uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.572 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur € 55 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.428. De belastingrentebeschikking is dienovereenkomstig verminderd tot € 45. De inspecteur heeft een kostenvergoeding toegekend van € 296.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak voor een termijn van twee weken aangehouden. Daarbij is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een inkoopfactuur te overleggen.
Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 1 juni 2026 overgelegd.
Gelet op hetgeen besproken is ter zitting heeft de rechtbank in deze zaak geen aanleiding gezien om de inspecteur in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de inkoopfactuur. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 4 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking, zoals deze luidden na de uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Verder beoordeelt de rechtbank ook de aan belanghebbende voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 13 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi ABT RS6-R met [VIN-nummer] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 20.249.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 12 april 2022 bij de aangifte gevoegd.
De auto is op 3 december 2021 gekeurd door de RDW.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, omdat de schouw door de taxateur heeft plaatsgevonden na de goedkeuring van de auto door de RDW. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 28.821 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).
De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat toepassing van koerslijstmethode gunstiger was. Hij heeft daarbij de verschuldigde Bpm in de uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 21.672 en de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.428.
Motivering
Vooraf: tardief
4. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken te laat zijn ingediend zodat zij geen tijd heeft gehad om hierop adequaat te kunnen reageren. Belanghebbende verzoekt de rechtbank deze stukken tardief te verklaren.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 1 mei 2026 om 11:11 uur via het online portaal heeft ingediend. Dit betekent dat de stukken buiten de tiendagentermijn zijn ingediend. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om van deze stukken kennis te nemen en daarop te reageren en dat belanghebbende in deze zaak niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvoor meer tijd nodig was, mede gezien de grote deskundigheid van de gemachtigde ten aanzien van de Bpm. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken tardief te verklaren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding vanwege de late indiening van het verweerschrift.
Herleidingsmethode
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
De inspecteur stelt dat voor de Bpm het per 1 januari 2022 gewijzigde recht moet worden toegepast. Daartoe voert hij aan dat de inschrijving van de auto in het kentekenregister pas kan plaatsvinden nadat aangifte is gedaan. Nu belanghebbende op 13 april 2022 aangifte heeft gedaan, heeft het belastbare feit zich in 2022 voorgedaan. Volgens de inspecteur is daarom geen sprake van toepasselijk overgangsrecht. De taxatiemethode mag niet worden toegepast, omdat het taxatierapport van belanghebbende is opgesteld op 12 april 2022 en de auto op 3 december 2021 door de RDW is gekeurd. Hierdoor voldoet het taxatierapport niet aan de eenmaandstermijn, aldus de inspecteur.
Belanghebbende stelt primair dat het overgangsrecht van artikel XXXVIII van het Belastingplan 2021 van toepassing is. Volgens belanghebbende heeft het belastbare feit – de tenaamstelling – plaatsgevonden op 7 mei 2022. Nu de RDW de auto op 3 december 2021 heeft goedgekeurd, dient volgens belanghebbende te worden uitgegaan van de Wet Bpm zoals die luidde in 2021. Volgens belanghebbende is het taxatierapport daarmee binnen één maand vóór het moment waarop de Bpm verschuldigd is geworden.
Subsidiair stelt belanghebbende dat het buiten beschouwing laten van het taxatierapport wegens de eenmaandstermijn in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daartoe voert zij aan dat onder het in 2021 geldende recht de datum van goedkeuring door de RDW het fiscaal relevante aanknopingspunt vormde.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat het overgangsrecht van toepassing is. Met ingang van 1 januari 2022 is het belastbare feit voor de Bpm de inschrijving van een motorrijtuig in het kentekenregister. De inschrijving in het kentekenregister kan pas plaatsvinden nadat de aangifte is ingediend. In dit geval is de aangifte ingediend na 1 januari 2022 en heeft de inschrijving in het kentekenregister dus ook plaatsgevonden na die datum. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het overgangsrecht, dient de Wet Bpm te worden toegepast zoals deze luidde in 2022.
De rechtbank stelt vast dat het taxatierapport na het moment van de keuring door de RDW (het afschrijvingsmoment) is opgesteld. Het taxatierapport voldoet daarom niet aan de voorwaarden. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Dit betekent dat het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet Bpm.
De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in haar standpunt dat het buiten beschouwing laten van het taxatierapport in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Dat de wetswijziging per 1 januari 2022 ertoe heeft geleid dat voor toepassing van de taxatiemethode andere voorwaarden gelden, is het gevolg van een bewuste keuze van de wetgever. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat deze wijziging in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het doeltreffendheidsbeginsel. Ook het betoog van belanghebbende dat zij niet kon voorzien dat de datum van goedkeuring door de RDW vanaf 1 januari 2022 niet langer fiscaal bepalend zou zijn, faalt. De wijziging van de Wet Bpm is vóór de inwerkingtreding bekendgemaakt. Belanghebbende had daarom ten tijde van de keuring door de RDW redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de per 1 januari 2022 in werking tredende wetswijziging en de gevolgen daarvan.
Koerslijstmethode
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs in de uitspraak op bezwaar te laag is vastgesteld. Volgens belanghebbende moet de historische nieuwprijs worden vastgesteld op € 316.797, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 212.718, vermeerderd met € 44.670 btw en een historische bruto Bpm van € 59.409.
Voor de handelsinkoopwaarde dient volgens belanghebbende aangesloten te worden bij de koerslijst van X-Ray, die bij het taxatierapport is gevoegd en waarvan de inspecteur in de uitspraak op bezwaar eveneens is uitgegaan. Volgens belanghebbende bedraagt de verschuldigde belasting in totaal € 21.509 en dient de naheffingsaanslag verminderd te worden tot € 1.260.
De inspecteur stelt zich nader op het standpunt dat de koerslijstmethode in dit geval niet kan worden toegepast. Daartoe voert hij aan dat de ABT-uitvoering van de auto – wegens ingrijpende technische aanpassingen ten opzichte van het reguliere fabrieksmodel – niet voorkomt op enige koerslijst. Volgens de inspecteur kan de afschrijving daarom uitsluitend worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel. Op basis daarvan is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De inspecteur beroept zich in dat verband op interne compensatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat de auto voorkomt op een koerslijst. Het beroep op interne compensatie van de inspecteur slaagt. Uitgaande van toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel bedraagt de verschuldigde Bpm € 28.821. Nu de inspecteur bij uitspraak op bezwaar reeds is uitgegaan van de koerslijst van X-Ray en de verschuldigde Bpm heeft vastgesteld op € 21.672, is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De door belanghebbende bepleite hogere historische nieuwprijs van € 316.797 kan daarom niet leiden tot een vermindering van de naheffingsaanslag.
Hoogte naheffingsaanslag
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag – zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar – terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Belastingrente
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar.
Kostenvergoeding in de bezwaarfase
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten in de bezwaarfase ten onrechte heeft vastgesteld op € 592, omdat de inspecteur het lagere tarief van € 296 per punt heeft toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 666 per punt.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 juni 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt toegekend. De naheffingsaanslag Bpm en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, blijven wel in stand. Verder heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666 met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934 met een wegingsfactor 0,5, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld en het gewicht van het punt waarop belanghebbende gelijk heeft gekregen lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel.De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 934 (2 maal € 934 maal 0,5) bedraagt. De totale vergoeding bedraagt daarom € 2.266 (€ 1.332 + € 934).
De rechtbank merkt op dat in de bezwaarfase een kostenvergoeding is toegekend van € 592. Indien dit bedrag al aan belanghebbende is uitbetaald, komt het in mindering op de (nog) door de inspecteur te betalen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.