RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/449155 / KG ZA 26-312
Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , mede handelend in zijn hoedanigheid van vennoot van de vennootschap onder firma [de vof] ,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
mr. H.M.H. van Dongen.
1. De zaak in het kort
Tussen partijen heeft een affectieve relatie bestaan. Zij zijn ook beiden vennoot van de vennootschap onder firma [de vof] , zijnde een Mexicaans restaurant. De affectieve relatie tussen partijen is beëindigd, waarna de samenwerking tussen hen niet meer mogelijk bleek. De vorderingen strekken er hoofdzakelijk toe dat [eiser] de onderneming kan voortzetten en dat hij inzicht kan verkrijgen in de administratie en de financiële positie van de vof.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
− de dagvaarding van 17 juni 2026 met producties 1 t/m 10,
− de aanvullende producties 11 en 12 van de zijde van [eiser] ,
− de akte vermeerdering van eis, tevens overlegging productie 13,
− de akte overlegging producties 1 t/m 8 van de zijde van [gedaagde] ,
− de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
− de spreekaantekeningen van [eiser] , − de spreekaantekeningen (conclusie van antwoord) van [gedaagde] .
3. De feiten
Op 30 april 2024 is de vennootschap onder firma [de vof] (hierna: de vof) opgericht met als vennoten [eiser] en [gedaagde] . De vof exploiteert een Mexicaans restaurant. Tussen [eiser] en [gedaagde] bestaat geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst. Het restaurant is per januari 2025 geopend.
Tussen [eiser] en [gedaagde] heeft een affectieve relatie bestaan. Deze is op 14 april 2026 beëindigd.
Omdat samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde] niet meer mogelijk bleek, hebben zij op 26 april 2026 een gesprek gehad. Vanaf die datum is het restaurant gesloten.
Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over de afwikkeling van de vof. Partijen zijn het daarin eens geworden dat [eiser] het restaurant mag voortzetten en dat ter afwikkeling van de vof een slotbalans moet worden opgemaakt.
.
4. Het geschil
[eiser] vordert, na wijziging van eis, als voorlopige voorziening, samengevat:
I [gedaagde] te veroordelen om hem volledige toegang te verschaffen tot het boekhoudsysteem waarin de administratie van de vof wordt bijgehouden,
II [gedaagde] te veroordelen om alle sleutels, toegangspassen en overige fysieke toegangsmiddelen tot het bedrijfspand en het door de vof gehuurde magazijn aan [eiser] af te geven, althans [eiser] volledige en onbelemmerde toegang daartoe te verschaffen;
III te bepalen dat [eiser] hangende de ontvlechting van de vof bij wijze van ordemaatregel exclusief belast wordt met de dagelijkse exploitatie en het beheer van de onderneming en [gedaagde] te gebieden zich te onthouden van iedere handeling die de normale exploitatie van de vof door [eiser] belemmert of frustreert;
IV [gedaagde] te veroordelen haar volledige medewerking te verlenen aan de voorlopige
voortzetting van de onderneming door [eiser] ,
V [gedaagde] te veroordelen een bedrag ad € 25.235,97 terug te storten op de bankrekening van de vof, althans op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiser] ,
VI [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] , althans aan de vof, te voldoen een bedrag gelijk aan de helft van de verschuldigde maandhuur van het bedrijfspand,
VII te bepalen dat [gedaagde] voor iedere overtreding van het onder I tot en met VI
gevorderde, dan wel voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft, een dwangsom verbeurt,
VIII [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een voorschot op de door hem gemaakte en nog te maken kosten van de door hem ingeschakelde boekhouder en deskundige(n) ad € 6.679,20.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
kern van het geschil
De vorderingen strekken ertoe dat [eiser] de onderneming kan voortzetten en dat hij inzicht kan verkrijgen in de administratie en de financiële positie van de vof en te voorkomen dat verdere schade aan de onderneming ontstaat. [eiser] stelt dat [gedaagde] daar niet aan meewerkt. [gedaagde] betwist dat en stelt dat ze alle medewerking verleent.
spoedeisend belang
Gezien het geschil tussen partijen is spoedeisend belang een gegeven, voor zover de voorzieningenrechter hierna niet anders oordeelt.
verschaffen van volledige toegang tot het boekhoudsysteem (vordering I)
[eiser] stelt dat [gedaagde] weigert om hem de toegang te verschaffen tot de administratie. Die is noodzakelijk om de slotbalans te kunnen opstellen. Hierdoor ontstaat bij hem het vermoeden dat hij door [gedaagde] wordt benadeeld. Bovendien wordt hij door [gedaagde] in een positie gebracht die hij als vennoot niet kan controleren, terwijl hij wel hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van de vof.
[gedaagde] stelt dat [eiser] al beschikt over de administratie. De gezamenlijke boekhouder heeft volledige medewerking verleend aan de door [eiser] ingeschakelde boekhouder LexProFinance.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] aan [eiser] toegang heeft verleend tot het boekhoudsysteem. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat door de boekhouder van [eiser] een (voorlopige) slotbalans is opgesteld. De boekhouder heeft daarbij wel een aantal schriftelijke vragen gesteld, maar [eiser] heeft niet gesteld welke ontbrekende stukken nog door [gedaagde] moeten worden overgelegd om de vragen van de boekhouder ten behoeve van de definitieve slotbalans te kunnen beantwoorden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiser] verklaard dat hij niet weet of [eiser] alle benodigde administratieve stukken van [gedaagde] heeft ontvangen en welke stukken hij nog mist en dat hij ook niet uitsluit dat [eiser] alle benodigde stukken van [gedaagde] heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt nog belang te hebben bij deze vordering.
verstrekken van de sleutels, toegangspassen en overige fysieke toegangsmiddelen tot het bedrijfspand en magazijnruimten (vordering II)
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij beschikt over de sleutels van het restaurant. Voorzover de vordering ziet op afgifte van deze sleutels, heeft hij die vordering tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.
