13 juli 2026 ter zitting overhandigde pleitnota van de advocaat van de moeder.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
de pleegouders met hun advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI;
een vertegenwoordiger van de Raad.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [persoon] , de schoonzus van de vader, nadat gebleken is dat geen van de belanghebbenden bezwaar heeft tegen haar aanwezigheid bij de zitting.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Gelet op de nauwe samenhang tussen het onderhavige verzoek van de GI en de het verzoek van de GI in de zaak met zaaknummer C/02/449292 / JE RK 26-1043 over het wijzigen van het verblijf en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , het halfbroertje van [minderjarige 1] , zijn de zaken met instemming van alle betrokkenen gelijktijdig tijdens de zitting behandeld. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] verblijft bij de pleegouders, de grootouders moederszijde (mz).
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 24 december 2025 tot 24 december 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging verlengd om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootouders mz) met ingang van 24 december 2025 tot 24 december 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] .
Ook verzoekt de GI een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 24 december 2026.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
4. De standpunten
Standpunt van de GI
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [minderjarige 1] en haar halfbroer [minderjarige 2] wonen sinds oktober 2023 bij de pleegouders, oma en opa mz. Daarvoor hebben oma en opa jarenlang een grote rol gespeeld in de opvang en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Na uitgebreid onderzoek binnen en buiten het netwerk van de kinderen door de GI, de Raad, [pleegzorg] , [praktijk] , [de psychologenpraktijk] heeft de GI het besluit genomen dat het perspectief voor opgroeien van [minderjarige 1] niet bij de ouders en/of pleegouders ligt. De GI ziet, ondanks dat de moeder zich momenteel in een stabielere periode bevindt, geen mogelijkheden dat de moeder binnen een voor de kinderen acceptabel tijdsbestek de zorg voor hen kan dragen. Wel is er regelmatig onbegeleid contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en komt de moeder regelmatig bij de pleegouders. Als dat goed blijft verlopen, zal het contact worden uitgebreid met een overnachting of een weekend. De GI ziet echter geen volledig opvoedende rol bij de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook [de psychologenpraktijk] stelt dit vast. Sinds een paar jaar heeft [minderjarige 1] regelmatig contact met de vader. De vader kan en wil echter niet de volledige zorg voor [minderjarige 1] dragen. Ook [minderjarige 1] wil niet opgroeien bij de vader.
De situatie in het pleeggezin is echter voor de lange termijn niet goed genoeg voor de kinderen. De GI benadrukt dat de pleegouders hun best doen, maar dat zij niet alles begrijpen en het hen niet lukt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bieden wat zij nodig hebben op de langere termijn. [pleegzorg] heeft zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders, die door perspectief onduidelijkheid lijkt te stagneren. Daarnaast sluiten de pleegouders onvoldoende aan bij de kinderen op leeftijds- en ontwikkelingsniveau en heeft de huidige woning maar één slaapkamer. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedragen zich jonger dan hun leeftijd, worden beschermd opgevoed door de pleegouders en de pleegouders delen volwassenzaken met hen. Als pleegouders daarop aangesproken worden, zijn de pleegouders erg zelfbepalend. Ook is er sprake van een complexe dynamiek tussen de pleegouders en de moeder en komen vanuit die dynamiek veel zorgen en onrust terecht bij de kinderen. Het is voor pleegouders een (te) zware taak en opgave om het pleegouderschap te combineren met hun rol richting de moeder. De moeder heeft de steun van pleegouders nodig. [pleegzorg] adviseert daarom om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te plaatsen in perspectief-biedende pleeggezinnen. Daarnaast maakt de hoge leeftijd van de pleegouders het opvoeden van de kinderen tot aan zelfstandigheid waarschijnlijk een te grote uitdaging. De GI wil voorkomen dat de kinderen plotseling moeten verhuizen. De broer en schoonzus van de vader kunnen [minderjarige 1] een plek bieden, maar [minderjarige 2] niet. [pleegzorg] constateert dat zij in staat zijn om voor [minderjarige 1] te zorgen. De GI wil echter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen opgroeien. [pleegzorg] geeft aan dat het nagenoeg onhaalbaar is om een plek te vinden in een pleeggezin voor de kinderen samen. De GI verzoekt daarom een plaatsing in een gezinshuis in [plaats] en heeft daar een plek gereserveerd tot en met 15 juli 2026. De GI wil de overplaatsing realiseren in de zomervakantie, zodat de kinderen kunnen wennen aan het gezinshuis en aan het begin van het nieuwe schooljaar kunnen starten op een nieuwe basisschool. Daarbij geeft de GI desgevraagd wel aan dat er op dit moment geen noodzaak is voor het overplaatsen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Standpunt van [minderjarige 1]
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] verteld dat zij al lang bij de pleegouders woont en dat zij het daar goed heeft. Het liefst zou [minderjarige 1] bij de moeder willen wonen, maar als dat niet kan wil zij bij de pleegouders blijven wonen. Zij wil niet naar een andere plek toe. [minderjarige 1] vindt het gezellig dat zij op één kamer slaapt met de pleegouders en [minderjarige 2] . Daarnaast ziet zij de moeder regelmatig.
Standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is tijdens de zitting verzocht om de verzoeken van de GI af te wijzen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al bijna drie jaar lang bij de pleegouders en zij hebben het daar goed. De GI heeft onvoldoende onderbouwd dat de pleegouders [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer veilig en verantwoord zouden kunnen verzorgen en opvoeden. De pleegouders voldoen aan alle eisen. Daarnaast gaat het veel beter met de moeder en zijn er goede afspraken gemaakt voor de contactmomenten van de moeder bij de pleegouders. Ook is er al een tijd lang sprake van onbegeleide omgang bij de moeder thuis gedurende meerdere dagdelen per week. Het beoogde gezinshuis bevindt zich op meer dan een uur rijden van de moeder en de pleegouders vandaan, wat invloed heeft op het contact van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun familie. De moeder kan dan geen hechte band met hen ontwikkelen en de omgang uitbreiden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen allebei bij de pleegouders blijven en, als het mogelijk is, weer bij de moeder wonen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben momenteel stabiliteit, school, een vertrouwde omgeving, warm contact met alle familieleden en een goede ontwikkeling. Zij zijn geworteld bij de pleegouders, waardoor er een hechtingsbreuk, en daarbij instabiliteit en trauma, zal worden veroorzaakt als zij worden overgeplaatst. Daarnaast zouden de pleegouders kunnen leren beter aan te sluiten bij de kinderen met behulp van hulpverlening, als de GI vindt dat hier een probleem ligt. Deze mogelijke hulpverlening is echter nog onvoldoende onderzocht en geboden door de GI. De moeder wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders blijven.
Verder is de moeder van mening dat de conclusie van de GI dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de moeder ligt onvoldoende onderbouwd en voorbarig is. De moeder heeft hard aan zichzelf gewerkt en is stabiel. Er is al twee jaar lang geen sprake meer van psychiatrische problematiek. Op dit moment is er een persoonlijk begeleider betrokken bij de moeder vanuit [hulpverlening] , die wekelijks langskomt en de moeder helpt met praktische zaken. De moeder vindt het van belang dat een onderzoek naar de mogelijkheden van een (gedeeltelijke) plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder met een jaar wordt uitgesteld, gelet op de recente ontwikkelingen. Het is onduidelijk of deze ontwikkelingen zijn meegenomen in het onderzoek dat is uitgevoerd. Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt verder goed en er is sprake van onbegeleide omgang. De moeder wil een kans krijgen deze positieve ontwikkeling voort te zetten.
Standpunt van de pleegouders
Door en namens de pleegouders is tijdens de zitting verzocht om de verzoeken van de GI af te wijzen. De pleegouders voldoen aan de eisen voor een netwerkpleeggezin, er is geen sprake van contra-indicaties en de pleegouders bieden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een veilige plek, waarbij zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al jarenlang bij de pleegouders en het gaat goed met hen. De school is in de buurt en [minderjarige 1] woont dicht bij haar ouders. Indien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in [plaats] worden geplaatst, is het voor de ouders en pleegouders heel ingewikkeld om regelmatig contact met hen te houden gelet op de reistijd. De vader heeft al aangegeven dat financieel niet aan te kunnen en de moeder heeft geen rijbewijs. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen in [plaats] in een compleet andere situatie terecht komen. De pleegouders zijn bereid om alles te doen en willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog jarenlang bij hen blijven. Zij stellen het belang van de kinderen voorop. Ook staan zij open voor hulpverlening. Het is echter aan de GI om hulpverlening in te zetten, als dat nodig wordt geacht voor de pleegouders om beter aan te kunnen sluiten bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit heeft de GI niet gedaan, terwijl de GI nu wel bepaalt dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij de pleegouders ligt. Daarnaast zal [minderjarige 1] naar groep 8 gaan, een belangrijke fase in haar leven, welke zij wil doorbrengen op haar huidige school. Verder geven de pleegouders aan dat de slaapkamer te verdelen is in twee kamers, als dat nodig is. Daarnaast geeft de advocaat namens de pleegouders aan dat de vaststelling dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de moeder ligt te voorbarig is. Het gaat momenteel namelijk goed met de moeder en zij heeft hulpverlening. De pleegouders verwachten dat toewijzing van de verzoeken het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal schaden. De kinderen hebben het momenteel goed. Er moet daarom geen risico worden gelopen dat dit verandert, als zij worden overgeplaatst naar [plaats] . Indien de verzoeken zouden worden toegewezen, verzoeken de pleegouders een contactregeling vast te stellen tussen de pleegouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de zomervakantie en gedurende elk weekend, zoals eerder door de GI is toegezegd.
