uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A.P. Flinterman),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.656 (de aanslag).
Belanghebbende heeft verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag. De inspecteur heeft dit verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende drijft in het onderhavige jaar een eenmanszaak onder de [naam] . De activiteiten van de onderneming betreffen dienstverlening in de thuiszorg.
Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar aan [adres]
te [plaats 1] (hierna: de woning).
In het jaar 2021 heeft belanghebbende werkzaamheden verricht voor [stichting] te [plaats 2] (hierna: de Stichting). Vanuit de woning verricht belanghebbende verschillende werkzaamheden waaronder het coördineren van haar werkzaamheden als activiteitenbegeleidster en het verzorgen van de administratie van haar eenmanszaak.
Op 10 april 2022 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2021 gedaan. De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt opgebouwd:
Belastbare winst uit onderneming
€ 5.731
Netto omzet
€ 8.312
Bedrijfskosten
-/- € 1.333
Financiële baten en lasten
-/- € 315
MKB-winstvrijstelling
-/- € 933
Pensioenen, lijfrente of andere uitkering
€ 11.925
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 17.656
Belanghebbende heeft op 16 november 2023 twee herziene aangiften ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is op basis van de meest recent herziene aangifte (hierna: de herziene aangifte) als volgt opgebouwd:
Belastbare winst uit onderneming
- € 2.953
Netto omzet
€ 8.312
Bedrijfskosten
-/- € 7.033
Financiële baten en lasten
-/- € 315
Zelfstandigenaftrek
-/- € 3.335
Startersaftrek
-/- € 1.062
MKB-winstvrijstelling
€ 480
Pensioenen, lijfrente of andere uitkering
€ 11.925
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
- € 6.275
Aftrekbaar bedrag weekenduitgaven gehandicapten
- € 1.257
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 1.440
Belanghebbende heeft in de herziene aangifte in totaal € 8.312 aan bedrijfskosten opgevoerd. Hiervan heeft € 5.700 betrekking op huisvestingkosten, € 429 op auto- en transportkosten en € 904 op overige kosten.
De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 29 januari 2024 gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur. In die brief is toegelicht dat de maandelijkse huisvestingkosten zijn opgebouwd uit € 165 aan gas, water en licht, € 725 aan huur,
€ 103,22 aan verzekeringen en € 62 aan onderhoudskosten. Belanghebbende heeft 45% van deze kosten in aftrek gebracht. Verder volgt uit die brief dat belanghebbende ongeveer
27 uur per week werkzaamheden verricht voor de Stichting.
De inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een overzicht overgelegd met een weergave van de in 2021 aan de onderneming bestede uren. In de eerste helft van 2021 heeft belanghebbende wekelijks 36 uur aan de onderneming besteed, hetgeen volgens het overzicht neerkomt op een totaal van 936 uur. De wekelijks aan de onderneming bestede uren in het eerste halfjaar zijn als volgt weergegeven:
Maandag
Reistijd en werkzaamheden op locatie
10 uur
Dinsdag
Reistijd en werkzaamheden op locatie
10 uur
Woensdag
Reistijd en werkzaamheden op locatie
10 uur
Donderdag
x
x
Vrijdag
Planning voor de nieuwe week activiteiten
2 uur
Zaterdag
Inkopen voor de nieuwe week activiteiten
2 uur
Zondag
Administratie en uren verantwoording voor de week
2 uur
In de tweede helft van 2021 heeft belanghebbende gedurende een periode van vier maanden wekelijks 24 of 26 uur per week aan de onderneming besteed, hetgeen volgens het overzicht neerkomt op een totaal van 176 uur. De wekelijks aan de onderneming bestede uren in het tweede halfjaar zijn als volgt weergegeven:
Maandag
Reistijd en werkzaamheden op locatie
10 uur
10 uur
Dinsdag
Reistijd en werkzaamheden op locatie
10 uur
10 uur
Woensdag
x
x
x
Donderdag
x
x
x
Vrijdag
Planning voor de nieuwe week activiteiten
2 uur
2 uur
Zaterdag
Inkopen voor de nieuwe week activiteiten
2 uur
2 uur
Zondag
Administratie en uren verantwoording voor de week
2 uur
x
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering met dagtekening 10 december 2024 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft in de beroepsfase zeven zorgovereenkomsten van opdracht overgelegd die zij heeft gesloten met cliënten. Deze zorgovereenkomsten zijn ieder aangegaan voor onbepaalde tijd en daarin is opgenomen dat de gewerkte uren achteraf worden doorgegeven.
Motivering
Heeft belanghebbende recht op de zelfstandigenaftrek en startersaftrek?
4. Op grond van de wet geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Aan het urencriterium is voldaan als gedurende een kalenderjaar ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een onderneming worden besteed. De zelfstandigenaftrek wordt verhoogd indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast (startersaftrek). Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan het urencriterium is voldaan.
Vanwege de destijds heersende coronapandemie heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat ondernemers voor toepassing van het urencriterium in de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 geacht worden ten minste 24 uur per week aan de onderneming te hebben besteed.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ondernemersfaciliteiten. Belanghebbende stelt dat aan het urencriterium is voldaan indien wordt uitgegaan van een tijdsbesteding van vier uur per week per cliënt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende verschillende urenoverzichten overgelegd en verwijst zij naar zeven zorgovereenkomsten (zie 3.11). Daarnaast beroept belanghebbende zich op de door de staatssecretaris van Financiën getroffen goedkeuring.
De inspecteur heeft zich in de kern op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2021 voldeed aan het urencriterium. De inspecteur verwijst naar een brief van de staatssecretaris van Financiën met betrekking tot de versoepeling van het urencriterium:
“Met de versoepeling is echter niet bedoeld dat ondernemers die onder normale omstandigheden (geen coronacrisis) onvoldoende uren aan hun onderneming(en) besteden profijt hebben van deze versoepeling en aanspraak zouden kunnen maken op bepaalde ondernemersfaciliteiten.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij in het onderhavige belastingjaar meer dan 1.225 uur aan haar onderneming heeft besteed. Belanghebbende heeft gedurende de procedure weliswaar verschillende urenoverzichten overgelegd, maar deze bieden onvoldoende feitelijk inzicht in de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en zijn onderling niet consistent. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat belanghebbende in 2021 een omzet van € 8.312 heeft behaald.
Ook het beroep op de goedkeuring van de staatssecretaris van Financiën slaagt niet. De inspecteur heeft – onweersproken – gesteld dat belanghebbende in de voorafgaande jaren geen aanspraak heeft gemaakt op ondernemersfaciliteiten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat belanghebbende onder normale omstandigheden aan het urencriterium voldoet.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij in 2021 voldoet aan het urencriterium. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op de starters- en zelfstandigenaftrek.
Is sprake van een kwalificerende werkruimte?
Op grond van de wet komen kosten en lasten die verband houden met een werkruimte niet in aftrek op de winst, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt (het zelfstandigheidscriterium) en intensief wordt gebruikt voor verwerving van inkomen (het inkomstencriterium).
De rechtbank overweegt dat belanghebbende haar standpunt dat sprake is van een kwalificerende werkruimte geenszins onderbouwd met stukken. De stelling dat de werkruimte een zelfstandige ingang heeft en is afgescheiden van de rest van de woning, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering dan ook terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 13 augustus 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.