2. De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 8 augustus 2018 tot 16 december 2022;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen;
- de minderjarige kinderen verblijven bij de vrouw;
- uit de huidige relatie tussen de man en zijn nieuwe partner is het volgende, nu nog minderjarig kind geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2025.
In het hiervoor genoemde ouderschapsplan dat is aangehecht aan de beschikking van
6 december 2022 zijn partijen in artikel 6 overeengekomen dat de kinderen de helft van de tijd bij de man verblijven en de helft van de tijd bij de vrouw (co-ouderschap). In artikel 11, 12 en 13 zijn afspraken gemaakt over de verdeling van vakanties, feestdagen, studiedagen en andere bijzondere dagen.
Met betrekking tot kinderalimentatie hebben partijen in het ouderschapsplan afgesproken dat kinderalimentatie niet noodzakelijk was, dat de niet-dagelijkse kosten in goed overleg bij helfte zouden worden verdeeld en dat een gezamenlijke bankrekening zou worden aangehouden waarop ieder maandelijks een bijdrage zou storten. Van deze rekening zouden dan de niet-dagelijkse kosten van de kinderen worden voldaan (artikel 26).
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in een zorgregeling waarbij de man en de minderjarige kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens in de twee weken in de even weken op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de man zorgdraagt voor het vervoer van de kinderen in die zin dat hij de kinderen op zondag om 10.00 uur bij de vrouw ophaalt en om 19.00 uur bij de vrouw terugbrengt;
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen van € 495,00 per maand per kind met ingang van 1 september 2023, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
te bepalen dat partijen niet meer gehouden zijn uitvoering te geven aan hetgeen is overeengekomen in de randnummers 6, 7, en 26 van het ouderschapsplan zoals overeengekomen op 9 november 2022.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw het laatste verzoek (met betrekking tot het ouderschapsplan) ingetrokken, zodat de rechtbank daarop geen beslissing meer hoeft te nemen.
4. De beoordeling
Wijziging zorgregeling
De vrouw heeft een verzoek gedaan tot aanpassing van de zorgregeling. Volgens de vrouw wordt al geruime tijd geen uitvoering meer gegeven aan de regeling zoals die tussen partijen is afgesproken in het ouderschapsplan. De vrouw verzoekt de rechtbank de regeling te wijzigen en in overeenstemming te brengen met de huidige zorgregeling. Deze houdt in dat de man en de minderjarige kinderen eens in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur contact met elkaar hebben, waarbij de man de kinderen haalt en brengt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij met zijn partner per augustus 2026 een nieuwe woning zal betrekken en dat hij vanaf dan graag een weekendregeling zou willen.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Partijen zijn overeengekomen dat:
- de zorgregeling zoals onder rechtsoverweging 4.1.omschreven door zal lopen tot het weekend van 8 augustus 2026;
- vanaf het weekend van 8 augustus zal de man de kinderen op zaterdag om 10.00 uur ophalen bij de vrouw en op zondag om 19.00 uur terugbrengen naar de vrouw.
De rechtbank zal deze regeling in het dictum opnemen.
Grondslag verzoek vaststelling alimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de minderjarige kinderen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die onderhoudsbijdrage te voldoen.
Ingangsdatum
De vrouw verzoekt de rechtbank de onderhoudsverplichting in te laten gaan met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2023. Sinds dat moment geven partijen geen uitvoering meer aan het eerder overeengekomen co-ouderschap en heeft de vrouw alle kosten van de kinderen zelf gedragen. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank de ingangsdatum op de datum van indiening van het verzoekschrift te bepalen.
De man wijst erop dat toewijzing van het verzoek met terugwerkende kracht zou leiden tot een achterstand van drie jaar. De man is in september 2023 naar Spanje vertrokken. Hij had in die tijd slechts een beperkt inkomen en had dus minimaal kunnen bijdragen. De man is nu bezig met een voortraject voor de WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen). Sinds ongeveer september 2025 heeft hij een bewindvoerder en krijgt hij € 100,00 leefgeld per week.
De rechtbank legt een onderhoudsverplichting op met ingang van de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. De man moest er in ieder geval vanaf dat moment rekening mee houden dat hij een onderhoudsbijdrage zou moeten gaan voldoen. Verder blijkt uit de jurisprudentie dat terughoudend moet worden omgegaan met het opleggen van een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om een onderhoudsbijdrage op te leggen met een terugwerkende kracht van bijna drie jaar. De vrouw heeft de rechtbank er ook niet van kunnen overtuigen dat zij niet eerder een verzoek tot het vastleggen van een onderhoudsverplichting in heeft kunnen dienen.
Uitgangspunten
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden vastgesteld op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) in 2021. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de vrouw is op basis van de IB-aangifte 2021 berekend op € 1.818,00 per maand. Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man heeft de vrouw een schatting gemaakt van het inkomen van de man in 2021. De vrouw heeft dit inkomen geschat op € 65.000,00 per jaar. Het NBI van de man komt uit op
€ 3.921,00 per maand. Het NBGI in 2021 is dan € 5.739,00 per maand.
De man heeft op de mondelinge behandeling weersproken dat hij in 2021 een inkomen van € 65.00,00 per jaar had. Hij stelt dat hij op dat moment een jaarinkomen van € 25.371,00 had. De vrouw heeft de juistheid van dit inkomen bij gebrek aan bewijs betwist.