Standpunt van de Raad
De Raad ziet onvoldoende in wat de concrete zorgen zijn over de pleegouders en welke bedreiging daaruit ontstaat voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien er zorgen over de pleegouders zouden zijn, is er nog onvoldoende ingezet door de GI om deze weg te nemen of te verminderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gehecht aan de pleegouders. Als zij daar weg moeten, zal er een hechtingsbreuk ontstaan. Deze breuk dient enkel plaats te vinden als dat strikt noodzakelijk is. Op dit moment is die noodzaak er niet en ziet de Raad niet in hoe het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om hen ergens anders te plaatsen dan bij de pleegouders. Het gaat al langere tijd goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders. Bovendien hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed contact met de belangrijke mensen in hun leven en er is een groot netwerk waar een beroep op kan worden gedaan. De Raad adviseert daarom de verzoeken af te wijzen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Artikel 1:265i BW vereist de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op grond van lid 2 van dit artikel wordt de toestemming door de kinderrechter verleend en slechts afgewezen als de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. Hieruit volgt dat de kinderrechter de toestemming in beginsel verleent, tenzij het belang van de minderjarige een andere beslissing noodzakelijk maakt.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] al bijna drie jaar door de pleegouders wordt opgevoed en verzorgd. De vraag die de kinderrechter vervolgens moet beantwoorden is of het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is om het verzoek van de GI af te wijzen. De kinderrechter is van oordeel dat dat zo is en legt hierna uit waarom.
[minderjarige 1] heeft al veel meegemaakt in haar leven. De vader en moeder van [minderjarige 1] houden veel van haar, maar zijn niet bij machte om haar een stabiele opvoedsituatie te bieden. Daarom woont [minderjarige 1] , samen met haar halfbroertje [minderjarige 2] , al geruime tijd bij hun opa en oma (de pleegouders). [minderjarige 1] heeft het daar fijn en zij ontwikkelt zich goed. Verder heeft [minderjarige 1] meermaals per week contact met de moeder, zowel in de thuissituatie van de pleegouders als in de thuissituatie van de moeder. En er is contact mogelijk tussen [minderjarige 1] en de vader. [minderjarige 1] zelf wil het liefst bij haar moeder wonen en als dat niet kan dan wil zij bij opa en oma blijven.
Hoewel het dus goed gaat met [minderjarige 1] bij opa en oma, is uit onderzoek wel naar voren gekomen dat zij er last van heeft dat niet duidelijk is waar haar perspectief ligt.
De GI stelt zich op het standpunt dat uit de adviezen van [pleegzorg] , de Raad en psychologenpraktijk [de psychologenpraktijk] unaniem volgt dat het perspectief van [minderjarige 1] voor de lange termijn noch bij de moeder noch bij opa en oma ligt.
De kinderrechter volgt dit standpunt niet om de volgende redenen.
[pleegzorg] heeft aangegeven dat de kinderen zo spoedig mogelijk duidelijkheid nodig hebben over hun perspectief. Verder volgt uit het onderzoek van [pleegzorg] dat opa en oma op alle screeningscriteria positief scoren. Wel heeft [pleegzorg] zorgen over de sociaal-emotionele (door)ontwikkeling van de kinderen, die momenteel als gevolg van onduidelijkheid over hun perspectief lijkt te stagneren. Naar het oordeel van de kinderrechter kan dit de pleegouders echter niet worden verweten. Bovendien kunnen deze zorgen worden weggenomen door de kinderen duidelijkheid te geven over hun perspectief.
De Raad heeft tijdens de zitting een duidelijk advies gegeven. Volgens de Raad is het niet in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hen ergens anders te plaatsen dan bij de opa en oma. Dat mag alleen gebeuren als het strikt noodzakelijk is en de Raad ziet die noodzaak op dit moment niet.