De vordering ziet voorts op afgifte van de sleutels van de twee opslagmagazijnen die door de vof worden gebruikt; een magazijn vlakbij de woning van de vader van [gedaagde] (opslag inventaris) en een Eurobox Self Storage (opslag voedingsmiddelen).
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij beschikt over de toegangssleutel voor de Eurobox Self Storage. Dat betekent dat hij geen belang heeft bij de vordering tot afgifte hiervan.
Met betrekking tot het andere magazijn heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hierin inventaris staat opgeslagen die door de vof niet wordt gebruikt. [eiser] heeft dit niet weersproken. [gedaagde] heeft erkend dat zij beschikt over de sleutel van het magazijn. Zij heeft verklaard dat zij bereid is die sleutel aan [eiser] af te geven.
Gelet op deze bereidheid en het ontbreken van spoedeisend belang bij deze vordering, zal de vordering worden afgewezen.
dagelijkse exploitatie en het beheer van de onderneming (vordering III)
De vordering wordt afgewezen. Gebleken is dat [gedaagde] aan [eiser] de ten behoeve van de dagelijkse exploitatie en beheer benodigde inlogcodes en wachtwoorden heeft verstrekt. [eiser] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er sprake is van enig handelen door [gedaagde] waardoor de dagelijkse exploitatie en het beheer van de onderneming wordt belemmerd.
medewerking voorlopige voortzetting van de onderneming (vordering IV)
Ook deze vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft niet onderbouwd dat [gedaagde] haar medewerking niet verleent aan de voorlopige voortzetting van de onderneming door [eiser] . Bovendien is de vordering te algemeen geformuleerd, wat ook aan toewijzing in de weg staat.
terugstorting van € 25.235,97 (vordering V)
[eiser] stelt dat [gedaagde] zonder toestemming gelden aan de vof heeft onttrokken.
[gedaagde] erkent dat zij een bedrag van € 20.735,00 heeft veiliggesteld, het meerdere betwist zij. Zij stelt dat zij dit bedrag heeft aangewend om urgente schulden van de vennootschap te voldoen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] over deze bestedingen rekening en verantwoording heeft afgelegd. Nu [gedaagde] met voormelde gelden schulden van de vennootschap heeft voldaan, valt er niets meer terug te storten. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat [eiser] onder randnummer 26 van de dagvaarding een bedrag van € 20.819,46 noemt dat [gedaagde] aan de vof zou hebben onttrokken.
De vordering wordt afgewezen.
bijdrage maandelijkse huur (vordering VI)
[eiser] stelt dat [gedaagde] dient bij te dragen aan de lopende huurverplichtingen ter zake het door de vof gehuurde bedrijfspand.
[gedaagde] is van mening dat [eiser] intern 100% draagplichtig is omdat hij de feitelijke macht uitoefent over het gehuurde. Hij verblijft vanaf 26 april 2026 in het restaurant en laat ook derden daar verblijven, terwijl [gedaagde] daar geen toegang meer toe heeft. Ook opent [eiser] het restaurant niet voor publiek. [gedaagde] is als gevolg van het wegvallen van de omzet van het restaurant aangewezen op een bijstandsuitkering en zij is niet in staat om de helft van de huur te voldoen.
De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat [gedaagde] de helft van de openstaande c.q. vervallen huurtermijnen moet betalen binnen 48 uur na betekening van het vonnis. De voorzieningenrechter zal dit toewijzen. Omdat partijen beiden vennoot van de vof zijn, zijn zij intern immers beiden gehouden de helft van de huur van de vof te dragen.
Aan de voldoening van huurverplichtingen kan geen dwangsom worden verbonden, zodat de gevorderde dwangsom wordt afgewezen.
voorschot op kosten (vordering VII)
[eiser] stelt dat de handelwijze van [gedaagde] , waaronder het onttrekken van gelden, het achterhouden van administratie en het gebruiken van een door [eiser] betwiste handtekening, heeft geleid tot het ontbreken van vertrouwen. Daardoor is hij genoodzaakt geweest om een eigen onafhankelijk boekhouder in te schakelen om de financiële positie van de vof inzichtelijk te maken en om een deskundige in te schakelen om de betwiste handtekening te laten onderzoeken. De kosten die daarvoor zijn gemaakt moeten volgens hem voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] betwist dat.
De voorzieningenrechter stelt vast dat beide deskundigen eenzijdig door [eiser] zijn ingeschakeld. Het staat [eiser] vrij om dat te doen, maar niet valt in te zien waarom de kosten hiervan voor rekening van [gedaagde] moeten komen. De noodzaak voor de inschakeling van de deskundigen (en de daarmee gemaakte kosten) is niet evident. Voor wat betreft de kosten van de boekhouder in verband met de vermeende onttrekking van gelden en het achterhouden van administratie wordt verwezen naar wat hiervoor is overwogen. Ten aanzien van de deskundige voor handtekeningonderzoek is van belang dat [gedaagde] nooit heeft ontkend dat zij de (digitale) handtekening van [eiser] heeft gebruikt. Zij stelt dat zij daartoe gemachtigd was. De vordering wordt afgewezen.
proceskosten
[eiser] is grotendeels in het ongelijkgestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Brijn worden begroot op:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.707,00
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] , althans de vof, te voldoen de helft van de openstaande c.q. vervallen huurtermijnen ter zake van het door de vof gehuurde bedrijfspand,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.