uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R.P. Kaarsemaker BEc RB),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 november 2024.
De inspecteur heeft aan de fiscale eenheid voor de omzetbelasting [b.v. 1] ., [b.v. 2] . C.S. over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 31.500. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een verzuimboete aan deze fiscale eenheid opgelegd van € 3.150 (de boetebeschikking) en belastingrente in rekening gebracht van € 5.461 (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: [persoon 1] , [persoon 2] en de gemachtigde van belanghebbende. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] MSc, mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Indien het beroep ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht aan belanghebbende zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. Verder zijn de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Tot het dossier behoort een machtiging afgegeven door [belanghebbende] B.V. van 7 april 2023 ten behoeve van deze procedure voor de gemachtigde. De rechtbank kan alleen [belanghebbende] B.V. aanmerken als eiser en belanghebbende in deze procedure.
Belanghebbende behoort tot een fiscale eenheid voor de omzetbelasting die bestaat uit de volgende rechtspersonen: [b.v. 1] ., [b.v. 2]
. en [belanghebbende] B.V. De activiteiten van de fiscale eenheid bestaan (onder meer) uit het fokken en houden van paarden.
Tot de stukken behoort een uittreksel uit de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf 20 juni 2008 tot en met 23 maart 2022 de statutaire naam en handelsnaam [b.v. 3] . had. Tussen partijen staat voorts vast dat zij facturen onder de naam ‘ [naam 1] ’ uitschreef.
In 2018 bestond de fiscale eenheid uit de volgende rechtspersonen:
[b.v. 4] ., [b.v. 2] . en belanghebbende onder de toenmalige statutaire naam [b.v. 3] .
[b.v. 1] . is met ingang van 1 oktober 2021 tot de fiscale eenheid toegetreden. De inspecteur heeft bij beschikking van 2 september 2021 het volgende bericht:
“Betreft: Uitbreiding fiscale eenheid omzetbelasting (btw)
Ik heb op 22 juli 2021 een brief van u ontvangen waarin u aangeeft FISCALE EENHEID [b.v. 5] B.V. EN [b.v. 3] , [omzetbelastingnummer 1] B.01, uit te breiden met de volgende (rechts)persoon:
[b.v. 1] ., [omzetbelastingnummer 2] B.01
49
Beslissing
Ik voeg deze (rechts)persoon toe aan de fiscale eenheid. Ik baseer mijn beslissing op artikel 7, lid 4 van de Wet op de 0omzetbelasting 1968.
De fiscale eenheid bestaat vanaf 1 oktober 2021 uit de volgende (rechts)personen:
[b.v. 5] B.V., [omzetbelastingnummer 3] B.01
[b.v. 3] ., [omzetbelastingnummer 4] B.01
[b.v. 1] ., [omzetbelastingnummer 2] B.01
Het volgende is van toepassing:
Het omzetbelastingnummer van de fiscale eenheid blijft [omzetbelastingnummer 1] B.01.
(…)
De nieuwe naam van de fiscale eenheid is FISCALE EENHEID [b.v. 1] ., [b.v. 5] B.V. c.s...
(…)”
De fiscale eenheid heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van
1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (per kwartaal) de volgende aangiften omzetbelasting ingediend:
Tijdvak
OB-hoog
OB-privé
Verlegd OB
OBimpntEU
ObimpEU
Te betalen OB
Q1 2018
€ 5.250
nihil
nihil
nihil
nihil
€ 5.250
Q2 2018
€ 1.770
nihil
€ 84
nihil
€ 13.023
€ 14.877
Q3 2018
€ 62.764
nihil
nihil
€ 9.450
€ 19.108
€ 91.322
Q4 2018
€ 8.414
€ 1.383
€ 226
€ 6.772
€ 14.505
€ 31.300
Naar aanleiding van de aangiften omzetbelasting heeft de inspecteur bij brief van
11 januari 2023 verzocht kopieën over te leggen van facturen met betrekking tot de verrichte leveringen buiten de Europese Unie.
Tot het dossier behoort een verkoopfactuur van 30 januari 2018 uitgereikt door belanghebbende onder de naam [naam 1] , ter attentie van [persoon 3] , United States. Het betreft de verkoop van het paard ‘ [naam 2] ’ (hierna: het paard) voor € 150.000. Er is op de factuur geen melding van btw gemaakt. Verder staat op de factuur het volgende vermeld:
“The horse will be staying in [plaats 1] The Netherlands under supervision of [persoon 4] .
If the horse will not be exported within 6 monthes we have to charge you 21% VAT over the total amount of the horse.”
Blijkens tot het dossier behorende boekingsbevestigingen is de koopsom door
[b.v. 3] . in twee delen ontvangen. Op 2 februari 2018 is in totaal € 145.000 ontvangen en op 6 februari 2018 is het resterende deel van de koopsom, zijnde
€ 5.000, ontvangen.
Van 23 tot en met 25 februari 2018 en van 29 tot en met 31 maart 2018 heeft
[persoon 5] met het paard deelgenomen aan wedstrijden in [plaats 2] in Nederland.
