RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Wrakingskamer
Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/451004 / HA RK 26-146
Uitspraak van 7 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: verzoeker,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek ter zitting van 29 juli 2026 gericht tegen mr. Obispo, in haar hoedanigheid van rechter in deze rechtbank
- het proces-verbaal van de zitting van 29 juli 2026- de mededeling van mr. Obispo van 31 juli 2026 dat zij niet in de wraking berust- het e-mailbericht van verzoeker van 31 juli 2026.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt tot wraking van rechter mr. Obispo, belast met de behandeling van de door verzoeker en zijn echtgenote als eisers ingediende zaak tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele in de procedure met zaaknummer BRE 25/5945.
Verzoeker legt aan zijn verzoek tot wraking - volgens het ter zitting opgemaakte proces-verbaal - het volgende ten grondslag:“[verzoeker]: Ik heb er geen vertrouwen in. Ik ga u wraken. U geeft de schijn van partijdigheid.
Rechter: Kunt u dat toelichten?
[verzoeker]: U geeft de schijn en dat is voldoende. Ik ga de wrakingsgronden op schrift zetten. Ik verzoek u om een wrakingszitting te plannen. (…) Rechter: U heeft aangegeven mij te willen wraken. Ik wil u in de gelegenheid stellen om aan te geven wat de reden is. Zou u dat nog willen doen?
[verzoeker]: Ik geef er de voorkeur aan dat op een andere zitting te doen. Dan zet ik het op schrift en denk ik erover na. Ik ben nu van slag. Het gaat om de manier van uw vraagstelling. Het is niet goed. U ging niet op de kern van de zaak in. Dat negeerde u. En u bent een buitengewoon onervaren rechter. Ik denk dat dit niet goedkomt en ik denk niet dat er eerlijke rechtspraak komt. Als u duidelijk naar de kern zou zijn gegaan en uw verbazing zou hebben uitgesproken over de gang van zaken bij de gemeente, dan was het anders gelopen.”
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een partij een rechter die een zaak behandelt wraken op grond van feiten en/of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procespartij vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief is gerechtvaardigd. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is. Verzoeker heeft op geen enkele manier feitelijk onderbouwd dat sprake is geweest van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Verzoeker legt aan zijn verzoek onder meer ten grondslag - kort gezegd - dat de rechter niet tot de kern van de zaak is gekomen. Deze enkele stelling vormt op zichzelf onvoldoende grond voor wraking. Het is aan de rechter die de zaak behandelt om het verloop van de zitting en de regie te bepalen. Daarnaast is het uitgangspunt dat de rechter bepaalt welke vragen hij of zij tijdens de mondelinge behandeling aan partijen stelt. Dat verzoeker het met de inhoud van deze vragen niet eens is, mag zo zijn, maar deze enkele omstandigheid maakt niet dat de rechter tegenover verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief is gerechtvaardigd. De wrakingskamer merkt hierbij op dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om eventuele onwelgevallige beslissingen ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Hiermee wordt bedoeld dat onwelgevallige beslissingen eventueel in hoger beroep aan de orde kunnen worden gesteld.De enkele stelling dat de rechter onervaren is, leidt er ook niet toe dat sprake is van een feit of omstandigheid waardoor de rechterlijke partijdigheid in het geding komt.
Verzoeker heeft bij e-mailbericht van 31 juli 2026 nog een “andere toelichting” van zijn reden tot wraking tot gegeven. Daarin voert hij aan dat de rechter er tijdens de zitting geen blijk van gaf dat zij alle processtukken had gelezen, laat staan dat zij deze grondig had bestudeerd. Verder “gaf zij geen blijk van enige notie” van overige bij de rechtbank en Raad van State gevoerde relevante procedures, aldus verzoeker. De wrakingskamer stelt voorop dat op grond van artikel 8:16 lid 3 Awb alle feiten of omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd tegelijk moeten worden voorgedragen. Voor zover verzoeker heeft bedoeld met deze “andere toelichting” de grondslagen van zijn wrakingsverzoek uit te breiden, moet deze “andere toelichting” buiten beschouwing worden gelaten. Voor zover verzoeker met de “andere toelichting” heeft bedoeld zijn eerder aangevoerde grond nader toe te lichten, oordeelt de wrakingskamer dat ook deze nadere toelichting van de grondslag niet tot wraking kan leiden. Op dit punt geldt eveneens dat het aan de rechter is om het verloop van de zitting en de regie te bepalen en voorts te bepalen welke feiten en omstandigheden (en het onderzoek ter zitting daarnaar) van belang zijn voor het nemen van de beslissing. Verzoeker heeft overigens geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aan de onpartijdigheid van de rechter kan worden getwijfeld.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub a van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
4. De beslissing
De wrakingskamer
verklaart het verzoek tot wraking van de rechter kennelijk ongegrond,
bepaalt dat de zaak met nummer BRE 25/5945 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit, mr. Verschoor-Bergsma en mr. Sinack en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.