Uit het perspectiefonderzoek van [de psychologenpraktijk] blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan duidelijkheid over hun perspectief. Geconcludeerd wordt dat het opvoedperspectief niet bij de moeder ligt. Hieruit volgt naar het oordeel van de kinderrechter echter niet dat het perspectief van de kinderen niet bij opa en oma ligt. Verder blijkt uit dit onderzoek dat er sprake is van een betekenisvolle en positieve relatie tussen de moeder en de kinderen en dat het daarom van belang is dat het contact tussen de moeder en de kinderen behouden blijft en, waar mogelijk, verder wordt uitgebreid en bestendigd. De kinderrechter concludeert dat de beoogde overplaatsing van de kinderen naar het gezinshuis in [plaats] hier een streep door zet en er toe zal leiden dat het contact tussen de moeder en de kinderen juist significant zal afnemen.
Ten slotte merkt de kinderrechter op dat er tijdens de zitting een aantal aandachtspunten voor de opa en oma aan de orde is geweest. Zo is het belangrijk dat de kinderen niet worden belast met volwassenzaken en dat de opa en oma kunnen (blijven) meegaan in de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. De opa en oma hebben aangegeven dat zij, indien nodig, open staan voor hulpverlening en de kinderrechter heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de opa en oma die toezegging zullen nakomen. Het is aan de GI om hierin het voortouw te nemen en om in samenspraak met de opa en oma te kijken welke hulpverlening passend is.
Dit alles maakt dat het naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is om het verzoek van de GI af te wijzen.
Omdat het verzoek om de verblijfplaats van [minderjarige 1] te wijzigen zal worden afgewezen, heeft de GI geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
Omdat het verzoek om de verblijfplaats van [minderjarige 1] te wijzigen zal worden afgewezen, komt de kinderrechter niet toe aan de voorwaardelijke verzoeken van de pleegouders om een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter zal deze verzoeken daarom ook afwijzen.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat gebleken is dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] lijkt te stagneren als gevolg van de onduidelijkheid die zij ervaart over waar zij verder mag opgroeien. Daarom vindt de kinderrechter het van belang om [minderjarige 1] duidelijkheid te geven over haar toekomstperspectief. Iedereen zou het liefst willen dat [minderjarige 1] weer thuis bij haar moeder kan wonen. De kinderrechter ziet dat de moeder hier hard aan werkt en ook dat zij de afgelopen periode een aantal positieve stappen heeft gezet. De omgang is uitgebreid en verloopt goed. Toch is dat nog niet genoeg om [minderjarige 1] nu weer thuis te plaatsen en het is niet realistisch om te verwachten dat dit binnen afzienbare tijd mogelijk zal zijn. De opvoeding en verzorging van de kinderen vraagt nu eenmaal meer dan het hebben van omgang. Daarbij komt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] is verstreken. Dit alles maakt dat de kinderrechter concludeert dat de opvoedtaken van [minderjarige 1] bij de opa en oma blijven. Daarbij vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] dat de omgang tussen [minderjarige 1] en de moeder, waar mogelijk, verder wordt uitgebreid. Dat geldt ook voor de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader. Wel moeten daarbij de behoeften en het tempo van [minderjarige 1] leidend zijn.
Brief aan [minderjarige 1]
De kinderrechter zal op verzoek van [minderjarige 1] haar een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief aan [minderjarige 1] staat het volgende:
Beste [minderjarige 1] ,
Op 8 juli 2026 ben je op de rechtbank geweest. Je hebt toen met kinderrechter mr. Tempel gesproken. Het ging over het verzoek van de jeugdbescherming om jou en [minderjarige 2] over te plaatsen naar een gezinshuis. Je hebt verteld dat je het fijn hebt bij opa en oma. Ook heb je gezegd dat je het liefst weer bij mama zou willen wonen, maar als dat niet kan dat je bij opa en oma wilt blijven.
Op 13 juli 2026 heb ik gesproken met alle volwassenen (de jeugdbeschermers, je moeder met haar advocaat, jouw opa en oma met hun advocaat, je tante en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming). Ik heb goed geluisterd naar iedereen.
Hoewel ik heel goed kan begrijpen dat je het liefst weer bij mama zou willen wonen, kan dat helaas niet. Gelukkig heb je het fijn bij opa en oma en gaat het daar goed met jou. Daarom heb ik besloten dat je samen met [minderjarige 2] bij opa en oma zult blijven wonen. Je kunt mama dan vaak zien en papa ook.
Ik hoop dat er hiermee duidelijkheid is voor jou. Ik wens je een hele fijne vakantie toe en veel succes in groep 8!
Vriendelijke groeten, ook van de griffier,
mr. Phillips
De kinderrechter
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 28 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.