Op 9 april 2018 is het paard door [persoon 6] gekeurd. In het onderzoeksrapport gedagtekend 11 april 2018 staat dat het paard geblesseerd is en niet mag worden geëxporteerd. De factuur van het onderzoek ten bedrage van € 1.699,40 is gericht aan [partij] ter attentie van [persoon 3] .
Tot de gedingstukken behoort een creditfactuur op naam van [naam 1] aan [persoon 3] . De creditfactuur ten bedrage van € 150.000 is gedagtekend 26 juli 2018.
Op naam van [naam 1] is vervolgens een factuur uitgereikt aan
[partij] ter zake van de verkoop van het paard. De factuur ten bedrage van
€ 150.000 is gedagtekend 15 augustus 2018. Er is op de factuur geen melding van btw gemaakt.
Op 5 december 2018 is het paard vervoerd naar de Verenigde Staten. Op het exportdocument staat [b.v. 6] . vermeld als de afzender en [partij] als de ontvanger.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag met dagtekening 27 juli 2023 aan de fiscale eenheid opgelegd (zie 1.1). Daarbij heeft de inspecteur € 31.500 aan omzetbelasting voor de levering van het paard nageheven naar het algemene tarief (21%).
Motivering
Is het beroep ontvankelijk?
4. De rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende ontvangen op
20 oktober 2024. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 29 november 2024. Dit betekent dat het beroepschrift in beginsel te vroeg (prematuur) is ingediend. Het prematuur verklaren van een beroepschrift blijft achterwege als de uitspraak op bezwaar al tot stand was gekomen of de indiener redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was gekomen.
Belanghebbende heeft in haar beroepschrift gereageerd op de motivering van de uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2024. Naar het oordeel van de rechtbank mocht belanghebbende redelijkerwijs aannemen dat de inspecteur reeds een besluit had genomen. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is namelijk ondubbelzinnig vermeld dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard, waarbij deze beslissing inhoudelijk is gemotiveerd. Bovendien bevat de motivering geen voorbehoud of aanwijzing dat de uitspraak op bezwaar later volgt. Het voorgaande betekent dat het beroepschrift niet prematuur is ingediend en derhalve ontvankelijk is.
Tenaamstelling van de naheffingsaanslag
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan de fiscale eenheid is opgelegd. Ten tijde van de transactie in 2018 door [b.v. 3] . vormde deze vennootschap een fiscale eenheid met haar 100% moedermaatschappij [b.v. 5] B.V. De naheffingsaanslag had aan die fiscale eenheid moeten worden opgelegd. Dat maakt dat de tenaamstelling onjuist is en de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
De inspecteur betwist dat de naheffingsaanslag onjuist te naam is gesteld. In 2021 is uitsluitend de naam van fiscale eenheid gewijzigd.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat belanghebbende – zij het eerst onder een andere naam (zie 3.2) – zowel ten tijde van de verkoop van het paard in 2018 als ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag deel uitmaakte van de fiscale eenheid waaraan de naheffingsaanslag is opgelegd, zij het door naamswijziging onder een andere naam.
Verder staat tussen partijen vast, hoewel de facturen niet vermelden welke rechtspersoon nu precies verkoopt, dat belanghebbende – handelend onder de naam [naam 1] (zie 3.2) – het paard heeft verkocht en de factuur ter zake van die verkoop heeft opgemaakt en uitgereikt (zie 3.7). Daarop staat het btw-nummer van de fiscale eenheid vermeld waaraan de naheffingsaanslag is opgelegd.
Ook ter zitting is het voor de rechtbank niet helder geworden wat de beroepsgrond precies inhoudt: belanghebbende betwist niet tot de fiscale eenheid te behoren waaraan de naheffingsaanslag is opgelegd en lijkt te stellen gelijktijdig tot twee fiscale eenheden te hebben behoord, dan wel dat binnen de fiscale eenheid nog een kleinere fiscale eenheid bestond. Wat de stelling precies ook is, de rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de naheffingsaanslag op dit punt onjuist zou zijn.
Schending recht op objectieve beoordeling?
Belanghebbende heeft gesteld dat geen zorgvuldige en objectieve herbeoordeling in bezwaar heeft plaatsgevonden omdat de inspecteur weigert van het bindend advies af te wijken. De inspecteur heeft verklaard dat wat belanghebbende bindend advies noemt dezelfde status heeft als een kennisgroepstandpunt. In bezwaar zijn alle feiten opnieuw beoordeeld.
De rechtbank is niet gebleken dat in bezwaar geen heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
Belanghebbende stelt primair dat het nultarief van toepassing is op de levering van het paard. Volgens belanghebbende is het paard in verband met haar levering uitgevoerd naar de Verenigde Staten. De inspecteur betwist dat het nultarief van toepassing is. Volgens de inspecteur heeft de levering van het paard in Nederland plaatsgevonden en houdt de uitvoer naar de Verenigde Staten geen verband (meer) met de levering van het paard.