De rechtbank zal de behoefteberekening van de vrouw volgen. De man heeft weliswaar betwist dat hij in 2021 een jaarinkomen had van € 65.000,00 maar heeft nagelaten zijn eigen stelling dat hij een inkomen van € 25.371,00 had (bij betwisting) te onderbouwen. Dit geldt nog meer nu de man op zitting in staat was een concreet bedrag te benoemen. Dan zou het naar het oordeel van de rechtbank voor de man niet moeilijk geweest moeten zijn dat ook nader te onderbouwen. Uitgaande van de uitgangspunten zoals genoemd in rechtsoverweging 4.9. stelt de rechtbank de (gezamenlijke) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2021 vast op € 1.325,00. Geïndexeerd naar 2026 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een behoefte van (afgerond) € 1.652,00.
Behoefte [minderjarige 3]
Nu de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3] , is ook de behoefte van [minderjarige 3] van belang. Echter nu er geen enkele informatie bekend is over de het huidige inkomen van de man en het inkomen van zijn nieuwe partner, is het niet mogelijk de behoefte van [minderjarige 3] vast te stellen.
Draagkracht
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft een draagkrachtberekening gemaakt op basis van haar salarisspecificatie uit de maand februari 2026. Deze berekening is door de man niet betwist. De rechtbank zal deze berekening dan ook tot uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht van de vrouw. Hieruit volgt een NBI van de vrouw van € 3.120,00 per maand.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 573,00 per maand.
Draagkracht man
De vrouw heeft een draagkrachtberekening gemaakt waarin ze is uitgegaan van de salarisstrook april 2025. Daarnaast heeft de vrouw ook rekening gehouden met bonussen en/of promoties buiten de CAO om.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij inmiddels een andere baan heeft dan in april 2025. Hij verdient met zijn huidige baan netto iets minder, maar bruto iets meer. De man heeft verder erkend dat hij een bonus van € 2.000,00 per jaar ontving.
Nu zijn inkomen volgens de man nauwelijks is gewijzigd en er geen andere inkomensgegevens in het geding zijn gebracht, zal de rechtbank de salarisspecificatie van april 2025 als uitgangspunt nemen bij de berekening van de draagkracht van de man. Uit de salarisspecificatie blijkt een weeksalaris van € 899,74 bruto. Dit bedrag wordt vermeerderd met de gebruikelijke vakantietoeslag en de jaarlijkse bonus van € 2.000,00 bruto. Verder wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten wordt het huidige NBI van de man becijfert op een bedrag van € 3.365,00 per maand. De draagkracht van de man komt dan volgens de formule uit op een bedrag van € 693,00.
Woonbudget
Uit het voorgaande blijkt dat de totale draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat dan bij de berekening van de draagkracht het woonbudget in de formule gehalveerd moet worden (naar 15%). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zijn partner een nieuwe woning heeft gekocht waar zij in augustus in zullen trekken. De woonlasten zullen naar de mening van de vrouw dan dus óf door de partner worden betaald óf door hen gezamenlijk. De man heeft, hoewel hiertoe tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld, geen verweer gevoerd naar aanleiding van het standpunt van de vrouw.
Indien sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen op grond van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Het ligt dan op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Als een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen. Nu de man geen verweer heeft gevoerd naar aanleiding van het door de vrouw ingenomen standpunt zal de rechtbank de vrouw volgen in haar standpunt en het gehanteerde percentage aan woonbudget halveren naar 15%.
Bovenstaande leidt ertoe dat de draagkracht van de man toeneemt. De totale draagkracht van de man is dan € 1.046,00 per maand.
Verdelen draagkracht man
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij met zijn huidige partner nog een kind heeft gekregen en dat hiermee rekening moet worden gehouden in de verdeling van zijn draagkracht. De vrouw heeft opgemerkt dat het derde kind van de man inderdaad invloed heeft op zijn draagkracht en zij heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal de draagkracht gelijkelijk verdelen over de kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is. Dit sluit aan bij de lijn die de Hoge Raad op dit punt volgt. Concreet betekent dit dat de man per kind een draagkracht heeft van € 348,66.
Geen draagkrachtvergelijking
Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de man en de vrouw onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien.
Zorgkorting
De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 15% aan de zijde van de man. De man heeft zich daartegen niet verweerd. De rechtbank zal uitgaan van 15% tot augustus 2026. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een nieuwe zorgregeling met elkaar afgesproken. Op basis van die regeling (tezamen met de overige afspraken zoals die blijken uit het ouderschapsplan) is een zorgkorting van 25% redelijk. De rechtbank zal daarom onderscheid maken tussen deze twee perioden.
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen (in beide perioden) onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. De formule voor deze berekening is als volgt: Volledige draagkracht man (voor twee kinderen) – ( bedrag zorgkorting – bedrag van de helft van het tekort in draagkracht). Voor de man betekent dit:
- dat in de periode van 10 maart 2026 tot 1 augustus 2026 de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting (15%), zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 697,34 – (€ 247,80 - € 190,82) = € 640,36 per maand;
- dat vanaf augustus 2026 de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting (25%), zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 697,34 – (€ 413,00 – € 190,82) = € 475,16 per maand.
Concreet betekent dit dat de man tot 1 augustus 2026 een bedrag van € 320,18 per maand per kind moet betalen en vanaf 1 augustus 2026 een bedrag van € 237,58 per maand per kind.
Berekeningen
De rechtbank een nieuwe berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Een gescand exemplaren van deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt, voor zover nodig met wijziging van het aan voormelde beschikking van deze rechtbank van 6 december 2022 gehechte ouderschapsplan, dat de man en de minderjarige kinderen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact:
- tot augustus 2026: om de week (in de even weken) op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en terugbrengt;
- vanaf het weekend van 8 augustus: om de week van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt en terugbrengt;
bepaalt dat de man met ingang van 10 maart 2026 tot 1 augustus 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 320,18 (driehonderdtwintig euro en achttien eurocent) per maand per kind en vanaf 1 augustus 2026 een bedrag van € 237,58 (tweehonderdzevenendertig euro en achtenvijftig eurocent) per maand per kind;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.