De rechtbank stelt voorop dat niet de uitvoer, maar de levering die leidt tot uitvoer het belastbare feit vormt voor de omzetbelasting. Omdat belanghebbende zich op toepassing van het nultarief beroept, rust de bewijslast op belanghebbende. Het is aldus aan belanghebbende om te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat de uitvoer van het paard heeft plaatsgevonden in verband met haar levering. Dit betekent dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat zij tot aan het moment van uitvoer de macht om als eigenaar over het paard te beschikken bezat (hierna: de beschikkingsmacht).
Belanghebbende voert aan dat het trainen van het paard en het uitbrengen daarvan op wedstrijden in de periode tussen de levering en de feitelijke uitvoer moet worden aangemerkt als het in conditie houden van het paard. Dat het paard uiteindelijk pas in december naar de Verenigde Staten is uitgevoerd, is volgens belanghebbende het gevolg van onvoorziene medische omstandigheden (zie 3.10). Het paard is tijdens deelname aan wedstrijden in [plaats 2] geblesseerd geraakt.
De rechtbank begrijpt uit hetgeen besproken ter zitting dat nu het paard als gevolg van de blessure niet tijdig kon worden uitgevoerd omdat de door belanghebbende aangehouden zes-maandstermijn dreigde te verstrijken – binnen welke termijn belanghebbende meende dat dan in ieder geval geen omzetbelasting verschuldigd zou worden – een aangepaste factuur is uitgereikt aan [partij] , de onderneming van [persoon 3] (zie 3.12). Het was steeds de bedoeling dat het paard aan [persoon 3] of zijn onderneming [partij] zou worden geleverd en (mede) daarom is een creditfactuur aan [persoon 3] uitgereikt (zie 3.11).
De rechtbank merkt op dat het erop lijkt dat belanghebbende de datum van de verkoop achteraf later in tijd wilde plaatsen, om zo een kortere tijd tussen verkoop en de levering die leidt tot uitvoer te bewerkstelligen voor de omzetbelasting.
De omstandigheid dat kort gezegd de verkoopfactuur van januari 2018 maanden later wordt gecrediteerd en een nieuwe factuur wordt opgemaakt, maakt niet dat de verkoop daadwerkelijk op een later moment heeft plaatsgevonden. Dat de verkoop pas in augustus 2018 heeft plaatsgevonden, zoals belanghebbende stelt, is voorts onaannemelijk omdat kort na uitreiking van de factuur van 30 januari 2018 met betaaltermijn, binnen die betaaltermijn op 2 en 6 februari 2018 de volledige aankoopsom € 150.000 aan belanghebbende is voldaan (zie 3.8).
De rechtbank stelt voorts vast dat het paard op 5 december 2018 naar de Verenigde Staten is uitgevoerd (zie 3.14). Naar het oordeel van de rechtbank was het vereiste temporele verband tussen de levering en de uitvoering verbroken. Daartoe overweegt de rechtbank dat tussen de levering en de uitvoer meer dan tien maanden zijn verstreken en dat het paard in februari en maart aan wedstrijden heeft deelgenomen (zie 3.9). Daarnaast ziet de rechtbank in de door belanghebbende aangehaalde Belgische jurisprudentie onvoldoende vergelijk dan wel mogelijkheden in de Nederlandse wet om dit standpunt te laten slagen.
Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de uitvoer van het paard in het kader van haar levering heeft plaatsgevonden.
Is sprake van schending van rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. De Belastingdienst hanteerde volgens belanghebbende tot medio 2018/2019 een beleid waarbij overlegging van een bewijs van uitvoer voldoende was voor een rechtmatige toepassing van het exporttarief. De tijd tussen kortgezegd levering en uitvoer was niet van belang.
De inspecteur betwist dat sprake was van een dergelijk beleid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er dergelijk beleid bestond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel in verband met eerder beleid slaagt daarom niet.
Neutraliteitsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het neutraliteitsbeginsel is geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het neutraliteitsbeginsel niet geschonden. Dat het paard uiteindelijk is uitgevoerd en de koper eventueel omzetbelasting kan terugvorderen, staat niet in de weg om bij belanghebbende te kunnen naheffen.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande is het nultarief niet van toepassing op de verkoop van het paard. Dit betekent dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Verzuimboete
Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. Alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) of als sprake is van een pleitbaar standpunt wordt geen verzuimboete opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het hiervoor gegeven oordeel over de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van de levering van het paard – de inspecteur in beginsel terecht een verzuimboete van 10% van de verschuldigde belasting heeft opgelegd.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een pleitbaar standpunt omdat haar standpunt zou worden onderschreven door hogere rechtspraak uit België.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Gelet op het voorgaande is de verzuimboete terecht opgelegd. De rechtbank acht de verzuimboete ook passend.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank wel aanleiding om de boete te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 24 maart 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum de boete is aangekondigd. De rechtbank doet uitspraak op
13 augustus 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) twee jaar en vijf maanden verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreven met vijf maanden. De boete wordt daarom gematigd met 10% tot € 2.835.
Belastingrente
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. De boete wordt in verband met ‘undue delay’ verminderd tot € 2.835.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 13 augustus 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat te tekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.